Feature —

Een poëtica van het wonen

Pieter Hoexum

Wat is het tegenovergestelde van dakloos? Wat betekent het een dak boven je hoofd te hebben? Een dak is niet alleen bescherming tégen (wind en regen en dergelijke), maar is ook ergens goed vóór. Een huis biedt niet alleen onderdak, maar ook ruimte en tijd om vrijuit te dagdromen, zoals de Franse Filosoof Bachelard schreef in La poétique de l’espace (1958).

Interieur van het huis van A. Roland Holst aan de Nesdijk in Bergen – Fotocollectie Literatuurmuseum

Het dak is het eerste van het huis dat ik zie. De heg in de voortuin is zo hoog dat het huis vanaf de weg, waarover ik reikhalzend van nieuwsgierigheid kom aanlopen, nauwelijks te zien is; alleen het hoge rieten dak steekt er zichtbaar bovenuit. Als ik het ijzeren tuinhekje open – wat lastig gaat – en over het tegelpad naar het huis loop, zie ik pas goed hoe groot het dak is in verhouding tot het huis. Een bontmuts die over de oren en tot op de wenkbrauwen is gezakt; een grote theemuts op een kleine theepot.

Het huis is niet echt de deftige villa die ik hier, in het kunstenaarsdorp Bergen, verwacht; het heeft meer iets van een Engelse cottage, met zijn pittoreske overkragende rieten dak, prominente erker en gevel van gepotdekselde planken. Maar omdat het geheel enige elegantie niet ontzegd kan worden, doet het dak mij bij nader inzien denken aan zo’n klokhoedje dat filmsterren uit de jaren twintig op foto’s altijd dragen, wellicht ook omdat het huis uit dezelfde periode stamt. Hoe dan ook, de eerste indruk is meteen gunstig: dit huis biedt werkelijk onderdak. Hier ben je zelfs het tegenovergestelde van dakloos, hier wordt je behoed.

Mijmeren

Een maand mocht ik in het Adriaan Roland Holsthuis verblijven, door de naamgever ter beschikking gesteld aan de literatuur, dat wil zeggen: er mogen tegenwoordig schrijvers, vertalers en dichters logeren en werken. Ik gebruikte die maand  met name om na te denken, te lezen en te schrijven, over het begrip thuis. Ik was benieuwd of en zo ja hoe, ik mij thuis zou voelen in dit door anderen ingerichte schrijvershuis in een kunstenaarsdorp… In een huis dus dat volkomen verschilt van mijn rijtjeshuis in een buitenwijk van een provincieplaats.

Als leesvoer had ik – natuurlijk – ook La poétique de l’espace (1958) van de Franse filosoof Gaston Bachelard meegenomen, overigens in Engelse (en gedeeltelijk Nederlandse) vertaling. Dat boek geldt immers als hét boek over intimiteit, in de zin van innigheid, vertrouwdheid, en vooral van huiselijkheid. Als er een filosofisch boek is dat over thuis gaat, dan is het dit boek wel. Het boek is sowieso, na een tijd een geheimtip onder architecten en in architectuur geïnteresseerden te zijn geweest, een ware klassieker geworden, zeker sinds de Engels vertaling verkrijgbaar is. Op de site aeon.co verscheen onlangs een mooi essay over het boek, met daarbij linkjes naar een oud tv interview met de filosoof, die er overigens precies zo uit blijkt te zien als je verwacht: een oude wijze met een lange baard, een “druïde”, in een met boeken overladen kamer. Het Nederlandse literaire tijdschrift Raster wijdde in 2006 een heel nummer aan Bachelard. In OASE#34 over het interieur is een vertaling van Bachelards Over hoeken opgenomen en in de reuze bloemlezing Dat is architectuur. Sleutelteksten uit de twintigste eeuw, samengesteld door Hilde Heyne et.al. zijn enkele zeer korte maar zeer bruikbare fragmenten opgenomen (de meeste vertalingen hieronder zijn daaruit overgenomen.)

