Recensie

Wat wil het ding?

Als het over design gaat, gaat het al snel over de kwestie ‘vorm of inhoud’. Misschien is het beter die hele kwestie maar te laten rusten en in plaats daarvan designobjecten op een minder hoogdravende en meer alledaagse manier te beschouwen: als dingen die al dan niet mooi en handig zijn. Of nog beter: als dingen met een eigen wil.

Vitra stand Salone di Mobile 2018 – © foto Allesandro Russotti

Hebbedingetjes
Op de designbeurs in Milaan zal het ongetwijfeld eerst een tijd gonzen van geruchten over de nieuwste trends, de nieuwe namen… de noviteiten. Vervolgens komt er ongetwijfeld een wijsneus die vindt dat we niet zo op vorm gefixeerd moeten zijn en het meer over de inhoud moeten hebben, over het verhaal achter het ontwerp. Of je daar veel mee opschiet is de vraag. Misschien is het beter zowel de oppervlakkige als de diepzinnige benadering links te laten liggen, en zelfs de kwestie van functionalisme op zij te schuiven, en een andere weg in te slaan. Daarvoor hoef je niet eens naar Milaan, maar loop je even naar de lokale boekhandel, schaft het boek Het wilde ding van Hilde Bouchez aan, neemt het mee naar huis, gaat in je lievelingsstoel zitten en lezen maar. Als je uitgelezen bent, kijk je anders naar de dingen om je heen.

Bouchez pleit er, kort gezegd, voor die dingen om ons heen nu eens met net zoveel aandacht te bekijken als we de spullen op een traditioneel stilleven bekijken. We zouden onze eigen interieurs net zoveel aandacht moeten geven als de precisie waarmee bijvoorbeeld Pieter de Hoogh en Johannes Vermeer  interieurs schilderden – we zouden onze koffiemok eens net zoveel aandacht moeten geven als de wijze waarop Vermeers Melkmeid behoedzaam dat witte goedje overschenkt in een schaal.

Méér spullen
Maar voordat ze uitlegt hoe het wel moet, vertelt Bouchez eerst hoe het niet moet. Ze schetst daartoe kort een geschiedenis van het design, tegen de achtergrond van de opkomst van de consumptiemaatschappij. Grof gezegd is het allemaal de schuld van het kapitalisme: dat heeft onze hebzucht aangewakkerd tot een onstilbare honger, waardoor we alleen maar meer spullen vergaren, terwijl we er paradoxaal genoeg niet meer aan toe komen om aan al die spullen werkelijk aandacht te besteden, laat staan echt te waarderen. Het lijkt zo eenvoudig aan een ding waarde toe te kennen, maar het is nog een heel gedoe: alleen maar zeggen dat je iets waardeert is bij lange na niet genoeg, het is meer een manier van omgaan met zo’n ding, een kwestie van zorgvuldigheid en toewijding. Waarderen is een werkwoord – zo zou je het boek ook samen kunnen vatten.

© Salone di Mobile 2018

Hoe mooi een pleidooi voor aandacht ook klinkt, volgens mij valt er over de opkomst van de massacultuur en de consumptiemaatschappij wel een minder afwijzende en meer complex verhaal  te vertellen, zoals met name Auke van de Woud deed in De Nieuwe mens. Hij beschrijft daarin “de culturele revolutie in Nederland rond 1900”, dat wil zeggen: hij vertelt over de opkomst van een nieuwe wereld, met een massacultuur die zeer materialistisch en visueel ingesteld is. Het knappe is dat Van der Woud niet simplificeert en geen aanklacht schrijft, maar laat zien dat de nieuwe cultuur twee gezichten heeft: de nieuwe cultuur “bracht niet alleen vervreemding en andere sociaal-psychologisch onbehagen, maar ook vrolijkheid en vrijheid”.

