Opinie —

Beeld als argument

Theo Baart

Om meer mensen daadwerkelijk te betrekken bij het debat over de inrichting van Nederland, of specifieker hun nabije leefomgeving, moet er nagedacht worden over de rapporten die hierover verschijnen. Welke keuzes worden gemaakt bij het opstellen van de gemeentelijke omgevingsvisie? Hoe ziet energietransitie er straks uit? Een pleidooi voor het inzetten van beeld als een krachtig instrument bij de formulering van onze visie op onze omgeving.

uit Theo Baart, Energielandschappen. Een fotografische nulmeting, College van Rijksadviseurs 2014

Mijn waarneming is dat de potentie van de verbeelding niet volop benut wordt in onderzoeken en beleidsnota’s. Een gemiste kans want er is een meer effectieve bijdrage denkbaar dan alleen beeld als bewijs van het bestaande, namelijk het beeld als bewering, verleiding of confrontatie. Beeld kan gebruikt worden als argument, door het accent te verschuiven van de afbeelding als onderdeel van een betoog naar de verbeelding van de thematiek van de beleidsnota of onderzoek.

In deze hoogtij van beeldcultuur is er veel visuele ongeletterdheid te bespeuren. Ik beperk mij hier tot de fotografie van onze omgeving zoals die in publicaties van overheden, of in opdracht van overheden of onderzoeksinstellingen, verschijnen. Waar beeld als behang wordt gebruikt. Er zijn talloze voorbeelden maar laat ik er een geven.
Eindrapport ruimtelijke verkenning energietransitie MRA (Metropoolregio Amsterdam – red.) is een nota die bij lezing duidelijk maakt dat die bedoeld is voor de mensen die al goed ingevoerd zijn in deze materie. Kaartmateriaal en datavisualisaties verschaffen de lezer nieuwe inzichten en zijn complementair aan de tekst. De energietransitie is zeker in samenhang met de woningbouwopgave, de veranderende mobiliteit en de klimaatverandering in een overvol gebied als de Metropoolregio Amsterdam een ingewikkelde opgave. Als we dan op pagina 13 zijn aangekomen staat daar een foto met als onderschrift “hernieuwbare energie: windenergie” en een foto met daaronder “hernieuwbare energie: zonne-energie”. Op de eerste foto staan windmolens afgebeeld, op de andere zonnepanelen. Ik vraag mij op zo’n moment dan af of de samenstellers van dit document de lezer nog dachten te kunnen verrassen met deze afbeeldingen. Al veel van de energietransitie weten maar nog nooit een windmolen gezien hebben? Kan dat? Dit is een voorbeeld van foto’s als muzak, overbodige afbeeldingen; ondoordacht, geen halszaak natuurlijk, maar vooral is er een kans onbenut gebleven om met beeld nieuwe inzichten toe te voegen. Ter nuancering, een beeld als bewijs kan heel nuttig zijn, het kan helpen om te laten zien hoe iets eruitziet: “kijk, dit is een elzensingel”. Dat gebeurt vaak en ook goed, maar beelden gebruiken als argument, als verbeelding, dat zie je zelden maar het kan wel.

Waar had in dit concrete geval van deze nota het visuele onderdeel over kunnen gaan? Het had kunnen laten zien waar die energietransitie zichtbaar wordt. Of over de schaarse plekken in de Metropoolregio Amsterdam waar de afweging gemaakt moet worden tussen het verbouwen van voedsel, woningbouw of de aanleg van zonne-akkers. Het had kunnen gaan over hoe grote afname van dataverkeer en dus energie de inrichting van een stad dicteert. Invalshoeken genoeg, en met een tekst geduid. Beeld als betoog en drager van informatie die in andere uitingen (tekst, kaarten) lastiger over het voetlicht te brengen zijn.

uit Marco Broekman et.al., Eindrapportage Ruimtelijke Verkenning Energietransitie MRA, 2017

Het verschil tussen afbeelden en verbeelden behoeft wellicht een toelichting. Ik fietste als middelbare scholier iedere ochtend de dijk omhoog bij het stoomgemaal Cruquius. Dat gemaal vond ik altijd een raar ding. Een soort gevangen spin. Een reusachtige machine – althans voor die tijd van de droogmaking – dat de architect om de moderniteit wat aan te kleden, verpakt had als een soort kasteeltje met kantelen. Onbeholpen maar toch charmant en inmiddels Unesco erfgoed. Door bewoners in Haarlemmermeer geregeld gekozen als de mooiste plek in de polder. En bij die mooie plek hoort een afbeelding: het gefotografeerde bewijs dat de plek mooi is. Zo beelden wij dat ding dan af, als een kasteeltje aan een slotgracht of rivieroever. Zoek op Google Afbeeldingen: daar vind je alleen maar variaties op deze afbeelding. De sublimatie van plek en gebouw dat door eindeloze herhaling wordt versterkt. Nooit naar links of rechts kijkend – want links ligt een vierbaans provinciale weg en rechts een stevig appartementencomplex – cultiveren en sublimeren wij collectief het icoon. Terwijl het misschien ook zou moeten gaan om de status van dat icoon, het overleven van het icoon, de soms hardhandige wrijving tussen verleden en heden, de schrale omgeving van een icoon. Het laten zien van monumenten in hun ‘biotoop’ zou ons kunnen informeren over een van de kwetsbaarheden van monumenten. Nu is die sleetse herhaalde afbeelding een graat in de keel van de verbeelding geworden.

