Recensie —

Brieven aan de Burgemeester

Sander Zweerts de Jong

Architecten spelen in het Nederlandse maatschappelijk en politieke debat nagenoeg geen rol van betekenis. Het project Brieven aan de Burgemeester daagt ontwerpers uit zich (weer) publiekelijk uit te spreken en toont op deze manier, zoals Het Nieuwe Instituut stelt, de ethische en politieke dimensies van de rol van de architect.

foto Petra van der Ree

Waarom schrijven wij brieven? In brieven verklaren wij onze liefde, dienen we ons ontslag in, stellen we misstanden aan de kaak. Maar de brief als (traag) communicatiemiddel zit in de gevarenzone. De wereld om ons heen digitaliseert en langzaam verdwijnt de brief uit ons dagelijks bestaan. Dat is jammer, vindt de romanticus in mij. De brief heeft vele schone functies: de brief vertraagt, is niet gebonden aan een duidelijk format of een hoeveelheid woorden. Een brief mag uitwaaieren en verdichten. De brief is niet gebaat bij hersens in een snelkookpan, maar bij de ziel die fijnzinnig garen spint. Iemand die bedachtzaam woorden aan elkaar rijgt om tot een coherent en overtuigend verhaal te komen. (En bij voorkeur is de brief handgeschreven, hoewel een getypte brief ook zijn charme heeft.)

Het langlopende project Letters to the Mayor begon in 2014 in New York en doet nu, na Athene, Bogota, Buenos Aires, Lissabon, Madrid, Mariupol, Mexico-Stad, New York, Panama City, São Paulo, Taipei en Taichung, Rotterdam aan. Het concept is simpel, architecten worden uitgenodigd om een brief te schrijven aan de burgemeester van de stad waar zij werken of zich toe verhouden. De initiatiefnemer van het project, het New Yorkse Storefront for Art and Architecture, werkte voor de Rotterdam-editie samen met Het Nieuwe Instituut waar tot en met 11 februari een bescheiden tentoonstelling van de brieven aan de Rotterdamse burgemeester te zien is.

Ik ben graag in Het Nieuwe Instituut, want die mensen daar, die kunnen wel een tentoonstelling maken. Brieven aan de Burgemeester is een eigenaardige non-tentoonstelling geworden. Misschien is het beter te begrijpen als de presentatie van het project. Ik ben verbaasd hoe weggestopt deze presentatie is. Het voelt als een tentoonstelling die er niet hoort te zijn. Maar toegegeven, het werkt wel. Eigenlijk is de opstelling heel functioneel, het gaat immers om de brief, het verhaal van de architect, het advies, de inbedding, de aanbeveling, de smeekbede, en die moet rustig thuis op de gerieflijke sofa worden gelezen. Een andere context zou maar ruis geven.

Vijfenveertig architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen uit Rotterdam en omstreken namen de uitnodiging van Het Nieuwe Instituut aan. Hun brieven liggen in de vorm van afscheurblokken op de hoogste verdieping, netjes naast elkaar. De brieven zijn ook te beluisteren via een aantal koptelefoons. We kunnen het hebben over de tafel waar de brieven op liggen, over de kleur van de tafel, over de typografie van de brieven, maar eigenlijk is het gewoon ‘scheuren, meenemen en thuis lezen!’. En dat scheuren is lekker, het voelt als een kunstwerk dat je mag beroeren.

