Recensie —

Een glossy voor na het werk

Jurjen Zeinstra

Het begrip ‘identiteit’ is alom vertegenwoordigd in het hedendaagse debat, of het nu gaat over gemeentepolitiek of beeldende kunst. De nieuwste publicatie van Neutelings Riedijk architecten, Ornament and Identity, maakt dan ook nieuwsgierig, zeker omdat de twee begrippen al ruim twintig jaar een grote rol spelen in hun werk.

Stadhuis Deventer – spread uit Ornament and Identity

In 2004 publiceerde het architectenbureau Neutelings Riedijk Aan het werk (of At work, zoals de Engelse vertaling heette). Het was een groot, dik boek waarin het eigen oeuvre getoond en besproken werd aan de hand van zestien zorgvuldig gekozen thema’s. Het boek wilde nadrukkelijk geen reguliere monografie zijn met een keurige documentatie van afgeronde projecten, maar juist een eerlijk inzicht geven in het ontwerpproces. Zoals Willem Jan Neutelings en Michiel Riedijk zelf schreven: “Aan de hand van schetsen, maquettes en try-outs trachten wij de kennis, kunde en evocatie in ons ambacht te ontwarren en u mee te nemen op een reis door ons werk.
De thema’s (sculptuur, context, systeem, patroon, holte, stapeling, opstelling, schikking, scenario, ensemble, zintuigen, bouwen, silhouet, gebruik, zwaarte, textuur) werden ieder geïllustreerd met zeven voorbeelden van specifieke deelstudies binnen een ontwerpproces. Daarnaast werd ieder thema gekoppeld aan één van de instrumenten van de architect, zoals maquette, diagram of plattegrondtekening en werd er per thema steeds één project uitgebreider getoond middels paginagrote kleurenfoto’s.

Wat misschien nog wel het meest intrigeerde aan dit boek, waren de ‘ontwerpinstructies’ die aan elk van de thema’s verbonden werden. Zoals deze bij het hoofdstuk over patroon: “Maak eerst een volumemaquette van het gebouw. Vervaardig verschillende patronen op schaal met de computer. Print ze en plak ze op de maquette. Zoek naar wetmatigheden in de gevel, die gedicteerd worden door raamopeningen, naden, materiaalkeuze en bouwkundige details. Zorg dat de patronen op een goede manier de hoek om kunnen gaan. Bestudeer het esthetisch effect van de gevelpatronen op het volume. Bestudeer de culturele betekenis die de patronen aan het gebouw geven. Vergelijk verschillende varianten tot het best passende gevelpatroon gevonden is.” Hier was een bevlogen docent aan het woord, die in woord en beeld zijn ontwerpmethodiek wilde overdragen. Drie jaar later werd Michiel Riedijk dan ook hoogleraar bij de leerstoel ‘Public Building’ aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft.

spread uit Ornament and Identity

Nu is er een opvolger van Aan het werk verschenen, juist op het moment dat Riedijk zijn hoogleraarschap in Delft heeft beëindigd. Ornament and Identity is wederom geen gebruikelijke monografie, maar een boek waarin Neutelings Riedijk aan de hand van hun werk wil ingaan op de ornamenten en de daaraan verbonden identiteit van gebouwen. En daar is iets voor te zeggen. Identiteit is een ruim en complex begrip en het is niet altijd eenvoudig om dit op een zinvolle wijze aan architectuur te verbinden. Neutelings Riedijk doen in de inleiding wel een poging, maar komen uiteindelijk ook niet veel verder dan het uitspreken van hun intentie om in hun werk het ‘globale’ met het ‘lokale’ te verbinden en de vaststelling dat wanneer burgers trots zijn op publieke gebouwen en de publieke ruimte, er eerder sprake zal zijn van identificatie met de lokale gemeenschap. Maar door zich uiteindelijk strikt te beperken tot de rol van het ornament in de verschijningsvorm van hun architectuur kunnen ze de relatie tussen identiteit en ornament veel preciezer formuleren. En kunnen ze daarmee ook iets wezenlijks over hun eigen architectuur zeggen. Want hoewel de sculpturale werking van het bouwvolume in hun werk altijd essentieel is, lijkt de aandacht voor de gevel als bekleding van dit volume, en vooral de rol van het ornament daarbij, in hun praktijk alleen maar groter geworden. Dit ornament kan een zelfstandig embleem zijn, zoals de prachtige drakenkoppen van Rob Birza in het Walterboscomplex, of het kan voortkomen uit de patronen, naden en ribbels van de kleinere elementen waaruit de gevel is opgebouwd, zoals bij de betonnen gevelelementen van Rozet in Arnhem.

