Recensie —

Te mooi om waar te zijn?

Martine Bakker

Het lijkt op het eerste gezicht gewoon het zoveelste flitsende bouwvolume achter het Utrechtse Centraal Station, deze keer ontworpen door Cepezed. Wie beter kijkt ziet op de verdieping een kas vol plantjes en herkent misschien de rookglazen gevelpanelen van de vroegere Luitenant Generaal Knoopkazerne aan de Croeselaan.

The Green House – foto Cepezed

De Luitenant Generaal Knoopkazerne doet niet bij iedereen meteen een belletje rinkelen. Toch was het een fors gebouw waar zelfs een slotgracht omheen lag. Het zal de onopvallende jarenzeventigarchitectuur wel zijn geweest die niet beklijfde. De kazerne is de afgelopen jaren compleet gestript, de gracht werd gedempt, op alle verdiepingen wijzigde de plattegrond, alle gevels zijn vervangen en het gebouw is compleet opnieuw ingericht. Het doet nu dienst als werk- en vergaderplek voor Rijksambtenaren.

Op de parkeerplaats achter het Rijkskantoor zullen in de nabije toekomst nog twee nieuwe torens verrijzen en over vijftien jaar wordt er tussen het Rijkskantoor en de Rabobank een derde toren toegevoegd. Tot die tijd staat hier The Green House, een circulair paviljoen met een eetcafé en vergaderruimte. Het is ontworpen door architectenbureau Cepezed dat ook verantwoordelijk is voor de transformatie van de kazerne.

Je zou het rechthoekig no-nonsencepaviljoen van twee bouwlagen gemakkelijk over het hoofd kunnen zien. Aan de zuid- en westkant, achter gevels van helder glas, ligt het café. De gesloten noord- en oostgevel omsluiten de keuken en bijkeuken en de  drie vergaderzaaltjes erboven. Hier zijn de panelen van rookglas hergebruikt. Op het dak liggen zonnepanelen. De kas, met kruiden en kleine groenten voor de keuken, bevindt zich boven de entree. De kas en zaaltjes worden van binnenuit bereikt met een industrieel aandoende trap. De schaal en inrichting houden The Green House knus en de akoestiek aangenaam.

Het paviljoen is deels dubbelhoog. Een wand met varentjes en graslelies verbeeldt de naam van het gebouw. Op de vloer van de begane grond liggen ruige, lichtbruine straatklinkers en ook de staalconstructie, bouten en textielen luchtkokers zijn in het zicht gelaten. De ‘stekkerloze’ keuken – waar niet eens alleen raw food wordt bereid – is open en wordt van de zitruimte van het café gescheiden door een bar. Niet alleen vanaf de straat, ook vanuit het café kijk je op de kas. Stekjes groeien hier uit tot fikse planten. Klanten en schoolkinderen zijn van harte welkom in de kas en mogen er zomaar blaadjes van bekende en ongebruikelijke kruiden snoepen.

The Green House – tekening Cepezed

Dat Cepezed zich op circulariteit richt is niet echt verrassend. Het architectenbureau staat altijd al garant voor praktische milieuvriendelijkheid, bijvoorbeeld in de vorm van bouwpakketten: architectuur die je snel kunt opbouwen en soms zelfs kunt afbreken en elders weer opbouwen. In het Utrechtse stationsgebied is Cepezed bekend van de Moreelse brug – eveneens een bouwpakket, met bomen en al – en het vernieuwingsplan voor de Jaarbeurs.

Verrassender is het dat het complete team dat de Knoopkazerne aanpakte met The Green House het circulaire bouwen met verve uitdraagt. Rogier Joosten van bouwreus Strukton en Ernest van der Voort van bedrijfscateraar Albron doen bij de opening begin april minstens zo enthousiast hun verhaal als de architecten. Sterker nog, hetzelfde geldt voor de betrokken hovenier en teler, voor de leveranciers van de wijn, van de lampen en van het overige meubilair, voor de kok en voor de uitbater van het café.

The Green House blijkt een doos vol verhalen. Het zijn leuke verhalen, zoals over het bruingetinte glas van de oude kazerne, dat niet overal is toegepast, maar wel het stramien van de complete gevel bepaalde. Over de gehusselde letters met de naam van de kazerne, die boven de bar een nieuwe slogan vormen. Over de parasolplatanen op het terras, waar expres geen verwarmingselementen of parasollen zijn geplaatst. Over de energie- en waterhuishouding, die verbonden is met het Rijkskantoor. Over de ‘building circularity index’ van tachtig procent: de hoogste van Nederland.

