Recensie —

De kunst van Wendingen 1918-1932

Hans Oldewarris

In Museum Flehite in Amersfoort is momenteel de tentoonstelling De kunst van Wendingen (1918 – 1932) te zien. Het tijdschrift Wendingen, met architect Hendrik Wijdeveld als hoofdredacteur en vormgever, heeft al vaker in de kijker gestaan de afgelopen decennia. Biedt deze tentoonstelling een nieuw inzicht?

‘Hoogbouw als oplossing voor het huisvestingsprobleem’, Wendingen nr. 3, 1923, litho Johan Polet

In 2001 wijdde Museum De Beyerd in Breda een tentoonstelling aan het tijdschrift Wendingen, het orgaan van het Genootschap Architectura et Amicitia, dat verscheen van 1918 tot 1932. De architect H.Th. Wijdeveld was als hoofdredacteur en vormgever de drijvende kracht achter dit ‘maandblad voor sieren en bouwen’, dat direct opzien baarde door de vernieuwende typografie. En daarnaast was er het buitenissige formaat van 33 x 33 cm en de Japanse bindwijze, waarbij de vellen aan een zijde werden bedrukt en in de rug gebonden met raffia. Voor ieder nummer werd een architect of kunstenaar gevraagd het omslag te ontwerpen.

De tentoonstelling in Breda werd georganiseerd naar aanleiding van het verschijnen van het boek Wendingen 1918-1932. Architectuur en vormgeving van notaris en verzamelaar mr. Martijn F. Le Coultre. Het boek was vormgegeven door V+K Design en uitgegeven door V+K Publishing, beide bedrijven van de in de wereld van kunst en architectuur niet onbekende bedenker en samensteller van boeken c.q. packager, Cees W. de Jong. De Amerikaanse grafisch ontwerpster Ellen Lupton schreef de inleiding en de eveneens Amerikaanse grafisch ontwerper Alston W. Purvis, kenner van het Nederlands grafisch ontwerp waarover hij een aantal boeken publiceerde, droeg bij met een essay. De grote verdienste van dit boek is vooral de chronologische behandeling van alle 116 verschenen nummers van het tijdschrift. De omslagen, ontworpen door 67 verschillende architecten en toegepaste kunstenaars, zijn er paginagroot in afgebeeld en uitgebreide informatie wordt gegeven over de inhoud, omslagontwerper, oplage, verkoopprijs en al of niet bijgevoegde bijlagen en/of speciale edities. Een waar standaardwerk, waarnaar vaak wordt verwezen.

Het prachtige beeldmateriaal was de aanleiding om 17 jaar later, nu in museum Flehite in Amersfoort, opnieuw een tentoonstelling over Wendingen te organiseren, waarbij ook ditmaal een boek over het tijdschrift is verschenen. De auteurs: packager De Jong, de Amerikaan Purvis en notaris/verzamelaar Le Coultre, zagen we eerder bij de uitgave uit 2001.

themanummer over de restauratie van de St. Nikolaaskerk, IJsselstein. Wendingen nr. 4, 1929, litho Joop Sjollema    

Voor tentoonstelling en boek werd een nieuwe invalshoek gekozen om de inmiddels ook bij een groter publiek overbekende omslagen te laten zien. Er werd een indeling gemaakt in twaalf rubrieken: bouwkunst, het Nieuwe Bouwen, toneel en theater, de Amsterdamse School, beeldhouwkunst, schilder- en tekenkunst, grafische vormgeving, kunstnijverheid, internationale kunstenaars, internationale kunst, Willem Marinus Dudok en Frank Lloyd Wright.

Aan de op deze manier gegroepeerde omslagen werden originele kunstwerken toegevoegd. Zo gaan de zestien omslagen die voor de rubriek ‘bouwkunst’ zijn geselecteerd, vergezeld van foto’s en/of tekeningen van het werk van onder andere de architecten C.J. Blaauw en H.P. Berlage. Van de laatste wordt bovendien een grote werkmaquette getoond van het Haags Gemeentemuseum die bedoeld was om de belichting in het museum te beoordelen. Leuke maquette, maar wat de relevantie ervan is in relatie tot het tijdschrift is onduidelijk. De twaalf omslagen die voor de rubriek ‘het Nieuwe Bouwen’ werden geselecteerd, worden geflankeerd door foto’s van de Van Nellefabriek en werk van Jan Duiker. Naast de acht omslagen uit de rubriek ‘de Amsterdamse School’ vinden we overbekende foto’s en tekeningen van het werk van Michel de Klerk en Piet Kramer. En om een laatste voorbeeld te noemen: de negen omslagen van de rubriek ‘beeldhouwkunst’ gaan vergezeld van werk van Hildo Krop en Joseph Mendes da Costa. Krop is sowieso onevenredig vertegenwoordigd met werk, onder andere met een compleet interieur, maar dat zal ook aan het genereuze uitleenbeleid te danken zijn van het Hildo Krop Museum in Steenwijk.