Ik hield het pakketje brieven stevig onder mijn arm en liep naar huis. Daar regelde ik de randvoorwaarden: een bakje chips, een pot thee, een stel warme sokken. Ik probeer de burgemeester te zijn, in zijn leesstoel, voor even ben ik Ahmed Aboutaleb, burgemeester van de complexe stad Rotterdam.

foto Petra van der Ree

Burgemeester zijn is nog niet zo gemakkelijk; veel brieven achter elkaar lezen is niet goed voor het gemoed. Herhaaldelijk lijken de brieven op elkaar. De ontwerpers agenderen vaak het probleem van schaarste aan betaalbare woningen, willen aandacht voor de klimaatveranderingen, en geven suggesties hoe we daar in Rotterdam mee om moeten gaan (meer waterprojecten!). En even zo vaak beschrijven de architecten hun eigen projecten, vooral de projecten waar ze op dat moment mee bezig zijn (circulair!!). Soms beschrijven ze de stad vanuit een fictieve toekomst, “het is het jaar 2117…”. Veelal zijn het rustige, bedachtzame brieven van intelligente makers, die door een stedenbouwkundige bril naar Rotterdam kijken. Maar ik merk dat ik bij het lezen ook iets mis. Ik mis passie, gedrevenheid, boosheid… Mogelijk zit de bevlogenheid diep verborgen in de inhoud, uit de schrijfstijl blijkt ze niet. Deze is vaak voorspelbaar en soms ronduit saai. Ik merk dat ik op zoek ben naar een zin, een zin die me bij zou blijven, een zin die me ontroert. Niet een visie van iemand die het slimste kind van de klas wil zijn, maar iemand die iets anders nastreeft.

En gelukkig is die brief er. Het is de brief van Lorien Beijaert en Arna Mačkić van het Studio L A. Deze brief pik ik er uit, omdat ik hem anders (en beter) vind dan de rest. Op de website van Studio L A lees ik dat hun projecten zich vaak verhouden tot het begrip collectieve identiteit. Hun brief ademt dat uit.

De stad lijkt onsterfelijk. Maar wat als je er als persoon achter komt dat de stad, jouw stad, niet onsterfelijk is? Hoeveel invloed heeft destructie van een stad op mensen?

Met deze vraag als uitgangspunt beschrijven Beijaert en Mačkić het huidige Rotterdam als een stad die in het verleden veel heeft verloren, en leggen een verbinden met recent verwoeste steden als Mogadishu, Allepo, Mosul… Het is ook wat wij Rotterdammers direct met gevluchte nieuwkomers gemeen hebben, de herkenning en erkenning van een verwoeste stad. Ook al heb ik het bombardement van Rotterdam niet meegemaakt, na dertig jaar wonen in Rotterdam weet ik uit ervaring dat als zoiets groots gebeurt, vernietiging en wederopbouw, dit verleden voor zeer lange tijd door de aderen van de stad blijft vloeien. Beijaert en Mačkić laten in hun brief aan de burgemeester de kok Ziad aan het woord. Ziad is gevlucht uit de verwoeste stad Syrische stad Palmyra: “Nu is alles verwoest. Wat gaat er nu met mijn herinneringen gebeuren?”, herinneringen aan een stad die nooit meer als zodanig zal terugkomen.
Beijaert en Mačkić pleiten vervolgens voor een gelaagde stad. Niet gebaseerd op één waarheid, maar een stad waar de mensen in een gelaagde samenstelling van waarheden de stad weer opvullen met hun eigen betekenis. Ze eindigen hun brief met een pleidooi voor verbinding, een verbinding tussen Rotterdam en andere steden die de laatste tijd zijn verwoest. De bouw van de Erasmusbrug zien zij als de voltooiing van de wederopbouw. “Laten we naast die 32 tuien van de Erasmusbrug nog vele draadjes spannen naar plekken en mensen elders, vooral nu we weten wat er op het spel staat.”

Beijaert en Mačkić schrijven niet echt iets nieuws; een inclusieve stad bouwen, met publieke plekken die een gedeeld verleden en gezamenlijke toekomst reflecteren, daar zou men toch altijd en overal naar moeten streven. Toch raakte ik ontroerd door hun directe verwijzing naar al die steden die op dit moment zo wreed worden verwoest. De vele onzichtbare maar aanwezige lijntjes naar mensen, naar gebeurtenissen, over de gehele wereld. Collectieve herinneringen, collectieve lijnen, het is dat wat mij en mijn overbuurman uit Massawa, Eritrea verbindt.