Plantenmuur in The Green House – foto Cepezed

Verhalen over de bedoeling van de plantjesmuur, die binnen de lucht zuivert. Over de straatklinkers, die afkomstig zijn van een kade in Tiel en waaronder gewoon zand en vloerverwarming ligt. Over de stoelen van gerecyclede petflessen – er zitten er 64 in een stoel, weinig eigenlijk – en de fauteuils met gedistingeerde wollen bekleding. Over het stikstof en de garde waarmee ter plekke verrukkelijk ijs wordt gemaakt. Over de ‘herintredende’ medewerkers in de keuken, waar ze niet doen aan ‘social waste’. Over het mospaneel in een van de zaaltjes, dat stress moet verminderen.

Verhalen over waar het afval blijft – onder meer op de composthoop voor de kas – en verhalen over bijvoorbeeld Ibn al Baitar (1197-1248), een botanist wiens naam op een van de schappen van de kas prijkt. En zelfs verhalen over de verhalen: Albron zet de verhalen namelijk in voor klantenbinding en publiciteit. Iedere medewerker van de bediening is gevraagd zijn of haar drie favoriete verhalen uit het hoofd te leren en uit te dragen.

Het meest verrassende verhaal is dat van de financiering. Dat de Green House zich in tegenstelling tot het circulaire paviljoen van ABN-Amro op de Zuidas zelf bedruipt, maakt het volgens Rogier Joosten een interessante casus voor de naastgelegen Rabobank. De circulaire economie vereist een behoorlijke omschakeling en banken en beleggers krijgen volgens hem nu pas begrip voor het verdienmodel. Het is een herkenbaar probleem voor circulaire bouwers – ook de coöperatie van het Utrechtse Hof van Cartesius liep er tegenaan.

 

Vergaderruimte in The Green House – foto Cepezed

Voor zaken als de meubels en verlichting wordt bij The Green House uitgegaan van ‘pay for use’. Dus lampen worden niet gekocht, maar achteraf afgerekend op het aantal lichturen. Voor de betaling van de stoelen geldt het aantal uren dat er iemand op of in zat. Dat dit een kwestie van vertrouwen is, en daarmee een zekere onzekerheidsfactor heeft, lijkt de betrokkenen niet te deren. Sterker nog, de bij de opening aanwezige vertegenwoordigers wijzen stuk voor stuk op hun verantwoordelijkheid in de wereld als geheel. Klanten krijgen via de menukaart overigens vriendelijk de mogelijkheid om een steentje bij te dragen. De kaart vermeldt niet alleen gerechten en prijzen, maar geeft ook zaken als calorieën, de herkomst van ingrediënten en de CO2-uitstoot van de productie in overweging.

De vaststaande vijftien jaar dat betrokken partijen menu’s, lampen, gewassen of meubels leveren aan de Green House verzekert hen van inkomsten en biedt hen de kans om te innoveren op basis van de bij The Green House opgedane ervaring. Als je voor vijftien jaar verantwoordelijk bent voor een product ligt een wegwerpartikel bovendien niet voor de hand, dan kies je voor duurzaam. Jaap Bosch van Cepezed denkt dan ook dat een publiekprivate samenwerking circulair bouwen bevordert. Helemaal bij DBFMO-contracten (Design Build Finance Maintain Operate) waarbij een team of consortium twintig tot dertig jaar verantwoordelijk blijft voor een gebouw en daarmee in feite voor een stukje reilen en zeilen op aarde.

Hoe vanzelfsprekend het bij The Green House allemaal ook mag lijken, vooralsnog is er in het circulaire bouwen – en de circulaire economie – nog een wereld te winnen. Cepezed gaf aan bij een dergelijke opgave de volgende keer beter te willen zoeken naar her te gebruiken materiaal, ofwel meer aan ‘urban mining’ te willen doen. Een spannende opmerking, omdat over The Green House van tevoren expliciet is gezegd dat het niet op een kraakpand mocht lijken.

De komende tijd zal circulaire architectuur nog pionerend zijn en het is mooi dat twee recente Utrechtse voorbeelden –The Green House en het Hof van Cartesius – laten zien hoe goed en ook hoe verschillend dat pionieren kan uitpakken. The Green House voegt zich vernieuwend maar keurig tussen de kantoren, het Hof gaat lekker los met materiaal. De belangrijkste overeenkomsten tussen beide zijn de wil van de initiatiefnemers om ervaringen te delen, hun geloof in de noodzaak van circulair bouwen en hun onvervalste enthousiasme.