Recensie —

Een terugblik in de tekenkamer van de projectontwikkelaar

Adri Duivesteijn

Adri Duivesteijn las De Ruimtemakers van Tim Verlaan en waande zich terug in een voor hem bekende tijd waar in de tekenkamers van de stedenbouwers en de architecten nog het gedachtegoed van de functionele stad en cityvorming domineerde en het verzet hiertegen groeide.

Raadslid Joop ten Velden en wethouder Duivesteijn poseren op het Prins Bernhardviaduct, dat volgens beiden alweer zijn beste tijd had gehad (1979)

Voor mij blijft het een fascinerende ervaring om door de Haagse binnenstad te lopen. Eén waarin de bezoekers op de ‘aangename’ voetgangersgebieden worden verleid om te consumeren, waar het op het Lange Voorhout en langs de Hofvijver op de Lange Vijverberg nog ouderwets flaneren is. Anders dan koopcentra, mag je hier zijn zonder dat ‘de markt’ zich aan je opdringt. In het Spuikwartier krijgt de nieuwe stad meer en meer zijn Manhattanachtige glans. Heuse woon- en kantoortorens omarmen de historische binnenstad. Met iedere ingreep lijkt de Haagse binnenstad dynamischer en attractiever te worden. Waar voor de meeste bezoekers deze binnenstad een gegeven is, loop ik ook rond in het centrum van 1975, het jaar waarin ik gemeenteraadslid werd in Den Haag. Onze binnenstad lag er, net als in andere steden, beroerd bij. In het Spuikwartier domineerden braakliggende terreinen, dichtgespijkerde panden en de vervuiling. Het is de tijd waarin het gemeentebestuur de oude binnenstad, op een enkel historisch deel na, had afgeschreven. Zij moest plaats maken voor ‘de nieuwe stad’ van projectontwikkelaar Reiner Zwolsman. Het is ook de tijd waar in de steriele tekenkamers van de stedenbouwers en de architecten nog het gedachtengoed van de functionele stad en cityvorming domineerde. Er buiten echter, groeide het verzet van bewoners en gebruikers van de binnenstad, die hun woon- en werkhuizen niet zomaar lieten ‘amoveren’ om plaats te maken voor de ideale wereld van de coalitie van het gemeentebestuur en projectontwikkelaars. Een botsing die bepalend zou gaan worden voor de huidige beleving en kwaliteit van onze binnensteden.

Waar in Den Haag de plannen voor de cityvorming stagneerden, maakte Utrecht een metamorfose door met de bouw van Hoog Catharijne. Het door Bredero ontwikkelde centrumplan, dat als een ufo naast het Centraal Station was geland op wat ooit het oude stationskwartier was, werd zowel bejubeld als verguisd. Hoog Catharijne zou blijven verwonderen. Waarom moest dit gevaarte juist hier landen? En wiens idee was het? Het waren deze vragen die uiteindelijk zouden uitmonden in het promotieonderzoek van Tim Verlaan (universitair docent architectuur en stadsgeschiedenis aan de VU). In zijn boek De Ruimtemakers, Projectontwikkelaars en de Nederlandse binnenstad 1950-1980 analyseert hij hoe een coalitie van bestuurders, ontwerpers en projectontwikkelaars plannen ontwierpen voor een ingrijpende herstructurering van onze binnensteden. In zijn beschrijving van de drie casussen; Utrecht, Den Haag en Amsterdam, voel je bijna fysiek de opwinding in de tekenkamers van de makers van de nieuwe stad. Het is een tijd van een ongekende expansie. Een explosieve groei van de bevolking, de opkomst van een welvaartsmaatschappij met een economische groei van jaarlijks 5 procent en een inkomensstijging van maar liefst 25% van de individuele huishoudens versterkte het idee van de maakbare stad. In de woorden van Verlaan, “de samenleving kon het zich eindelijk veroorloven om modern te zijn”.

