Feature —

De fundamentele bijdrage van architectuur aan het publieke domein

Hans Teerds

Het democratisch proces is ook een vraagstuk van ruimte. En omdat die ruimte ontworpen wordt, er architecten aan tekenen en stedenbouwers aan plannen, is dit ook een vraagstuk dat bij ons, ontwerpers, op tafel ligt.

Hannah Arendt, eind jaren zestig

Verschillende werelden
Op 26 februari 2012 wordt in The Retreat at Twin Lakes, een gated community in Sanford, Florida, een zeventien jarige jongen doodgeschoten: Trayvon Martin. De jongen is met zijn vader op bezoek bij diens vriendin. In de rust van een basketbalwedstrijd op televisie gaat hij even naar een 7eleven om een zakje Skittles te kopen. Trayvon loopt via wat we een olifanten-paadje noemen: een gat in het hek, een pad uitgesleten door gebruik. Een ‘neighborhoodwatch’, iemand die ook in de gated community woont, en op afspraak met anderen in de buurt rondjes rijdt om ongewone situaties te detecteren, ziet Trayvon lopen en vindt dit verdacht. Hij belt de politie, maar wacht niet af tot deze arriveert, stapt uit zijn auto en probeert de jongen tegen te houden. Tijdens de worsteling die ontstaat schiet hij de ongewapende Trayvon dood. De politie laat de dader, George Zimmerman, na arrestatie al snel weer vrij, wat onder de zwarte bevolking in Florida en ver daarbuiten tot protesten lijdt. Het is het begin van de ‘Black Lives Matter’ beweging, die het geweld door de politie tegen de zwarte bevolking in Amerika aan de kaak stelt. Zimmerman werd overigens vrijgesproken en hoefde niet de gevangenis in.

Voor mij staat deze schokkende gebeurtenis voor het failliet van de moderne en postmoderne suburbanisatie: voor een stedenbouw en architectuur die gedreven wordt door angst voor het vreemde, het uitsluiten van risico’s. In de gated community, maar ook in andere enclaves als de shopping-mall wordt het vreemde letterlijk buiten gesloten. Dat buiten sluiten vraagt echter om telkens nieuwe maatregelen. Het begint bij de muur en de toegangspoort, loopt via de conciërge aan de poort, naar een medewerker van een beveiligingsbedrijf, meer prikkeldraad en de komst van camera’s. Als er ondanks deze maatregelen toch spullen gestolen worden uit achtertuinen gaan de bewoners zichzelf organiseren, en stellen de ‘neighborhoodwatches’ in. Elke interruptie van het gewenste vredige beeld vraagt om een nieuwe stap. De verdediging wordt steeds grimmiger. Wie het vreemde uitsluit wordt paranoia. Dat is het failliet van de samenleving, want gevaar is nooit uit te sluiten.

Er is vandaag de dag ook een andere kant zichtbaar. De stad is weer populair. Wie het zich kan veroorloven vertrekt uit de buitenwijk en verhuist naar de binnenstad, om daar op de fiets naar het werk te kunnen, of naar een koffiezaak om er te werken en anderen te ontmoeten. Er is weer behoefte aan het vreemde, aan uitdaging door verschil. Er is zelfs een economische theorie die dat ondersteunt. Willen we in het Westen concurrerend blijven, stelt Richard Flordia in zijn bekende pleidooi voor de creatieve klasse, dan moeten we inzetten op innovatie en creativiteit. Die worden opgewekt in die botsing tussen verschillen die eigenlijk alleen in de stad mogelijk is. Maar ook dit heeft een keerzijde, zoals we nu bijna dagelijks in de krant kunnen lezen. Ook binnensteden, ook al zijn ze niet ommuurd, lijken het exclusieve domein van specifieke groepen te worden.

