Recensie —

Woorden geven aan het landschap

Hans Teerds

Literair tijdschrift De Gids viert haar 180ste verjaardag met een nummer gewijd aan het Nederlandse landschap. Een grotendeels zelf gemaakt landschap, waardoor de behoefte aan verhalen en betekenissen misschien wel des te sterker is.

Haarlemmermeerpolder, foto: Ilonamay via Wikipedia

Ligt het voor de hand om als literair tijdschrift het landschap te kiezen als thema van een jubileumnummer? Ja, stellen Dirk van Weelden en Edzard Mik in hun redactioneel van het onlangs verschenen 180ste nummer van De Gids: ‘Weinig is zo bepalend voor de Nederlandse literatuur als het Nederlandse landschap. Schrijvers en dichters hebben zich er vol overgave door laten inspireren. Het sprak van hun gemoedstoestand, stond symbool voor alles wat het bestaan behelst, is bezongen en vervloekt, en personages werden eraan overgeleverd, met hun lotsbestemming en al.’ Literatuur is ‘gesitueerd’, en die situering behelst meer dan slechts het decor van het verhaal. Van Weelden en Mik benoemen meteen ook de uniciteit van de situatie in Nederland: ‘elke vierkante meter is al dan niet opzettelijk door mensen gevormd en onderwerp van plannen voor de toekomst.’

Ook in De Gids daagt de planmatigheid van het landschap de schrijvers uit. De essayist Arjen Mulder, die zich in ‘De lijnen van het landschap’ concentreert op het landschap van rechte lijnen en contrasterende vlakken. De composities van Mondriaan komen als vanzelf in gedachten: ze zijn de scherpste verbeelding van het landschap stelt hij. De horizontale lijn en de verticale lijn, haaks op elkaar. Het is volgens Mondriaan de oerverhouding van de stand. Het straalt rust uit, maar is ook vlak, vindt Mulder. En zo rustig is het landschap niet, vervolgt hij. Het wordt immers al anders als ‘een enkele boom zijn stam en kroon boven de nachthorizon uitsteekt. Dan trekken we als vanzelf een lijn tussen dat merkpunt en de ronde maan en ontstaat er een schuine verhouding van stand, wat veel onrustiger overkomt, veel meer diepte heeft.’

De essentie van het landschap kan dan misschien teruggebracht worden tot rechte lijnen, de menselijke ervaring geeft er veel meer diepte aan. De onrust die het vlakke land op kan roepen wordt niet veroorzaakt door machtige bergen en angstaanjagende kloven, niet door het massieve, maar juist door de leegte. ‘Wie in Nederland het sublieme wil ervaren kijkt niet omlaag in een duizelingwekkende afgrond op zoek naar de fatale zuiging, maar omhoog, naar het allervluchtigste, alleromvangrijkste dat spot met de mondriaanse lijnen en vlakken van ons zelf-uitgegraven, zelf-bedachte landschap.’ De schrijver Dirk Vis sluit daar kort en bondig op aan, in zijn bijdrage ‘Machinetuin’, een reflectie op de toekomst van het agrarische landschap en boerenbedrijf in het tijdperk van de drone: ‘In de Noordoostpolder wandelen is ook rondlopen in het hoofd van de ingenieur die het landschap ontwierp. Dit landschap is geproduceerd om zelf te produceren.’ Maar ook daar waar het Nederlandse productie-landschap ruimte maakt voor ‘natuur’ of ontspanning, lijkt alles slechts schijn, zoals dichter Maria Barnas verwoord:

In de stilte van het bos dat geen bos is
maar adem en een schikken
van vachten in een hol.

Waar wacht de boswachter?
Hij wacht tot het bos zich omkeert.
Wacht tot het bos ons verlaat.