 

 

1. Interieur van Hoog Catharijne (1977), 2. Zicht op de wandeltraverse die het Jaarbeursplein verbond met de westelijke ingang van Hoog Catharijne en de sporthal (1970), 3. Interieur van restaurant Hoog Brabant (1978)

Maar om de stad klaar te stomen voor de moderne tijd was zowel fysieke ruimte als kapitaal nodig. Anders dan de naoorlogse woonwijken, waar de het gemeentebestuur met haar publieke diensten en het maatschappelijk middenveld, met geld van de Rijksoverheid, ongestoord hun concept van de maakbare samenleving konden uitrollen, werd er voor de binnenstedelijke gebieden gezocht naar nieuwe allianties. Deze werden gevonden in een in opkomst zijnde beroepsgroep, namelijk de projectontwikkelaar. In De Ruimtemakers beschrijft Verlaan de rol van enkele projectontwikkelaars die, als vertegenwoordigers van het kapitaal, de primaire gesprekspartners werden voor het gemeentebestuur. Zij werden in staat geacht om (risicodragende) projecten voor onze binnensteden te ontwikkelen, om deze vervolgens onder te brengen bij institutionele beleggers dan wel eindgebruikers. De projectontwikkelaars kregen van de bestuurders en de publieke diensten, hoewel zij dat waarschijnlijk zelf anders beleefden, vrij spel om hun visionaire voorstellen te ontwikkelen die de stad zou optillen naar de moderne tijd. En hoewel ik, in verschillende rollen als actievoerder, raadslid en wethouder, vrijwel de gehele periode mocht meemaken, roept het teruglezen over deze periode opnieuw verwondering op. Hoe konden gemeentebestuurders en haar diensten Stadsontwikkeling zich zo met huid en haar overleveren aan private partijen die, op zijn vriendelijkst gezegd, het eigen verdienmodel leidend lieten zijn in de planontwikkeling? Scherper gesteld waren een aantal van deze private partners eerder vastgoedhandelaren die niet schroomden om met speculaties snelle winsten te behalen. Op tal van manieren waren deze ‘projectontwikkelaars’ verwikkeld in hun eigen monopolyspel waarin de oude stad ondergeschikt was aan het rendement van de nieuwe stad. In Amsterdam was het onder andere Maup Caransa (begonnen als handelaar in dumpgoederen en tweedehands-auto-onderdelen en doorontwikkeld tot vastgoedexploitant/speculant) die van het gemeentebestuur de ruimte kreeg om de stad Amsterdam op te stuwen naar de eisen van de moderne tijd. Het mede door hem gefinancierde en geëxploiteerde Burgemeester Tellegenhuis aan de Jodenbreestraat en de Valkenburgerstraat kreeg in de volksmond niet voor niets de bijnaam Maupoleum. In Den Haag was het de ‘projectontwikkelaar’ Reinder Zwolsman, tot 1961 eigenaar van het bouwbedrijf Intervam, die met spraakmakende ontwerpen van de bekende Italiaanse architect Pier Luigi Nervi de ontwikkeling van het nieuwe Spuikwartier en Scheveningen Badplaats ter hand wilde nemen. Belangrijke gebouwen, zoals het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in het Spuikwartier en het Kurhaus in Scheveningen, waren voor hem strategische grondposities om de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen monopoliseren. Een methode die later op de Vinex tot grote hoogte is doorgevoerd door de aldaar werkzame projectontwikkelaars. In vergelijking met Caransa en Zwolsman was de projectontwikkelaar Empeo, die in Utrecht Hoog Catharijne realiseerde, de meest professionele projectontwikkelaar. Maar Empeo was als werkmaatschappij vooral de wegbereider van de bouwportefeuille van het moederbedrijf Bredero. Het heeft dan ook wel iets ironisch, toen het Zwolsman imperium wankelde, Bredero voor 56 miljoen gulden zijn bezittingen in Scheveningen Badplaats overnam om vervolgens aldaar de ontwikkeling ter hand te nemen.

1. Presentatie van de eerste maquette voor het terrein aan de Schedeldoekshaven, met van links naar rechts de architecten Nervi, Lucas en Niemeijer (1961), 2. Maquette van het plan-Nervi (1961), 3. Montage van het plan-Nervi in zijn omgeving (1961), 4. Suggestieve schets van het Spuikwartier na de binnenstadreconstructie, met het plan-Nervi als stralend middelpunt (1965)

