Column —

de reflectiehut #1: Recht op Woongeluk

Astrid Aarsen

Gefascineerd door contradicties en dilemma’s in het alledaagse onderzoekt Astrid Aarsen maandelijks een actualiteit in haar nieuwe column ‘de reflectiehut’.

foto – de auteur

De gemeenteverkiezingen komen eraan en in menig programma zijn paragrafen te vinden over betaalbaar wonen voor ‘iedereen’. Echter, wat ik niet teruglees is aandacht voor hoe wij willen wonen. Goed getimed wijdde Pakhuis De Zwijger in Amsterdam er onlangs een middagprogramma aan: Recht op Zelfbouw. Raak punt. Toegegeven, in sommige steden is het moeilijk en soms onmogelijk om een betaalbare woning te vinden, maar zoeken we wel op de juiste manier? Hebben we in Nederland wel echt een tekort aan woningen? Ligt het probleem niet veel eerder bij hardnekkige en inmiddels achterhaalde (bestuurlijke) denkbeelden over wonen, werken en recreëren?

Onder het mom van vrijetijdsbesteding is tegenwoordig veel woonvariatie mogelijk. Nu de losgerukte Siberische beer weer veilig zit opgesloten, de zon steeds langer schijnt, is het in alles voelbaar; de lente lonkt. Binnenkort staan de rijen strandhuisjes – alsof ze nooit zijn weggeweest – weer netjes in het gelid langs de Nederlandse duinen, worden de stacaravans, tuinhuisjes en chalets ontdaan van muizennesten, muffe luchten en schimmels en varen de meer gefortuneerden onder ons hun jachten uit. Het nieuwe seizoen is geopend. We mogen weer naar buiten! Op naar onze buitenverblijven; ons Second Life in de analoge wereld.

Sinds ik, nu bijna één jaar, de trotse eigenaar ben van een ‘chalet’ (lees: een charmante, krakkemikkige, vermomde caravan), ben ook ik regelmatig op het recreatiepark te vinden. Mijn eigen ‘hutje op de hei’. Ik heb het geluk dat mijn ‘reflectiehut’ op één van de steeds zeldzaam wordende recreatieparken staat die het hele jaar door open mogen zijn. Dus ook in winter kan ik er veel (vrije) tijd doorbrengen, geen probleem. Althans zo lang de kachel werkt, de storm de schade beperkt en ik er niet permanent woon. Dat laatste staat gemeentelijk beleid niet toe. Jaarlijks worden regels omtrent permanente bewoning aangescherpt en meer controles uitgevoerd. En ergens snap ik dat. Denk je eens in, als al die recreatieparken woonoorden worden, waar moeten mensen die vakantie willen vieren dan naartoe? Ook hebben veel recreatieparken hun imago niet mee, als ‘broedhaarden van verderf’. Maar zou ook niet hier juist een zekere mate van permanent wonen (minder anonimiteit, meer sociale controle) en officiële inschrijving bij de gemeente bij kunnen dragen aan een meer rooskleurige toekomst voor recreatieparken?

 

foto auteur

Tegelijkertijd speelt er nog iets door mijn hoofd: het wilde wonen. Is dat niet precies wat dit recreatiepark zo aantrekkelijk maakt (en waar beleidsmakers zo huiverig voor zijn): de ogenschijnlijke chaos en de eigenzinnige manier van leven? Ogenschijnlijk, want zoals de chaostheorie ons leert, is zelfs de grootste wanorde in het universum aan regels gebonden. Was het niet Carel Weeber die zich eind jaren negentig liet inspireren door deze theorie en door het ultieme menselijk geluk dat hij zag in volkstuinen, stacaravans en woonboten in zijn pleidooi voor afschaffing van ‘staatsarchitectuur’? De man die ooit tot ‘slechtste architect van Nederland’ werd uitgeroepen, krijgt na twintig jaar steeds meer bijval. Zoals dat gaat met visionairs, die leiden een eenzaam bestaan totdat ook de rest er klaar voor is. Als de participatiesamenleving ergens successen heeft geboekt, dan is het wel op het terrein van bouwen en wonen. De populariteit en positieve creativiteit van zelfbouw, zoals de Tiny House beweging, kan weinigen nog ontgaan.