Functioneel landschap
Het Nederlandse landschap is een schijnlandschap: gemaakt uit noodzaak, om voedsel te verbouwen, om het water te bedwingen, om land te maken waarop we kunnen wonen – en toch wordt het gewaardeerd om zijn schoonheid. ‘Het grappige is dat al die zaken waaraan nu een grote esthetische waarde wordt toegekend’, stelt Dirk Sijmons in een interview in het jubileumnummer, ‘ooit puur om economische en nuttige redenen zijn aangelegd en gebouwd.’ Het slotenpatroon en de dijken, houtwallen en bossages, uiterwaarden en molens, alles wat er is heeft een technische en functionele reden. Er wordt al eeuwen aan gesleuteld: elke vierkante meter is bedacht, gemaakt, en aangepast aan de telkens veranderende situatie.

‘Wij zijn landmakers’, stelde Adriaan Geuze, in gesprek met De Gids-redacteur Dirk van Weelden bij de presentatie van het jubileumnummer in Het Nieuwe Instituut. ‘Dat is onze identiteit, dat is onze bijdrage aan de wereld.’ Maar, ging hij verder: ‘Het landschap werd via de kunst eigen gemaakt.’ Het ingenieurs-landschap heeft niet alleen de Nederlandse schilderkunst en literatuur beïnvloed met karakteristieken als maakbaarheid, nuchterheid, rechtlijnigheid. Omgekeerd hebben ook de koeien van Potter, de horizon in Rembrandts landschappen, de rivier in de gedichten van Nijhof, de schuldige bomen in het werk van Armando ‘ons’ de ogen geopend voor de esthetiek van het landschap. Door de woorden en beelden van kunstenaars en schrijvers zijn we het landschap anders gaan zien.

Geuze’s opmerking vormde de opmaat voor zijn bekende zorg omtrent het landschap: de oprukkende billboards, geluidsschermen, en bedrijfsterreinen maken het landschap ‘onleesbaar’. Crimineel, typeerde hij de processen: de bedrijven die wethouders verleiden om voor een mooie som geld een reclamebord neer te zetten waar niemand om heeft gevraagd. En, schetste Geuze het gehoor voor: juist nu maken de provincies enorme aantallen woningen bekend die de komende decennia gebouwd moeten gaan worden. De financiële instellingen kopen inmiddels weer land op, en daarmee lijkt het alweer een gelopen race. We hebben er geen grip op. Er is slechts een economische taal die over de hoofden van de bewoners heen gaat. En dat terwijl landschap essentieel is: het is een van de pijlers onder het menselijke bestaan. Naast liefde en eten, stelde Geuze, biedt het landschap houvast in een wereld in verandering. Met andere woorden, als we geen taal hebben die dicht bij de mensen komt, dan hebben we ook de grip op de transformatie verloren.

Betekenis geven
Ik moest denken aan The Rise and Fall of Adam & Eve, een recent boek van Stephen Greenblatt. Het behandelt ontstaansverhalen, juist tegen de achtergrond van de wetenschappelijke kennis die we inmiddels hebben van het ontstaan en evolutie van het leven. Maar juist wanneer onze kennis ervan toeneemt – eerder noemde men dat ‘ontmythologisering’ – hebben we ook meer behoefte aan verhalen die betekenis geven aan onze alledaagse ervaring van hoe het is (geworden) en hoe het zou moeten zijn. Dat is precies waar in het verhaal van Adam en Eva – en andere verhalen over het ontstaan van de wereld – woorden aan wordt geven. De wetenschap zou eigenlijk gepaard moeten gaan van telkens weer nieuwe verhalen, om woorden te geven aan het menselijke bestaan en de menselijke ervaring. Is dat – zo dacht ik – niet juist ook in Nederland noodzakelijk? Het ontstaan is duidelijk, functioneel. Niets mythologisch aan. Maar in een landschap dat we zelf gemaakt hebben, is de behoefte aan verhalen en betekenissen misschien wel des te sterker. Er zijn immers geen mythische bergen die weerstand bieden aan nieuwe golven van functionalisering en programmering, terwijl, in de woorden van Geuze, thuis-zijn (en daarmee een zekere continuïteit in de tijd) in het landschap essentieel is voor de menselijke psyche. Is het een taak voor kunstenaars en literatoren, die persoonlijke ervaringen kunnen boetseren en nieuwe verhalen aan het landschap kunnen verbinden, om woorden te geven aan onze inbedding in de wereld, om zo de schoonheid en ongrijpbaarheid ervan weer te ontdekken, zoals ooit de kunstenaars deden in de tijd van Simon Stevin en Jan Adriaanszoon Leeghwater?

