Recensie —

Prelude of reprise?

Andrea Prins

Iedere ontwerper kijkt naar wat er al is. Zo keek men naar de antieke (renaissance), de genius loci (Norberg-Schulz), oceaanstomers (Le Corbusier) of alles tegelijk (postmoderne). De recent gelanceerde ‘weaving generation’ zoekt ook verrijking in het bestaande. De onlangs verschenen publicatie Frankfurt Dialogen is een poging tot positiebepaling van deze groep.

woningen Prins Leopoldstraat, Brussel / ONO Architectuur – foto Filip Dujardin

Tijdens de boekpresentatie in Het Nieuwe Instituut stelde Marius Grootveld, een van de drijvende krachten achter de promotie van de ‘wevende generatie’, dat het werk van deze nieuwe stroming zich kenmerkt door het zoeken naar bestaande draden, en door het verrijken van het existerende weefsel – vandaar de naam ‘wevende generatie’. Voor iemand die, net als ik al iets langer meedraait in de architectuurwereld, klinkt dit niet onbekend. ‘Kritische reconstructie’ was een van de twee thema’s van de in 1987 in Berlijn gehouden Internationale Bauausstellung. Ook ironie en speelse interpretatie werden toen ingezet. ‘Geschiedenis is een broodje rauwe ui,’ zegt de schoolvriend van de verteller in Julian Barnes’ Alsof het voorbij is, ‘ze komt steeds terug. Ze rispt op.’

Het boekje Frankfurt Dialogen. Aanleidingen voor een gesprek over architectuur is het resultaat van meerdere gebeurtenissen: de expositie Prelude was onderdeel van de tentoonstelling Maatwerk | Massarbeit in het Deutsche Architektur Museum in Frankfurt. Deze als Wunderkammer gepresenteerde expositie ging over de werkwijze van een aantal opkomende Vlaamse en Nederlandse architectenbureaus. Vervolgens kwam er een serie van vier dialogen tussen enkele van deze nieuwkomers met critici-architecten van naam. En dan nu de publicatie, een initiatief van HNI’s Agentschap voor Architectuur, Design en Digitale Cultuur, waarin de verslagen van deze vier gesprekken worden verbonden met essays die op hun beurt weer een bewerking zijn van tijdens de dialogen uitgesproken ‘columns’.

Het boekje over de ‘wevende’ architectuur is met zorg vormgegeven. Het heeft een dunne kartonnen voor- en achterkaft, waarbij de open rug direct in het oog valt: de geplakte en genaaide katernen blijven zichtbaar. Je ziet dus hoe het boek gemaakt is – de  interesse in ‘vakmanschap’ is ook een kenmerk van de wevende generatie. Het thema van het weven komt in het binnenwerk terug: essayteksten en verslagen volgen elkaar niet netjes op, zoals we gewend zijn, maar lopen door elkaar heen, ze becommentariëren elkaar. Per soort tekst is er één font en paginaopmaak. Titels en ondertitels, inleiding en nawoord, verslagen met projectfoto’s en de essays hebben dus elk een eigen grafische verschijning. Ter plaatse van de verslagen hebben de pagina’s aan de buitenzijden nauwelijks witruimte en vele foto’s zijn afgesneden om op de volgende pagina te worden hervat. In tegenstelling tot deze overvolle opmaak zijn 47 pagina’s aan het einde geheel wit gelaten, meer dan een kwart van het gehele boek. Het lay-out lijkt te spelen met onze verwachtingen van het – traditionele – medium ‘boek’.

spread Frankfurt Dialogen. Aanleidingen voor een gesprek over architectuur

Inhoudelijk bestaat Frankfurt Dialogen uit vier hoofdstukken. Elk hoofdstuk bevat tal van complexe gedachtegangen en is zowel een waardevolle aanvulling op de expositie, als een interpretatie van het werk van deze aankomende architecten. Maar de ‘geweven’ lay-out en de uitgesproken fonts maken het lezen niet makkelijk. Een greep uit het hoorn des overvloeds. In ‘Grenzeloos Maatwerk’ identificeert Gideon Boie de uitdaging voor de nieuwe stroming in het ‘doorkruisen van een mentale grens’. Boie ziet een ‘para-praktijk’ ontstaan die verder gaat dan het opgeleverde object. Het gaat de ‘wevende architecten’ niet alleen om een met vakmanschap gerealiseerd project-op-maat, maar net zo goed om maatwerk in conceptvorming en in het organiseren van draagvlak.