Het recreatiepark waar mijn chalet staat, voelt als een vertrouwd ‘buurtje’ waar ik graag kom. Met hart en ziel ‘bewaakt’ door de eigenaren. Ze kennen iedereen persoonlijk en wonen er zelf. Hier leer ik mensen kennen uit alle lagen van de bevolking en vanuit het hele land. Terwijl de eerste droombeelden van een nieuw onderkomen op deze plek zich aandienen, stel ik mij voor hoe het is hier permanent te wonen. In een bosrijke omgeving, met zomers een zwembad op loopafstand en een slagboom die voorkomt dat niet iedereen ‘zomaar’ het terrein op gaat.
Groot zal de woning niet worden, want meer dan 55 m2 mag ik niet bebouwen. Ontspullen zal even lastig zijn en tijd vergen, maar hoeveel heb ik nodig voor een comfortabel leven? Ongetwijfeld veel minder dan dat ik nu bezit. Bovendien geven een wifi-verbinding en een goed werkend mobiel netwerk mij als eigentijdse wereldburger al snel een thuisgevoel. Ik laat mijn ‘hut’ uiteraard zoveel mogelijk duurzaam bouwen, het liefst ook zelfvoorzienend. Tot mijn favoriete referenties horen onmiskenbaar het populieren tuinhuisje van Onix architecten, een Pop-up House variant van de Franse MultiPod Studio, en ook een WikiHouse sluit ik niet uit.
In dit droom-woonscenario ben ik ‘ontspuld’, ik heb een innovatief duurzaam gebouwde kleine woning gerealiseerd waarin ik permanent wil wonen. Het enige dat mij zal tegenhouden, is de bestemming die op dit terrein rust en de wet- en regelgeving die daaruit voortvloeit: recreatiepark en dus uitsluiting van permanente bewoning. Dat is ongetwijfeld waarom de stichting Tiny House er alles aan doet het Tiny House ver weg te houden van iedere mogelijke associatie met een recreatiewoning. Want zoals zij terecht ook aangeeft op haar website, beleidsmakers denken in kaders. Zodra deze kiezen voor het kader recreatie slaan de voorzichtig en met veel moeite geopende deuren in een klap weer dicht. En daar zit niemand op te wachten. Maar is er wel een wezenlijk verschil?

foto auteur

Als wij nu bestuurders en beleidsmakers eens niet bekritiseren, maar ze helpen en inspelen op de aankomende reorganisatie van het ruimtelijk beleid? Wellicht kunnen de uitkomsten dan zelfs al worden meegenomen in de nieuw in te richten gemeentelijke omgevingswetloketten. Wat als we de populariteit van Tiny Houses en de worstelingen op recreatieparken lezen als een oproep aan de politiek een nieuw licht te werpen op de strikte (beleids-)scheiding tussen wonen, werken en recreëren. Wat als we vanuit een gezamenlijk vertrekpunt – wonen en recreëren – nieuw ruimtelijk beleid ontwikkelen voor betaalbare, alternatieve, duurzame, kleinschalige woonvormen in de strijd tegen de overspannen woningmarkt. Tiny House of recreatiewoning, recreatiepark of bouwgrond voor zelfbouwers, is dan niet langer relevant. Recreatieparken zijn ook ‘mini-dorpen’, alleen wellicht minder nieuw, minder hip en gemêleerder in samenstelling. Met als bijkomend voordeel dat de kavels niet meer gecreëerd hoeven te worden, ze bestaan al. En wie een ‘recreatiewoning’ duurzaam bouwt, kiest ook bewust voor een andere levensstijl. Zeker diegenen die er permanent in zouden willen wonen.

Een gestaag groeiende groep woningzoekenden laat zien dat hun droomhuis misschien wel iets heel anders is dan de markt nu aanbiedt en dan het huidige beleid mogelijk maakt. Met minder geld en meer vrije tijd te besteden, is bovendien zelfbouw al snel aantrekkelijk. Maar ‘tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren’. Is dat niet waar het uiteindelijk allemaal om draait en waar wij met al onze creativiteit naar moeten kijken? Naar dat wat in de weg staat die droom te realiseren? Het verbod op permanente bewoning voor recreatieparken en het ontbrekende recht op zelfbouw? Hebben wij, vermogend of niet, niet allemaal recht op een beetje woongeluk?