Rozet Arnhem – spread uit Ornament and Identity

Dit nieuwe boek gaat dan ook vooral over de gevel en haar ornamentale expressie en vormt zo een uitwerking van ‘patroon’, één van de thema’s uit 2004. Deze bewuste beperking is begrijpelijk want de gevel en haar beoogde verschijningsvorm is in de hedendaagse architectuur misschien wel een van de grootste vraagstukken. En voor Neutelings Riedijk een belangrijk vraagstuk dat met bravoure en liefde wordt omarmd, waarbij men, zo zeggen de architecten zelf, de conventie en de goede smaak graag links laat liggen. Het is daarom prijzenswaardig dat de architecten hun overwegingen expliciteren en illustreren. Het boek telt twaalf hoofdstukken die genoemd zijn naar twaalf ornamentele motieven: moiré, beeld, naad, embleem, letter, patroon, uitsnede, ribbel, raster, ruitvorm, reliëf en filigrein. Ieder hoofdstuk bevat een korte inleiding en een dubbelpagina met telkens vier voorbeelden, die in de daaropvolgende twintig pagina’s geïllustreerd worden met steeds drie projectdocumentaties in prachtige foto’s en beknopte teksten.

De opzet lijkt op die van Aan het werk, maar pakt hier volledig anders uit. En dat leidt ertoe dat de lezer met een interesse in ornament en identiteit in het werk van Neutelings Riedijk uiteindelijk toch ietwat teleurgesteld het dikke boek dichtslaat. Daar zijn een aantal redenen voor. Allereerst zijn de twaalf motieven nogal verschillend van aard (vergelijk de ongelijksoortige begrippen ‘patroon’ en ‘letter’) of vertonen een te grote overlap (zoals bij ‘raster’ en ‘ruitvorm’) waardoor een echt systematische indeling niet goed uit de verf komt. En in enkele gevallen is de zelfopgelegde beperking om alleen illustraties van het eigen oeuvre te gebruiken problematisch, zoals bij het op zichzelf interessante motief ‘moiré’, waarvan eigenlijk niet echt een geschikte illustratie uit de eigen portfolio te vinden was.

spread uit Ornament and Identity

Het opnemen van niet uitgevoerde studies, dat bij Aan het werk juist wist te overtuigen, is bij een boek dat dieper in wil gaan op het ornament niet zo’n goed idee. Zo toont de ontwerpstudie voor een concertzaal te Brugge een gevel met een patroon van acanthusbladeren: een abstracte verwijzing naar de Korinthische orde die vaak werd toegepast bij culturele gebouwen. Maar een ingezoomde foto van de gevel van een maquette kan onmogelijk de reliëf-werking van dit patroon illustreren. En dat is weer het gevolg van het grootste manco van dit boek, de zelfopgelegde rigoureuze beperking tot foto’s als beeldmateriaal. Hierdoor wordt de suggestie gewekt dat ornament (en identiteit) een zuiver visueel verschijnsel is. Alles wat die illusie zou kunnen relativeren is buiten dit boek gelaten.

In Ornament and Identity ontbreken dus de luchtfoto’s, de locatietekeningen, de diagrammen, de geveltekeningen, de plattegronden, de schetsmaquettes, de viltstifttekeningen van doorsnedes, de snapshots van de uitvoering, de constructie tekeningen en de groezelige foto’s van materiaalproeven en interieurmaquettes. In Aan het werk werden al deze media en representatievormen verbonden aan de eerder genoemde thema’s waardoor de lezer af en toe toch nog een inkijkje kreeg in de heldere wijze waarop de plattegronden waren georganiseerd of in de inventiviteit die sprak uit een met een dikke viltstift getekende doorsnede, compleet met luchtstromen en hemelwateropvang.
Deze inkijkjes zijn essentieel, want om de relatie tussen ornament en identiteit in het werk van Neutelings Riedijk werkelijk te kunnen doorgronden, is kennis van de belangrijkste plattegronden en doorsnedes nodig. Niet omdat er een strikt lineaire relatie zou zijn tussen plattegrond, doorsnede en gevel: de architecten ontkennen die relatie nadrukkelijk. Wel omdat de plattegronden en doorsnedes laten zien hoe nauw de ruimtelijke organisatie van een ontwerp verbonden kan zijn met de ornamentiek van de gevel. Pas dan wordt duidelijk hoe de kleine binnenhof van het Deventer stadhuis direct verbonden is met zowel de straat als met het langgerekte atrium, en hoe de houten frames met daarin de vingerafdruk-filigreinen, de passage én het atrium letterlijk omlijsten. Of hoe het vierkante baksteenpatroon van het Herman Teirlinckgebouw ook een verbeelding is van het vierkante grid van de draagstructuur dat in het gehele gebouw is terug te vinden. Maar om een of andere reden hebben de auteurs hiervan afgezien. Door alleen kleurenfoto’s te tonen, dreigen de auteurs de ornamenten in hun werk te reduceren tot zuiver visuele wandversierselen. En het boek zelf wordt daarmee eerder een dikke glossy, dan een boek over de veelvormige relatie tussen ornament en identiteit in het werk van Neutelings Riedijk.