Verlies van publieke ruimte
In beide gevallen – in de buitenwijken als in de binnensteden – gaat het in essentie om verlies van publieke ruimte. Het toelaten van de vreemde is, volgens de socioloog Richard Sennett en de stadsactiviste Jane Jacobs, het kenmerk van de publieke ruimte. Publieke ruimte is inclusief: toegankelijk voor iedereen. De ruimte in een enclave is juist exclusief: grote groepen uit de samenleving hebben er geen toegang toe. Het idee is dat een inclusieve stedelijke ruimte een essentieel onderdeel is van de democratie. Democratie is niet simpelweg de representatie van de bevolking (en hun verschillende wereldbeelden) in het parlement en de regering, en beslissing bij meerderheid van stemmen, maar functioneert alleen als ook aan de basis mensen elkaar niet ontlopen.
Dit proces is dus ook een vraagstuk van ruimte. En omdat die ruimte ontworpen wordt, er architecten aan tekenen en stedenbouwers aan plannen, is dit ook een vraagstuk dat bij ons op tafel ligt. Deels hebben architecten er natuurlijk weinig invloed op; dit is hoe en waar mensen willen wonen, werken, winkelen. Waar ze zich prettig en veilig voelen. Dit is wat de markt als meest economisch winstgevende model beschouwd – en dus wordt het zo ontwikkeld en gebouwd. En toch: de ruimten worden ontworpen. Is er niet iets wat de architectuur kan bijdragen aan die mogelijkheid dat ‘vreemden’ elkaar ontmoeten?

Deze vragen vormen het vertrekpunt van mijn proefschrift At Home in the World. Wat is eigenlijk die publieke ruimte? En hoe is de architectuur hierop van invloed? Om die vragen te beantwoorden ga ik in mijn proefschrift terug naar een van de bronnen achter het debat over de openbare ruimte: het boek The Human Condition uit 1958 van de filosofe Hannah Arendt (1906-1975), in het Nederlands vertaald als de Vita Activa (en recent opnieuw uitgebracht als De menselijke conditie). Een belangrijke andere bron van het debat over de publieke ruimte is een boek uit 1962: Strukturwandel der Öffentlichkeit van de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1929). Zijn boek is binnen het architectonisch discours bekender. Mijn stelling is dat juist Arendts bijdrage de essentie van de publieke ruimte voor architecten beter verduidelijkt, ook al heeft ze nooit concreet over architectuur geschreven.

Betrokkenheid op de wereld
Centraal in Hannah Arendts denken staan de begrippen ‘wereld’ en ‘politiek’. Wereld is wat we van de aarde maken. De aarde is de globe, de natuurlijke sfeer. Daarin kunnen we als mens niet zondermeer overleven. We moeten ingrijpen, haar stofferen. En daarom maken we schuilplaatsen, tafels, stoelen, wegen. Arendt noemt dat ‘de wereld-van-de-dingen’. Belangrijk voor haar zijn twee aspecten van deze dingen: (1) ze hebben een lange duur (zijn duurzaam) en (2) ze vormen een ‘tussen’ tussen de mensen (ze zijn gemeenschappelijk). Beide zijn essentiële aspecten van de wereld-van-dingen, want daarmee vormt deze wereld het podium voor het politieke leven.
Dat laatste aspect is belangrijk omdat we niet alleen in deze wereld zijn, maar altijd met anderen. De wereld-van-dingen verbindt ons aan elkaar, zoals een tafel een gezamenlijk diner mogelijk maakt. Arendt heeft het dan ook over de ‘gemeenschappelijke wereld’. Wat deze aan de samenleving verleend is dus gezamenlijkheid en continuïteit. De interventies in de aarde zijn dus allereerst noodzakelijk omdat we in de gegeven condities niet kunnen overleven. De duurzaamheid van de interventies maakt vervolgens de menselijke gemeenschap mogelijk. Die is essentieel een gemeenschap van generaties lang, ze overstijgt de levensduur van het individu. Dit maakt politiek, dat voor Arendt essentieel gaat over toekomstgericht handelen, niet alleen mogelijk, maar ook zinvol. Politiek is voor Arendt dan ook vooral ‘betrokken-zijn op de wereld’. Het politieke is voor Arendt dus niet zozeer de instituties, maar vooral het samen-leven zelf. De instituties horen daar wel bij, ze verzekeren dat samen-leven.

Samengevat: de wereld is het podium voor het politieke, en het politieke is betrokkenheid op de wereld. Als Arendt het over politiek heeft, denkt ze bij voorkeur aan de kleine schaal. Haar bron is de agora, in de Polis, de Griekse en Romeinse stadsstaten, waar burgers van de stadsstaat elkaar ontmoetten en over de toekomst van de stad spraken. Handelen en spreken temidden van anderen zijn volgens Arendt dan ook de essentiële politieke activiteiten. Daarnaast onderscheidt ze  arbeiden (om te overleven) en werken (om de wereld-van-dingen te produceren). Deze activiteiten behoren volgens haar toe aan het private domein.
Het is duidelijk dat dit handelen en spreken publiek nodig heeft, dat ziet en hoort, en reageert. Door te handelen en spreken, verschijnen we aan de ander. Zien en gezien worden, horen en gehoord worden, daar draait het om. Het vergt dus een ruimte, waarin men elkaar kan tegenkomen, zien en horen, gezien en gehoord worden. Die ruimte is de publieke ruimte die Arendt soms ook ‘verschijnings-ruimte’ noemt, space of appearance. Cruciaal voor Arendt is dat door te handelen en spreken ook het verschil tussen mensen duidelijk wordt. Niemand praat hetzelfde, niemand handelt hetzelfde. Publieke ruimte is voor Arendt dan ook fundamenteel een ruimte van verschil: alleen daar komen de verschillen aan het licht. Het zijn ook die verschillen die dit handelen nodig heeft. Als we allemaal exact hetzelfde waren, was er geen politiek nodig.