In La poétique de l’espace vraagt Bachelard zich af of het, “op basis van herinneringen aan alle huizen waar we beschutting vonden en van de beelden van alle huizen die we in onze dromen bewoonden” mogelijk is “een intieme, concrete essentie” te ontdekken, oftewel, de essentie van thuis. Wat is de “de unieke waarde van al onze beelden van beschermende intimiteit?” Bachelard wil laten zien dat “het huis een van de belangrijkste krachten vormt tot integratie van de gedachten, herinneringen en de dromen van de mens.” Oftewel, thuis is de plek waar de bewoners letterlijk en figuurlijk op verhaal kunnen komen; losse indrukken en flarden van gedachten, herinneren, fantasieën en dromen kunnen langzaam tot een soort eenheid worden, een eigen verhaal gaan vormen.

“De meest kostbare weldaad van het huis” is volgens Bachelard dat het huis de dromer beschermt, “het huis staat ons toe in vrede te dromen.” Dat is erg mooi gezegd, het slaat in elk geval precies op mijn verblijf hier in het Roland Holsthuis. Als ik in een woord moet zeggen wat ik hier al die tijd deed, dan is het: mijmeren.

Broeinest

De titel La poétique de l’espace klinkt misschien wat vormelijk, maar Bachelard zoekt bepaalt niet naar de regels voor het maken van ruimte, integendeel. Bachelard doet eerder een beroep op de verbeelding dan op het intellect. Op bijna elke bladzijde van zijn boek geeft hij  wel een mooi citaat, meestal van dichters. Hij schiet een spervuur van beelden op de lezer af: het huis als wieg, als schelp…  enzovoorts. Het meest treffende beeld vond ik het nest. Bachelard citeert uit een brief van Van Gogh: “Het hutje met het rieten dak deed me denken aan het nest van een goudhaantje.” Als het Roland Holsthuis, met dat overmaatse rieten dak, iets is, dan is het een nest.

Over het schrijven poëzie wordt gezegd dat het voor tien procent bestaat uit inspiratie en negentig procent uit transpiratie. Dat is natuurlijk waar en geldt voor ieder creatief proces, maar naast heel veel transpiratie en een beetje inspiratie, is er bovendien heel veel tijd nodig. Het is niet alleen een kwestie van hard werken, minstens zo belangrijk is het de teugels regelmatig te laten vieren: je moet wachten, gedachten laten rijpen… Een huis biedt daarvoor niet alleen ruimte, maar ook tijd. Tijd om te herkauwen, te laten bezinken, inkoken…  in één woord: om te broeden. Dat alles, die ruimte en die tijd biedt het Roland Holsthuis bij uitstek, het is een nest waar je als een dichter op gedachten en zinnen kunt zitten broeden. Het is een broeinest.

Dozen

Hoe inspirerend Bachelards ideeën over thuis ook zijn, al snel stuitte ik echter op een hele  andere, wat mij betreft nogal problematische kant. Bachelard schrijft niet alleen een liefdevolle lofzang op intieme ruimtes, als hij het over gebouwen heeft die hem niet aanstaan, is hij zeer hatelijk en wrokkig. Bachelard is geboren en getogen in een kleine plaatsje in het noordwesten van Frankrijk en werkte zich langzaam op tot filosofieprofessor in Parijs, maar is zich nooit thuis gaan voelen in die grote stad. Hij haat Parijs: “In Parijs bestaan geen woningen.” Bachelard haat de lichtstad en alles waar die voor staat: Verlichting, modernisering…  “Alles is er machine en het intieme leven vlucht er aan alle kanten uit.” Moderne huizen zijn volgens Bachelard die naam niet waardig, het zijn dozen.

Het lijkt me uitstekend om een kritische houding aan te nemen tegenover het vaak dogmatische en vaak zelfs drammerige modernisme met zijn “licht, lucht en ruimte”, wat al snel even kille als lege ruimtes oplevert. Bovendien heeft Bachelard zeker waar het het dak betreft een punt. De modernisten deden het dak zo’n beetje in de ban, er bleef een plat dak over. De behoefte aan onderdak is echter groter dan de modernisten vermoedden.