Wilde dingen
Maar wellicht is het, for the sake of argument, beter dit te laten rusten en mee te gaan met de kritiek van Bouchez en haar antwoord te bekijken hoe het dan wel moet. Bouchez onderscheidt tamme dingen van wilde dingen, de eerste keurt ze af en de tweede juist goed. Tamme dingen zijn paradepaardjes, doorgefokte rashondjes: vleugellam staan ze  in etalages de kooplust op te wekken of in huis te pronken. Maar eigenlijk kan je niets anders met die tamme dingen doen dan naar ze kijken of over ze te praten – het is slechts vorm of inhoud. Het zijn conversation pieces, waarmee je kan laten zien dat je op de hoogte bent van en mee kan praten over de laatste trends.

Terwijl de tamme dingen in het felle spotlicht staan, schijnt bij wilde dingen juist een zacht licht van binnenuit: “Vanuit hun kern, vanuit de essentie van hun materie stralen ze licht uit, een aura dat ze constant omringt, dat ons diep in de ogen kijkt en met ons connecteert. Ze vragen om gebruikt te worden, niet als symbool, maar als alledaags ding.” Zodoende, door als het ware te luisteren en niet zozeer te kijken naar dingen, slaagt Bouchez erin te ontkomen aan zowel een al te oppervlakkige als al te diepzinnige benadering. En zo kan ze ook waarmaken wat ze in het begin aankondigt: “Dit boek hoopt zowel ontwerpers, studenten design als ieder van ons die consumeert een beter begrip te geven omtrent het belang van de kwaliteiten van het alledaagse.”

© Salone di Mobile 2018

Animisme
Enigszins problematisch is daarbij dat Bouchez, om het idee van het wilde ding uit te werken,  een hele stoet theoretici en deskundigen van zeer diverse en vaak bepaald niet alledaagse pluimage de revue laat passeren. Dat is avontuurlijk, maar soms vliegt ze uit de bocht. Op een gegeven moment belandt je als argeloze lezer in de binnenlanden van Zuid-Amerika bij een sjamaan. Bouchez lijkt zelf ook nattigheid te voelen en probeert de lezer gerust te stellen: “Dit is geen pleidooi voor een nieuwe spirituele beweging, maar een oefening om de kwaliteiten die holistische wereldbeelden met zich meebrengen  met betrekking tot het maken en bouwen van onze materiële wereld opnieuw te activeren.”

Een van de interessantste denkers die Bouchez opvoert is de antropoloog Tim Ingold. In navolging van Heidegger wil Ingold dingen niet als objecten beschouwen, maar als dingen. Het gaat noch om een subjectieve benadering, wat zou betekenen dat het ding onderworpen wordt, noch om een objectieve benadering, wat het ding op afstand zou houden. Het gaat bij dingen juist om nabijheid. en het aannemen van een open houding ten opzichte van een ding, want het essentiële verschil tussen een object en een ding is volgens Ingold dat “een ding als het ware lekt, dat het in constante interactie is met zijn makers en zijn gebruikers”. Het zou het beste zijn een ding te beschouwen als een levend wezen, als bezield. Ingold stelt kortom voor dingen animistisch te benaderen.

Wat wil het ding?
Bouchez staat zich regelmatige grote vrijheden toe en springt soms grillig als een paard over het schaakbord. Daarom sta ik mezelf tot slot ook een zijsprong toe. Enkele jaren geleden las ik het boek What’s a Dog For? van John Homans. Als Homans daarin iets duidelijk wil maken, dan is het wel dat de hondenonderzoekers het behaviorisme van Pavlov en Skinner, achter zich hebben gelaten. Was antropomorfisme, het projecteren van menselijke eigenschappen op dieren, vroeger een doodzonde, nu is het een methode. Door een afstandelijke manier van kijken naar honden zul je ze namelijk nooit goed begrijpen: honden zijn zo succesvol geworden, doordat ze juist als het ware schreeuwen om een antropomorfistische benadering. Ze zijn als het ware gemaakt om bijvoorbeeld schattig te worden gevonden, om mee te spelen. Het begrijpen van honden is ingaan op een uitnodiging.
Het is, kortom, een heel goed idee om je regelmatig af te vragen wat je hond, of welk huisdier je ook hebt – zonder huisdier is een huis geen huis – wil. Zo is het ook een heel goed idee regelmatig je huisraad te beschouwing vanuit de vraag: wat wil dat ding?