De objecten die zijn uitgekozen om de op onderwerp gesorteerde omslagen te vergezellen lijken vooral te zijn geselecteerd op decoratieve kwaliteiten en beschikbaarheid voor uitlenen. Net als de omslagen zijn het grotendeels gereproduceerde objecten uit de particuliere collecties van Martijn Le Coultre en Dirk Nienhuis (Collectie Meentwijck), aangevuld met bruiklenen uit onder andere Het Nieuwe Instituut, het Drents Museum, het Joods Historisch Museum, het eerder genoemde Hildo Krop Museum en het Nationaal Glas Museum. Daar is natuurlijk niets op tegen en het blijft een feest om de objecten in natura te bewonderen, maar het is wel gemakzuchtig. We zien en leren niets nieuws. In de titel van het boek Wendingen 1918-1932 en in de weinig zeggende titel van de tentoonstelling ‘De kunst van Wendingen 1918-1932’ wordt op geen enkele manier verwezen naar de ‘nieuwe’ blik op hetzelfde materiaal middels de twaalf rubrieken. Het, overigens interessante, essay van Purvis, ‘Een persoonlijke visie’, is een schaamteloze kopie van zijn essay dat onder dezelfde titel is opgenomen in het boek uit 2001. Ik vraag me af of Purvis wel op de hoogte is van het feit dat zijn tekst uit 2001 integraal en zonder bronvermelding is gereproduceerd. Zo niet, dan geeft dat te denken, zo ja, dan ook. Is de tekst van Purvis, die uitvoerig ingaat op de opzienbarende vormgeving en typografie van Wendingen, in het boek uit 2001 nog adequaat ondersteund door afbeeldingen die zijn betoog verhelderen, in het recente boek zijn volstrekt willekeurige pagina’s uit Wendingen bij zijn verhaal afgebeeld, die niets van doen hebben met de inhoud van de tekst.

Architectuur-nummer, Wendingen nr. 4, 1919, litho Pauline Bolken  

En ja, dan die indeling in rubrieken. Af en toe lijkt het goed te gaan, zoals bij de rubriek ‘internationale kunstenaars’. Negen omslagen maken hier duidelijk dat er speciale nummers zijn verschenen over de buitenlandse kunstenaars en architecten Gustav Klimt, Hermann Finsterlin, Diego Rivera, Josef Hoffmann, Eileen Gray, Lyonel Feininger, Erich Mendelsohn, Ossip Zadkine en Antoine Bourdelle. Hier had Frank Lloyd Wright natuurlijk ook thuisgehoord, maar die krijgt in een aparte rubriek speciale aandacht, net als Dudok. Waarom dan weer Michel de Klerk, aan wie zeven nummers zijn gewijd (drie meer dan aan Dudok), geen aparte aandacht krijgt, blijft een vraag. Een verantwoording over de gekozen indeling in rubrieken wordt in boek en tentoonstelling niet gegeven; de willekeur ervan zou waarschijnlijk ook te snel duidelijk worden.

Blijft over een mooie, door Cees de Jong ontworpen tentoonstelling die voor diegenen die niet vertrouwd zijn met het tijdschrift Wendingen een goed beeld geeft van de prachtige omslagen, verrijkt met een willekeurige selectie aan decoratieve objecten, architectuurtekeningen en -maquettes.

Wendingen zouden we nu wel een poos kunnen laten rusten. Niet de vormgevende maar de redactionele kant van het tijdschrift zou de volgende keer onderwerp van een boek en/of tentoonstelling kunnen zijn. Waarbij Wendingen niet alleen geplaatst wordt in de rijke geschiedenis van het uitgeven van tijdschriften van het Genootschap Architectura et Amicitia, zoals Jeroen Schilt en Jouke van der Werf daar een aanzet toe hebben gegeven in het boek  Genootschap Architectura et Amicitia 1855-1990 (Rotterdam, 1992), maar ook in de context van de in Nederland uitgegeven architectuurtijdschriften in het algemeen, waarvan de geschiedenis nog moet worden geschreven. En waar blijft die monografie over Wijdeveld?