Recensie —

Meubel en macht

Hélène Damen

Dat meubilair behalve functioneel en esthetisch ook politiek een rol kan spelen, toont The Politics of Furniture. Identity, Diplomacy and Persuasion in Post-War Interiors. Een essaybundel over de symbolische betekenis van naoorlogs modern meubilair

Illustratie uit The Politics of Furniture. Eetzaal van het Itamaraty paleis, Brasilia (1960-67), architect Oscar Niemeyer, tafel toegeschreven aan Bernardo Figueiredo (ca. 1960) en 19e eeuwse Braziliaanse stoelen. Wandtapijt Roberto Burle Marx Vegetation of the Central Plateau (1965) – foto © José Airton Costa Jr.

Hoewel veel van de massa geproduceerde moderne meubels uit de naoorlogse periode bedoeld waren om uitdrukking te geven aan een “internationale en in zekere zin a-politieke moderne taal”, bleken ze bij uitstek geschikt om een specifieke ideologische boodschap over te brengen. Deze politieke zeggingskracht van het naoorlogs meubeldesign, vanaf het begin van de Koude Oorlog tot aan de tweede oliecrisis in 1979, staat centraal in The Politics of Furniture. Identity, Diplomacy and Persuasion in Post-War Interiors.

Meubels vormen net als mensen belangrijke actoren binnen politieke machtsprocessen, schrijven de samenstellers Fredie Floré en Cammie McAtee in de inleiding. Door hun stille aanwezigheid zijn ze, meer nog dan politieke slogans en uitspraken, in staat tot het uitdragen van krachtige, ideologische boodschappen. Meubelstukken zijn materiële uitdrukkingen van macht; design – inclusief meubilair – is politiek. Deze opvatting is, zoals de redacteuren terecht opmerken, niet nieuw. In recente literatuur over architectuur en design ten tijde van de Koude Oorlog is aangetoond dat specifieke gebouwen en designproducten speciaal werden ontwikkeld om bepaalde politieke boodschappen te communiceren.(1) Geen enkel van deze boeken gaat echter over meubilair. Boeken die wel over naoorlogs meubilair gaan, beperken zich doorgaans tot individuele ontwerpers of merken. De mechanismen en systemen achter de producten blijven vaak onbesproken. Echter, om de politieke betekenissen van naoorlogs meubeldesign te kunnen ontcijferen, is het volgens de samenstellers belangrijk om de systemen en mechanismen van productie, distributie, promotie en consumptie in beeld te brengen. Onderzoek naar het object alleen is niet voldoende, een object krijgt pas betekenis binnen zijn context. Door de nadruk te leggen op de historische, economische en politieke context wijkt The Politics of Furniture af van eerdere publicaties over naoorlogs meubilair.

Het boek begint met een anekdote over de Franse premier Georges Pompidou en zijn vrouw Claude. In 1971, twee jaar na hun intrek in het Élysée-paleis te Parijs, nodigde Claude het populaire Franse weekblad Paris Match uit voor een bezichtiging van de privévertrekken. Op een foto in het tijdschrift is Claude afgebeeld in haar interieur, zittend aan een eettafel van Eero Saarinen uit 1957. De moderne witte ronde eettafel was slechts een van de wijzigingen die het presidentiële echtpaar, dat bekend stond als fervente liefhebbers van moderne kunst en cultuur, aanbracht toen ze het presidentiële paleis betrokken. Door meubels van moderne ontwerpers als Saarinen en Ludwig Mies van der Rohe te combineren met historische meubelstukken die hun voorgangers Charles en Yvonne De Gaulle hadden aangeschaft, gaven de Pompidou’s uitdrukking aan hun visie op het moderne Frankrijk waarin traditie en moderniteit samenkwamen.

