Feature —

Erfgoed in de dynamische stad

Isabel van Lent

Wat betekent erfgoed in een stad die voortdurend verandert? Welk erfgoed vinden we belangrijk en hoe gaan we dat beschermen? En welke rol speelt de nieuwe Omgevingswet daarin? Op het symposium Erfgoed in de dynamische stad deed men een poging antwoorden te formuleren op deze vragen.

Het Burgemeester Tellegenhuis, Amsterdam eind jaren tachtig / ontwerp Piet Zanstra opgeleverd 1971, sloop 1994 – foto Ronald (Wikimedia Commons)

In tegenstelling tot naoorlogse stadsuitbreidingen en Vinex-wijken, vindt de groei van de stad tegenwoordig steeds vaker binnen de bestaande stad plaats. De hoofdvraag van het symposium Erfgoed in de dynamische stad, georganiseerd door Amsterdamse erfgoedorganisaties is dan ook: hoe kan deze dynamiek plaatsvinden zonder Amsterdam als levend kunstwerk te ondermijnen?

Hoewel het een ons-kent-ons-bijeenkomst is met veel bekende gezichten uit de Amsterdamse erfgoedwereld, gaat de middag over vraagstukken die ook in andere Nederlandse steden aan de orde zijn, zoals dilemma’s over wat wel en wat geen erfgoed is, geschikte middelen om stedenbouwkundige ensembles te beschermen, en het onderzoek en de waardering van jongere architectuur en stedenbouw. Amsterdam en andere steden staan onder druk door de economische groei, de vraag naar betaalbare woningen en een groeiende stroom aan toeristen. Na een korte peiling van dagvoorzitter Guido Wallagh blijkt dat maar enkele deelnemers dit soort ontwikkelingen als negatief bestempelen; verandering is in een stad altijd een gegeven.

Stadsreparatie
Ook de erfgoedzorg is aan verandering onderhevig. Gabri van Tussenbroek (hoogleraar Stedelijke identiteit en monumenten Universiteit van Amsterdam) laat zien dat wat we belangrijk vinden voortdurend verandert. Zo gaat de bescherming van erfgoed tegenwoordig steeds vaker over gebieden in plaats van ‘stermonumenten’. Van Tussenbroek legt uit dat erfgoed ons helpt herinneren. We bewaren deze herinneringen vanwege de schoonheid, de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. Zo heeft een zeldzame oude kapconstructie van een boerderij in Nijmegen een andere betekenis dan de zolder van het Achterhuis. In de jaren zeventig maakten monumentenbeschermer Geurt Brinkgreve en vele anderen zich tijdens de Nieuwmarktrellen hard voor het behoud van de historische binnenstad. In plaats van de geplande vierbaansweg vond een stadsreparatie plaats met nieuwbouwwoningen ontworpen door Theo Bosch en Aldo van Eyck, gesitueerd op historische rooilijnen en ingepast in het bestaande stedelijke weefsel. Anno 2018 vindt een gesprek plaats over de erfgoedwaarde van deze ‘nieuwe’ woningen.

Bouw Pentagon Zwanenburgwal, opgeleverd 1983 / ontwerp Theo Bosch – bron foto Gemeentearchief Amsterdam

Momenteel wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Verkenning Post-’65 uitgevoerd. Men onderzoekt de waarde van architectuur en stedenbouw gerealiseerd na 1965, of bescherming nodig is en hoe die bescherming het beste geregeld kan worden. Gerrit Vermeer (universitair docent architectuurgeschiedenis Universiteit van Amsterdam) legt uit dat de waardering voor recentere perioden een relatief nieuw fenomeen is. Tot 2008 was het niet mogelijk om een rijksmonumentenstatus toe te kennen aan een gebouw jonger dan vijftig jaar. De waardering voor recentere architectuur komt dan ook voor een aantal panden te laat, zoals het inmiddels gesloopte Post CS-gebouw en het Wibauthuis. Het Tellegenhuis (1971) dat in 1994 werd afgebroken, stond destijds bekend als een van de lelijkste gebouwen van Nederland. Maar wie de foto’s van het kantoorgebouw nu aan architectuurstudenten laat zien, krijgt de vraag wat er eigenlijk mis mee was.