In ‘Radicaliteit en poëzie’ interpreteert Lara Schrijver de (nog) niet gebouwde projecten niet als een vlucht voor de realiteit maar als een noodzakelijke reflectie op ons al te kwantificeer- en meetbaar ingericht leven. In ‘Aanleiding en plek’ ontleedt Tom Avermaete het begrip ‘referentiekader’. Het kan daarbij om de bestaande, specifieke context van een project gaan: het project verhoudt zich dan tot de aanwezige condities ‘als gegeven’. Een tweede benadering gaat verder. Hier reageert het nieuwe project niet alleen op de condities maar creëert zelf het referentiekader. Avermaete noemt dit een referentiekader ‘als project’.

In het hoofdstuk ‘Compositie en materiaal’ gaat het onder andere over het schijnbaar alledaagse. Daniel Rosbottom identificeert een dualiteit: enerzijds schijnen de projecten ‘met welbehagen’ in hun omgeving op te lossen, anderzijds dagen ze de oplettende waarnemer uit door net iets anders dan gewoon te zijn. Een voorbeeld van deze architectuur, die dus zowel vertrouwd als vreemd is, is het ontwerp van ONO Architectuur voor een passiefhuis met drie woningen in het stadsdeel Borgerhout in Antwerpen. Vanaf buiten gezien lijken het twee huizen te zijn. Deze ontwerpbeslissing heeft te maken met de kleinschaligheid van de omliggende bebouwing. De straatgevels met hun verspringende sokkel, ramen en kroonlijsten zijn een reflectie op de façades die in de omgevende wijk te zien zijn. Maar het huis bestaat niet, zoals zijn oudere buren, uit massieve steen maar vooral uit de dikke lagen licht isolatiemateriaal die nodig zijn voor het realiseren van een huis dat zonder conventionele verwarming uitkomt.

bg woningen Prins Leopoldstraat, Brussel / ONO Architectuur

Alle drie woningen zijn verschillend en hebben hun entreedeur aan de straat. Elke woning heeft meerdere lagen, waarbij maar één laag over de hele diepte van het huis doorloopt. In deze woningen moet men goed ter been zijn en van het traplopen houden. De verdiepingshoogten zijn aan het gebruik van de ruimten aangepast: een driedimensionaal puzzel. Twee woningen hebben een verhoogde bel-etage, een element dat volgens de architecten door de gelaagde opbouw van openbaar naar privé naar het 19e-eeuwse herenhuis verwijst. Als een uitkijkpost troont de keuken achter haar lage, gemetselde muur. De woonruimte ligt dan weer lager, op tuinniveau. De derde woning wordt ontsloten door lange trappen en heeft haar woon-, eet- en kookruimten op de eerste etage aan de tuingevel. Opmerkelijk is dat bij deze woning de eetkeuken en de woonkamer door de toch wat formelere trapruimte en een hoogteverschil van elkaar gescheiden zijn. Dit zou erop kunnen duiden dat de architecten niet zozeer denken in ruimtefuncties maar meer in activiteiten die bij het wonen horen. Deze vermeende woonkamer is in ieder geval niet de centrale lounge- en televisiekamer waar een familie als vanzelfsprekend bij elkaar komt. Deze ruimte ligt apart. Hier wordt dus niet zozeer een ‘woonkamer’ ontworpen, maar een plek die door zijn ligging uitnodigt om te lezen, na te denken, een rustig gesprek te voeren, alleen te zijn.

Bij de binnenafwerking vallen grootformatige MDF-platen op die in één vlak met het wand- en plafondpleisterwerk liggen. Opgenomen in en achter deze afneembare platen is de techniek: de elektravoorzieningen en de voor een passiefhuis onmisbare ventilatieroosters voor de warmteterugwinning. Door hun afwijkende textuur en maatvoering werken deze platen als op zichzelf staande elementen in het interieur. De voor hedendaags comfort noodzakelijke techniek wordt dus zowel weggewerkt als beklemtoond.

Het hele project verwijst gelijktijdig naar tradities én naar de toekomst waarin anders en ecologisch bewuster gewoond wordt. Dit is méér dan de ‘lege retoriek van het toegepaste motief’, waarvoor Rosbottom in zijn essay waarschuwt, verwijzend naar de ‘formele mislukkingen’ van eerdere postmoderne fasen. En het is ook meer dan een Reprise, een hervatting, zoals de titel van het nawoord luidt. Op de vele lege pagina’s zou wat mij betreft een hoofdstuk toegevoegd kunnen worden waarin het omgaan van deze aankomende generatie met huidige uitdagingen als klimaatverandering of toenemende sociale ongelijkheid geanalyseerd wordt.

Aan het einde van de boekpresentatie ontving Sofie De Caigny, medecurator van Maatwerk | Massarbeit en toekomstige directeur van het Vlaams Architectuurinstituut, het eerste exemplaar van Frankfurt Dialogen. In haar korte dankwoord zei ze dat Belgische bureaus heel succesvol zijn met het ‘weven’,en dat trouwens al sinds decennia.

woning Prins Leopoldstraat, Brussel / ONO Architectuur – foto Filip Dujardin