Illustratie uit The Politics of Furniture. Knoll ‘Womb chairs’ (1946-48) en tafel (1957) ontworpen door Eero Saarinen, ‘Diamond chair’ van Harry Bertoia (1952) in een advertentie voor Knoll International France en Revillon frères furriers, begin 1960. Interieurontwerper Charles Sévigny – fotograaf onbekend, courtesy Knoll, Inc.

Zowel de eettafel van Saarinen als de Barcelona stoelen van Mies van der Rohe in het Élysée-paleis waren afkomstig van de Amerikaanse meubelproducent Knoll. De in 1938 door Hans Knoll in New York opgerichte meubelfabriek groeide na de oorlog mede dankzij de inbreng van zijn vrouw, de ontwerper Florence Knoll (geboren Schust), uit tot een internationaal befaamd meubelmerk met vestigingen over de hele wereld. Dankzij een vooruitstrevend businessmodel slaagde Hans Knoll erin zowel de kwaliteit als de distributie en marketing van zijn producten nauwlettend te sturen. Met behulp van een goed georganiseerd netwerk van showrooms, buitenlandse dochterondernemingen, licenties en een zorgvuldig georkestreerde pr-campagne wist Knoll de wereld te veroveren, aldus Floré en McAtee. Hoe krachtig dit model was, bleek toen de oprichter van het bedrijf in 1955 onverwacht overleed. Hoe treurig ook, zijn wegvallen had geen grote invloed op het functioneren van de onderneming, deze bleef internationaal succesvol.
Dit succes was voor een deel te verklaren uit de nauwe contacten die Hans Knoll bezat met de Amerikaanse overheid en het Amerikaanse bedrijfsleven. De firma profiteerde van de Marshallhulp en maakte net als andere Amerikaanse meubelproducten onderdeel uit van de ‘soft power’ strategieën van de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog. Gedurende enkele decennia zou het door Knoll geproduceerde meubilair een prominente rol spelen in de moderne interieurs van diverse landen. De inrichting van het Élysée-paleis door de Pompidou’s is hiervan een treffend voorbeeld. De moderne meubelstukken van Knoll maakten zonder twijfel deel uit van de Amerikaanse buitenland politiek om een positief, progressief imago van de natie op te wekken bij bondgenoten.

De ontvangst van Knolls meubels in de wereld loopt als een rode draad door het boek. De gedeelde fascinatie voor het zogenaamde ‘Knoll fenomeen’ was voor de samenstellers aanleiding tot The Politics of Furniture. Dit betekent overigens niet dat de essays zich beperken tot dit specifieke fenomeen. Er is nadrukkelijk gekozen voor een mondiaal, transnationaal perspectief. In diverse casestudies verspreid over de hele wereld, van Cuba tot Japan, wordt de symbolische werking van zowel bekende als minder-bekende meubelstukken onderzocht. Sommige hoofdstukken focussen daarbij op specifieke meubelstukken, zoals Johan Lagae’s bijdrage over de introductie van modern meubilair in Centraal-Afrika in de jaren vijftig, waaronder de BKF-stoel, beter bekend als vlinderstoel van de Argentijnse ontwerpers Jorge Ferrari Hardoy, Antonio Bonet en Juan Kurchan. Andere auteurs bespreken de politieke werking van meubelstukken op symbolisch beladen locaties als overheidsgebouwen en ambassadegebouwen. Maar ook interieurs van op het eerste gezicht minder politiek gevoelige gebouwen zoals hotels, scholen, gevangenissen, en tentoonstellingsruimten (musea, showrooms), blijken dragers te zijn van politieke boodschappen. Een voorbeeld hiervan wordt gegeven in het artikel ‘Modernisme op vakantie’. Hierin bespreekt Erica Morawski de werking van modern meubilair en hoteldesign in twee hotels in het Spaans Caribisch gebied (Caribe Hilton in San Juan, Puerto Rico (1949) en Cuba’s Havana Riviera (1957)) en laat ze zien hoe deze door de jaren heen voortdurend werden hervormd om nieuwe politieke strategieën te ondersteunen.
Niet alleen de inrichting van hotels, ook het interieur van bibliotheken kan een politieke agenda hebben, zo tonen Floré en Hannes Pieters aan in hun bijdrage over de Koninklijke Bibliotheek van België in Brussel. De beschrijving van het ontwerp- en bouwproces (1937-1969) geven inzicht in de nationale intenties achter het bouwwerk. De op het classicisme geïnspireerde façades van voor de oorlog contrasteren sterk met het naoorlogs modern interieur, dat in de jaren vijftig en zestig werd gerealiseerd door meubelfabrikant De Coene. (De Coene verwierf in 1954 het Benelux-licentierecht voor het vervaardigen en verkopen van de moderne Amerikaanse Knoll-meubelen.) De interieurs van de bibliotheek hadden een moderne uitstraling en waren onmiskenbaar bedoeld als uitdrukking van een hernieuwde nationale identiteit.