Ontmoetingen
Nu is het mooie aan Arendt dat ze hier dus ‘echte’ ontmoetingen beschrijft. Dit is dus niet een abstract filosofisch idee. Het is concreet. Het gaat verder dan uitwisseling van ideeën, zoals bijvoorbeeld ook mogelijk is op fora op Internet, Facebook of Twitter. Het gaat haar om echte actie, die alleen zin heeft als andere het zien en horen, en daarop reageren. Bovendien wordt hier duidelijk: het gaat niet om groepsvorming, maar om individuen. Er bestaat voor Arendt niet zoiets als het publiek en de publieke opinie. Arendt benadrukt dat juist spreken namens het volk gevaarlijk is.

Wat draagt deze reflectie op het wezen en de kracht van de publieke ruimte nu eigenlijk bij aan die vraag waar ik mee begon: hoe draagt de architectuur bij aan de publieke ruimte?
Allereerst: Arendt benadrukt dus niet zozeer dat verschillende groepen uit de samenleving elkaar tegenkomen en in gesprek raken. Het gaat allereerst om de verschijning van individuen aan elkaar. Dat kan ook op een pad in een gated community, of in het atrium van een shoppingmall, al gebeuren deze ontmoetingen vaak bij toeval als er iets onverwachts gebeurd.
Ten tweede levert Arendt ons een aantal praktische richtlijnen. Om de verschijning aan elkaar te stimuleren gaat het in de ruimte allereerst om verschil zichtbaar te maken. Dat betreft zowel zichtbaarheid van verschillende gebruikers, maar ook verschil in ruimten (en objecten) zelf. Dat is een essentieel aspect van de wereld-van-dingen. De verschillende ruimten moeten dan wel met elkaar in verband gebracht worden. Tenslotte gaat het om de nabijheid van anderen – dat gaat dus over de maat van de publieke ruimte die bepalend is hoe dicht de gebruikers elkaar naderen. Dit zijn aspecten van ruimte waar een architect mee aan de slag kan. Een plein-ontwerp, een gebouw-ontwerp, hoe een straat in elkaar steekt, of een park, kan daar aan bijdragen, of doet daar aan af.
Inderdaad: de opzet van een enclave staat daar haaks op. Dat maakt echter ook duidelijk dat het ‘verschijnen-aan-elkaar’ een gebeuren is, dat niet maakbaar is. Het gebeurt ook in de enclave. Het kan overal gebeuren, en als architecten verhogen we hoogstens de potentie dat het kan gebeuren. Bovendien, het is duidelijk dat als we het over ‘verschijnen aan elkaar hebben’, dat dit geen statisch kenmerk is van de ruimte. Het is in beweging. Het kan er nu zijn, straks niet meer.

Arendt spreekt hierbij vooral over verschijnen als een ‘verschijnen vanuit het private domein in het publieke’. Die private ruimte, die vaak wordt vergeten, is essentieel. Het is de ruimte waarin men rust kan nemen, kan opladen om weer in het publieke te verschijnen. Als we dat als uitgangspunt nemen, dan is verschijnen ook een grens over gaan. De articulatie van grenzen, grens-overgangen, drempels, is een van de instrumenten die de architect in handen heeft om de publieke verschijning te articuleren. Om deze ervaarbaar te maken. Daarbij gaat het niet alleen om de grens tussen het huis en de straat, maar ook die tussen een hof en een plein, of die tussen een collectieve binnenruimte en de private kantoorverdiepingen, of juist die met de publieke buitenruimte.