Maar Bachelard gaat regelmatig verder. Hij bekritiseert niet, hij wijst alle modernisering af en geeft zich regelmatig over aan nostalgische en vaak ronduit reactionaire klaagzangen. Bachelard kan het niet laten zo af en toe als het ware “het tuinpad van mijn vader” af te lopen, zoals de bekende regels van het refrein luiden van het lied Het Dorp, de Nederlandse bewerking van het lied “La montagne” van Jean Ferrat, door Friso Wiegersma en in Nederland wereldberoemd geworden in de vertolking van Wim Sonneveld.

Wat leefden ze eenvoudig toen
in simp’le huizen tussen groen
met boerenbloemen en een heg.
Maar blijkbaar leefden ze verkeerd,
het dorp is gemoderniseerd
en nu zijn ze op de goeie weg.
Want ziet, hoe rijk het leven is,
ze zien de televisiequiz
en wonen in betonnen dozen,

Bachelard zou walgen van mijn rijtjeshuis en buitenwijk… Het is mooi dat ik met zijn gedachtegoed een huis zoals het Roland Holsthuis beter kan begrijpen en waarderen, namelijk als nest, maar ik vrees daar een zware tol voor te moeten betalen: moet ik nu mijn rijtjeshuis verloochenen? Woon ik in een doos? Dat is een prijs die ik niet wil betalen. In Parijs wonen wél mensen, net als in de Nederlandse rijtjeshuizen. Ook dat zijn nesten waarin gemijmerd wordt.

Nostalgie

Bachelards boek stelde mij kortom voor hetzelfde dilemma als Heidegger. Heidegger bleek bij (her)lezing zowel een provinciale reactionair en fantast, als een consciëntieus en inspirerend denker. Verschil is misschien dat mijn lezing van Heidegger een andere volgorde had: eerst kwam het zuur, daarna het zoet. Gelukkig herinnerde ik mij het boek De nieuwe wanorde van cultuurfilosoof René Boomkens, waarin hij ook enkele paragrafen wijdt aan Bachelard en tot een veel positievere slotsom komt dan ik na herlezing van La poétique de l’espace.

Bij herlezing van Boomkens’ boek werd mij duidelijk dat je Bachelard inderdaad tekort doet door hem als een pure nostalgicus te beschouwen. Boomkens maakt duidelijk dat voor Bachelard het dagdromen in het huis niet verwordt tot een zwelgen in een terugdenken aan die goede oude tijd. Daarvoor is Bachelard uiteindelijk toch teveel cultuurcriticus, hij bekritiseert het gebrek aan aandacht van zijn tijdgenoten voor het wonen. Je zou kunnen zeggen dat Bachelard een poëtica van het mijmeren schreef.

Die poëtica is een wonderlijke combinatie van aandacht en afleiding, van concentratie en verstrooiing, van toewijding en verveling en van aanwezigheid en afwezigheid: door aandacht te schenken aan de alledaagse leefomgeving, aan het huis en alles wat daarbij hoort, verwijder je je er al associërend toch van (je laat je gedachten de vrije loop), zonder het echter uit het zicht te verliezen… Het is een constant heen-en-weer gaan, een steeds herhaald in- en dan weer uitzoomen.

Zoals een dichter bestaande woorden een nieuwe, dikwijls verrassende lading en betekenis geeft, zo maakt een bewoner van een huis een thuis. Eigenlijk houdt Bachelard een groot pleidooi voor dichterlijke vrijheid, niet zozeer van de maker van het huis, maar vooral van de bewoner. De bewoner mag – nee: moet – , als een poëzielezer, veel vrijheid nemen, en tegelijkertijd heel dicht bij de tekst blijven. Het gaat erom heel precies te lezen en tegelijkertijd heel vrijzinnig. Zoals Nijhof in Awater schreef: “Lees maar, er staat niet wat er staat”, wat geen aanmoediging is voor ongebreideld fantaseren, maar om dichterlijke vrijheid te combineren met ‘close reading’.

Bachelard beschreef  in La poétique de l’espace de moeilijk begaanbare maar erg mooie middenweg tussen poëtische vervoering en wetenschappelijke distantie. En dat is precies de middenweg die iedere bewoner die in zijn huis op zoek is naar zijn thuis, moet aanhouden.