Illustratie uit The Politics of Furniture. Zithoek in het visa en paspoort deel van de ambassade van de VS in Londen, ca. 1960. Architect en meubelontwerper Eero Saarinen – foto Balthazar Korab Collection Prints and Photographs Division. Library of Congress.

De relatie tussen architectuur en nationale identiteit is in het verleden vaker onderzocht. Met name bij de bestudering van diplomatieke gebouwen is het een terugkerend thema. Ambassadegebouwen zijn de fysieke vertegenwoordiging van een natie in een ander land.  Door deze representatieve functie zijn ambassadegebouwen uiterst symbolische kantoorgebouwen. Naast het visualiseren van de nationale identiteit van het thuisland geven ze tevens uitdrukking aan de relatie met het gastland. Deze tweeledigheid maakt het ambassadegebouw tot een complex en misschien daardoor, impopulair onderzoeksobject. In de enkele studies naar ambassadearchitectuur is vooral aandacht voor de architectonische vormgeving en materialisatie van het exterieur. Zowel de bijdrage van McAtee over de Amerikaanse ambassade in Londen als die van Philip Goad over de Australische ambassades in Washington D.C. en Parijs, laten zien dat ook meubelen een belangrijke rol spelen bij de representatie van een land in den vreemde. Zo toont McAtee aan, dat bij het Londense ambassade-ontwerp van Saarinen in- en exterieur hand in hand gingen om een positief beeld van de Amerikanen te creëren bij de Britten. Goad daarentegen laat zien dat de Australiërs in Washington D.C. bewust kozen voor een neutraal, diplomatiek vormgegeven, exterieur naar voorbeeld van Amerikaanse ‘Good Neighbour Policy’, terwijl de inrichting door het gebruik van typisch Australisch materiaal, meubilair en beeldende kunst eerder een toonzaal van nationale trots was.

Een aantal in het boek besproken interieurs waren zorgvuldig geënsceneerde ‘settings’ ontworpen door architecten, interieurontwerpers en meubelfabrikanten als antwoord op specifieke politieke visies, wensen en noodzaken van opdrachtgevers. In veel gevallen zijn deze interieurs niet langer aanwezig of dusdanig gewijzigd dat de oorspronkelijke betekenis niet meer duidelijk is. Een gebouw is net opgeleverd of gebruikers brengen wijzigingen aan in het interieur. Door objecten te vervangen, te verwijderen of toe te voegen, wordt het interieur voorzien van nieuwe betekenissen en verhalen. Des te meer reden, volgens Floré en McAtee, om de oorspronkelijke verhalen waar het meubilair ooit deel van uitmaakte vast te leggen; vorm is inhoud. Dat dit zowel op architectuur als ook op design (inclusief meubilair) van toepassing is, staat na het lezen van The Politics of Furniture niet langer ter discussie. Willen we voorkomen dat meubelstukken tot “niets-zeggende vintage objecten” verworden, zoals Floré en McAtee het zo treffend verwoorden, dan zijn er nog veel meer van dit soort verhalen nodig.