Bocht in de weg
Of moeten we de transformatie juist omarmen? De schrijver Maarten van der Graaff laat in zijn essay Landerigheid zien hoe zelfs de ‘landschappen van verveling’ te vangen zijn in woorden en beelden, die op hun beurt de ogen openen voor het afwijkende. ‘Voor wie verveeld is, voelt elk ogenblik als betekenisloze eeuwigheid. De zinloze herhaling van hetzelfde strekt zich uit tot in het oneindige. Dat is ongeveer hoe ik de polder van Goeree-Overflakee heb ervaren, ontvankelijk voor zogenaamd diepzinnige inzichten.’ Juist die verveling onthult de achterkant van het moderne project,’ schrijft hij. ‘Verveling kan tonen waar het vooruitgangsgeloof van de moderniteit begint te rafelen, hoe mensen beperkt worden, vastlopen – heel direct en lichamelijk – en bezwijken onder druk, ook in de nieuwe economie van het voortdurende improviseren.’ Hij laat zich rondleiden in de Haarlemmermeerpolder door Theo Baart, bekend om zijn levenslange fascinatie voor de transformatie van deze polder, om grip te krijgen op de uitgestrektheid, het banale, deze achterkant van het economische beleid.

Van der Graaff: ‘Baart wil me een bocht in de weg laten zien die uitkomt op een viaduct, dus lopen we het dorp uit. … Aan het begin van de weg met de bocht staat een groene doos op het water. Dat is wat je ziet: een compacte groene doos op water. Baart pakt zijn camera. Het water in de sloot aan de ene kant van de doos lijk lager te staan dan de andere. “Ik geloof dat we naar een gemaal kijken,” zegt hij. “Maar ik weet het niet zeker. Dat is waarom ik fotografeer. …” Ik vind het moeilijk om het woord gemaal op het ding voor me te plakken. De doos is volmaakt abstract. Het gemaakte, technologische landschap heeft voortdurend de neiging voor mijn ogen in een puzzel te veranderen, een puzzel die ik nooit zal kunnen oplossen. Baart keert altijd weer terug naar deze banale elementen, waar niemand op let of zelf in geïnteresseerd is. Hij zegt zich hier nooit te vervelen, want het landschap verandert voortdurend, schoksgewijs, vol conflicten en paradoxen. (…) Alles in dit landschap is recht, optimaal verkaveld. Toch zit er een bocht in de weg. “Hoe kan dat?” Hij kijkt me met pretogen aan. Toen ze omwonenden wilde uitkopen om dit viaduct te bouwen, vertelt hij, hadden ze met vier boeren te maken. Dus trokken ze de grens met een kromming erin, zodat ze nog maar met twee boeren moesten onderhandelen. “Geld dus. Grondpolitiek. Maar dat zie je niet. Wat je ziet is een bocht.”’

Verzet begint bij goed kijken. Maar verzet begint ook bij weerstand bieden tegen valse mythologieën, schrijft Van der Graaff. ‘De geograaf Denis Cosgrove definieerde landschap als “een manier van kijken”. Het landschap is geen ding om bekeken te worden, maar is zelf een cultureel bepaalde manier om de wereld om ons heen tegemoet te treden. Om ruimte in te nemen. De visuele ideologie van het landschap impliceert de blik van de heersers,’ schrijft hij. ‘Verzet tegen wat het landschap en onze aanwezigheid erin onleesbaar maakt begint bij verzet tegen de valse mythologie waarin de mens onveranderlijk is, verveling een aspect van de menselijke conditie en transformaties in het landschap verdoezeld worden door nostalgie of blind vooruitgangsgeloof.’