Ruimte toe-eigenen
Deze conclusies vormen de aanzet voor een architectonisch instrumentarium. Tegelijkertijd is daar het besef dat de architectuur het publieke domein niet kan fixen, enclaves open-breken en publiek leven forceren. Dat geloof in maakbaarheid ligt achter ons. Het gaat erom dat het publiek de ruimte toe-eigent. Het komt aan op gebruik. Daar heeft de architect niet meteen invloed op.
Daarom ben ik in mijn proefschrift nog een stap verder gedaan, in filosofische richting. Wat is nu echt het belang van architectuur voor de publieke ruimte? Daarvoor moeten we terug naar de wereld-van-dingen. Die vormt, zo stelde ik, het podium voor het publieke leven. Het contrasteert met de vluchtigheid van handelen en spreken. Architectuur draagt aan die lange duur op cruciale wijze bij. Er is immers weinig dat duurzamer is dan de stad en haar architectonische structuren. Architectuur is een van de cruciale interventies op de aarde (maar ook in de wereld) die letterlijk een ‘tussen’ vormt voor haar bewoners, en waarvan de lange duur essentieel is. Het gaat dus niet alleen om continuïteit in ruimte, maar ook om continuïteit in tijd.

Hoe draagt architectuur bij aan het publieke leven? Filosofisch gezien: door een wereld te scheppen die het podium vormt voor het publieke leven, en door aan die wereld permanentie te verlenen. Als ergens de ervaring van lange duur voelbaar is, dan in de stad. Dat is gek genoeg zowel een bewuste ervaring, als ook onbewust. In de architectuur kunnen we de tijd zien verstrijken. Duurzaamheid is dus niet alleen een thema in de architectuur dat belangrijk is milieu-technisch gezien, maar ook essentieel voor het politieke leven.

 Ontwerpers verantwoordelijkheid
Architectuur zit ons bovendien dicht op de huid. Het vormt letterlijk de ruimte van ons alledaagse leven. Daarmee beïnvloedt het in sterke mate ons bestaan. Sterker nog, Arendt heeft het over de conditionering van ons bestaan door de objecten om ons heen. Of zoals Winston Churchill stelde: ‘First we shape our buildings, thereafter they shape us.’ Dat architectuur ons conditioneert, is geeft aan alle betrokkenen in het ontwerpproces een belangrijke maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het vormt een ethisch perspectief: het is niet om het even hoe we die ruimte vorm-geven. Ze bepaalt hoe we de wereld (dat is: de gemeenschappelijke wereld) ontdekken, ervaren, en benaderen.

Dit levert dan ook tenslotte de vraag op hoe we tegen architectonisch ontwerpen aan moeten kijken. Ontwerpen wordt vaak ervaren als subjectieve bezigheid;de architect heeft immers grote invloed op hoe iets eruit komt te zien. Maar dit betekent niet dat we moeten streven naar ‘objectiviteit’. Dat is niet mogelijk en juist een belangrijk aspect van de wereld-van-dingen. Die is namelijk niet overal hetzelfde, maar juist overal verschillend.
Het is wel belangrijk ontwerpen als activiteit goed te begrijpen. Ik spiegel het aan een ander perspectief dat Arendt ons aanreikt: oordelen. En oordeel vormen is voor Arendt allereerst je ‘verplaatsen’ in de ander(en). Letterlijk op andermans plaatsen gaan zitten om dat perspectief tot je te nemen. Maar oordelen is vervolgens niet simpelweg het gemiddelde nemen van al die perspectieven (wat wij misschien als objectieve uitkomst zouden zien). Het gaat er juist om met kennis van zaken een oordeel vellen over die verschillende perspectieven.

Juist via die architectonische kennis kunnen publieke aspecten ingebracht worden in het ontwerpproces. De architect kan letterlijk ‘ruimte’ inbrengen, waar gebruikers elkaar kunnen ontmoeten, ook al is dit voor de opdrachtgever geen speerpunt. Hoe het gebouw in de omgeving staat, welke ambitie het heeft: het is niet allemaal in handen van de ontwerper, maar deze kan het wel op tafel leggen in zijn gesprekken met de opdrachtgever, en er via het ontwerp concrete voorstellen voor doen. Zichtassen, hoogteverschillen, trappen, smalle en brede paden, zitjes – allemaal instrumenten waarmee de architect onze blik kan verrijken, de wereld kan vormgeven – nabijheid, continuïteit en zichtbaarheid kan stimuleren, en grenzen kan articuleren. Geen succes gegarandeerd, maar dit is wel wat architectuur dient bij te dragen aan de samenleving: de ruimte om aan elkaar te verschijnen.