De jaren zeventig en tachtig waren niet alleen een tijd van stadsvernieuwing en kantoorkolossen, maar ook van experimentele woningbouw, zoals het Plan van Gool in Amsterdam-Noord met luchtbruggen en een grote diversiteit aan woningtypes. Vermeer pleit ervoor dit soort ensembles niet als monument aan te wijzen, maar ze een orde-2-status te geven. Orde-2 gebouwen zijn karakteristieke gebouwen die de facto het behouden waard zijn, maar geen monumentale status hebben. Volgens Vermeer is dit een prima instrument voor panden jonger dan 1965 omdat de bescherming niet verder hoeft te gaan dan de gevel. De praktijk blijkt echter weerbarstig. Zowel David Mulder (Amsterdam Erfgoed Overleg) als Paul Rosenberg (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit) laten diverse schrijnende voorbeelden uit de praktijk zien waarbij gevels van orde-2-gebouwen onherkenbaar werden veranderd, panden met een paar verdiepingen werden opgehoogd, of zelfs volledig zijn gesloopt. De juridische verankering van orde-2-panden blijkt namelijk in elk stadsdeel anders geregeld te zijn. In sommige gevallen is het makkelijker om aan een sloopvergunning te komen dan een gevel aan te passen.

gerenoveerde Plan Van Gool / oorspr. Frans van Gool 1968, renovatie de Architekten Cie. 2016 – printscreen de Architekten Cie.

Hindermacht
Maar is het eigenlijk wel gewenst om de bescherming van het stadsbeeld juridisch dicht te timmeren? Hoeveel regie willen we? En past deze regie in de ontwikkeling van de Omgevingswet, waar onder het motto ‘van nee tenzij, naar ja mits’ juist zoveel mogelijk regelgeving wordt losgelaten? Met de komst van de Omgevingswet worden bestemmingsplannen vervangen door omgevingsplannen en structuurvisies door omgevingsvisies. Ruimtelijke belangen worden integraal afgewogen. Er is een grotere rol weggelegd voor participatie, waarbij bewoners en andere belanghebbenden bij de planvorming moeten worden betrokken. Marie-Thérèse van Thoor (universitair docent TU Delft / KNOB) somt de verschillende instrumenten voor bescherming op waar Amsterdam nu over beschikt: het ordesysteem, gemeentelijke- en rijksbeschermde stadsgezichten, gemeentelijke- en rijksmonumenten, en stelt dat het nu goed geregeld is. Maar de toekomst is onzeker. Van Thoor en Karin Westerink (Monumenten en Archeologie Amsterdam) bepleiten dat erfgoedorganisaties de status van belanghebbende krijgen in het omgevingsplan. Van Thoor roept de aanwezigen ook op om zich bij te laten scholen en de politiek in te gaan: “Ga samenwerken met ontwerpers, wetenschappers en politici. Zorg dat je aan de voorkant van het proces de nodige kennis, expertise en historische context kan inbrengen.” Monumentenorganisaties raken nu vaak pas laat bij projecten betrokken, waardoor vaak een beeld van hindermacht aan ze kleeft.

Tijdens deze middag blijkt dat erfgoedorganisaties vooral zoekende zijn. Men zoekt naar de meest adequate manier om erfgoed juridisch te beschermen in een continu veranderende stad. Er wordt gezocht naar een waardering voor recentere architectuur en stedenbouw. Maar dat is nog niets vergeleken met de zoektocht naar een plek aan de gesprekstafel bij beleidsmakers, RO-mensen en projectontwikkelaars. Dat er nog een lange weg te gaan is, blijkt uit de grote opkomst van dit symposium waar welgeteld één toehoorder aanwezig is afkomstig uit de ruimtelijke ordening. Er is werk aan de winkel: erfgoedorganisaties moeten korte metten maken met hun geitenwollensokkenimago, de krachten bundelen en zichzelf een formele positie in het RO-proces toe-eigenen.