Misschien nog wel meer dan de rol van de projectontwikkelaars laat Verlaan de opkomst van het verzet zien, dat ontstond toen bewoners en gebruikers – vooral het  midden- en klein bedrijf – van deze binnenstadwijken zich realiseerden dat zij slechts pionnen waren in een groter schaakspel om de stad. Waar de gekozene in het gemeentebestuur zich aanvankelijk nog liet meeslepen met de grootste plannen, ontstond steeds meer het besef dat bij de kiezer die waardering ontbrak. Het moet voor de voorhoede in de ontwerpersgemeenschap vervreemdend zijn geweest dat bewoners en gebruikers van binnensteden niet stonden te juichen bij ‘hun’ visionaire plannen. Sterker nog, het werd, vaak met steun van een opkomende generatie jonge architecten, de basis van een groeiend verzet tegen de filosofie van de functionele stad en in het verlengde daarvan de beoogde cityvorming. “Hoog Catharijne werd voor de stadsbewoner niet het symbool van vooruitgang, maar veel eerder van de vernietiging van de organische gegroeide stad. De plannen die van bovenaf waren ontwikkeld zouden, voor de binnensteden, het einde inluiden van het primaat van de tekentafelplannen van projectontwikkelaars.”

 

1. Buurtactie tegen de plannen van Gaus (1970), 2. Actieposter van het Aktiecomité Westelijke Eilanden (AWE) (1970)

Ruimtemakers is een lezenswaardig boek voor allen in het vak, zowel bestuurders als stedenbouwers, architecten, als projectontwikkelaars die deze periode niet bewust hebben meegemaakt. Jammer is dat het boek zelf weinig gekleurd is. Het beperkt zich vooral tot een reconstructie van wat er zich manifesteerde. Als deelnemer in het hele proces, heb ik telkens weer opnieuw de behoefte om te begrijpen waarom het ging zoals het gegaan is. Laat ik dat met een van die open vragen illustreren. Hoe kon het gebeuren dat de ontwerpgemeenschap zich niet alleen fysiek, maar vooral ook geestelijk had opgesloten in hun perceptie van de maakbare stad? Hoe kon het dat de organisch gegroeide stad zo liefdeloos door de toonaangevende stedenbouwers en architecten kon worden afgeschreven? Iets ervan kan ik uiteraard wel verklaren. Zo geeft de vakgemeenschap al in 1933 in het Athens Charter aan, dat ‘cities are constantly changing, their development proceeds without order or control and with no attempt to apply contemporary town planning principles, such as have been specified in professionally qualified circles’. In mijn woorden: hier gaf de vakgemeenschap zichzelf als de (her)schepper van de stad de opdracht dat de nieuwe stad geen ‘chaos’ meer zou kennen en ‘gezond‘ zou zijn voor haar gebruikers. Deze zienswijze kon gedijen in de weilanden waar Ommoord en de Bijlmermeer als ‘futuristische’ voorbeelden van de moderne stad verschenen. Echter eenmaal in contact met een al bebouwde wereld en haar samenleving, werd het gedachtegoed van de nieuwe stad steriel en bruusk. Hoe vervreemd kon men zijn als ontwerper van een bestaande samenleving? Een vraag die evenzeer voor de projectontwikkelaar geldt. Waaraan ontleent de projectontwikkelaar, wanneer hij zijn plannen presenteert, zijn kracht? Is dat echt de overtuiging dat wat hij als opdrachtgever laat ontwerpen goed is voor de samenleving of is het ultiem toch vooral een geld-gedreven project waarin alles van een andere waarde ondergeschikt wordt? Het zijn vragen die Verlaan uit de weg gaat. Dat is jammer, want de beantwoording ervan zou zijn boek De Ruimtemakers wat meer kleur hebben gegeven waardoor de boodschap ervan sterker had kunnen zijn. Want ook vandaag zijn er in de opkomende economieën Nederlandse ontwerpers, in opdracht van gemeentebestuurders en projectontwikkelaars, bezig om aldaar de nieuwe stad vorm te geven. Daarbij is veel van het bestaande van net zo weinig betekenis, als bij ons in de zestiger jaren. Het is niet verkeerd om je als ontwerper af te vragen, voor welke kar je je als ontwerper laat spannen.

Nu, al wandelend door onze binnensteden, kunnen wij vaststellen dat er – misschien wel juist door de botsing – een redelijke synthese is ontstaan tussen het behoud van de kwaliteiten van de organisch gegroeide stad en een gewenste en noodzakelijke vernieuwing ervan om te kunnen voldoen aan de eisen van deze tijd. Naar mijn opvatting is dit ook de basis van het huidige succes. Ja, zelfs van de tegenwoordige bedreigingen zoals het door Verlaan aangehaalde explosief groeiende toerisme. Het zijn problemen die – mede – veroorzaakt worden, doordat de mensen weer graag in de binnensteden willen zijn. Dat was veertig jaar geleden wel anders.