In alle gemeente – en provinciehuizen wordt op dit moment gewerkt aan de Omgevingsvisie waarin een strategische visie voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn wordt omschreven. Een soort Nota Ruimtelijke Ordening maar dan op gemeentelijk niveau. Dat levert een stroom aan documenten, onderzoeksrapporten en nota’s op die input moeten geven op de omgevingsvisie.
Dat samengestelde woord, ‘Omgeving’ en ‘Visie’ fascineert mij. ‘Omgeving’ is een plaatsbepaling. ‘Visie’ betekent in deze connotatie vooral een ‘kijk op’, of een mening ‘over iets’. Het zou zijn mooi zijn als uiteindelijk alle gebruikers van al die omgevingen zich daarbij betrokken zouden voelen want het gaat echt ergens over en het gaat ons aan. Mijn aanname is dat dat de bedoeling is van al die nota’s die nu geproduceerd worden. De totstandkoming van de omgevingsvisies is misschien wel een van de meest interessante ruimtelijk exercities van dit moment.

Ondanks hete hangijzers als groeiend Schiphol, trillend Groningen, snelle klimaatverandering, etc. lukt het nauwelijks om betrokkenheid en daarmee draagvlak bij de inwoners te generen voor het belang van ruimtelijke ordening als bijdrage aan oplossingen van dit soort vraagstukken. Ik verwacht dat verbeelding, en dan letterlijk de visuele verbeelding van de complexe materie, een bijdrage kan leveren aan het proces van inzicht verschaffen. Beeld is soms makkelijker te lezen dan tekst. Het bereik kan zo vergroot worden en daarmee helpen bij het creëren van draagvlak voor aanpassingen of behoud.

uit Jandirk Hoekstra et.al., Verleidelijk Bruikbaar Solide, Provincie Noord-Holland 2015

Waar ontbreekt het nu aan bij het verbeelden van al die ruimtelijke opgaven die over ons heen tuimelen? Wat kun je als samensteller van een nota doen? Als het om verbeelding gaat dan ontbreekt het meestal aan een concept: waar gaat het over, heeft het zin om beeld in te zetten, hoe dan, of is er een beter alternatief voor beeld? Dient het beeld voor het gehele betoog of juist voor een onderdeel? Wat moeten die beelden dan opleveren, hoe verhoudt het zich tot andere onderdelen van het betoog (tekst, kaarten, data)? Moeten de beelden bijvoorbeeld de tegenstellingen laten zien, de schaarste, of het frivool samengaan van ontwikkelingen of juist de confrontatie? Formuleer de verbeelding als een onderzoeksvraag. Daarna volgen de redactionele keuzes: hoe moet iets gefotografeerd worden, hoe worden de beelden gepresenteerd, hoe helpt bijschrift het beoogde argument te schragen. Als al die vragen beantwoord zijn, gaat de fotograaf pas naar buiten. Het nadenken over het gebruik van beelden, begint bij deze benadering aan de start van proces van het opstellen van de desbetreffende nota en niet als sluitpost achteraf. Onderzoeker/ontwerper en beeldmaker maken die conceptuele en redactionele afwegingen in dialoog. Dat stelt zeker eisen aan de inhoudelijke kennis van de beeldmaker en aan de visuele geletterdheid van de opdrachtgever.

Onze taal en ons landschap zijn misschien wel de meeste uitgesproken of herkenbare uitingen van onze cultuur. Taal stuurt de interpretatie van beeld; als je het hebt over de overgang tussen stad en buitengebied, kom ik met andere beelden thuis, dan als diezelfde zone minder waardevrij ‘de rafelranden van de stad’ worden genoemd. Taal levert beelden op, beelden die kunnen leiden tot nieuwe inzichten, die misschien aanpassing van beleid of ontwerp initiëren. In ieder geval kunnen ze in een intelligente samenhang met tekst en kaarten de dragers vormen van onze visie op onze omgeving.
Dichter Willem van Toorn muntte in de jaren zeventig van de vorige eeuw de term ‘leesbaar landschap’, een begrip dat nu tot het standaard idioom van ontwerpers is gaan behoren. Maar wat lees je? Lees je iets of zie je iets? Zoals de dichter de taal verrijkt waarmee wij over het landschap spreken, kan de beeldmaker met een vertelling onze blik verruimen.