Column —

de reflectiehut #3: Over de conifeer en meer

Astrid Aarsen

Gefascineerd door contradicties en dilemma’s in het alledaagse onderzoekt Astrid Aarsen maandelijks een actualiteit: over Tiny ‘oer’ Forests, tuinen upcyclen en groene mode.

Het Pinetum De Dennenhorst in Lunteren – foto Astrid Aarsen

Met verwondering sla ik de ‘groenspurt’ gaande die mijn tuin sinds medio april doormaakt. Er komen allerlei kleuren en geuren tevoorschijn waarvan ik geen vermoeden had dat die zich hier verborgen hielden. Het zijn de verrassingen van de lente die de natuur ieder jaar als kadootjes aanbiedt en uitpakt. En tegelijkertijd zijn ze ook het signaal dat er werk aan de winkel is. Snoeien, verpotten, zaaien, planten, bladeren harken en alles dat erbij hoort. De spontane en maakbare wereld zetten elkaar hier op scherp. Zeker niet alles dat spontaan opkomt, is welkom. Bovendien staan er in mijn tuin overgeërfde ‘gasten’ die ik nog even tolereer, maar die ik liever zo snel mogelijk zie gaan: de coniferen die verspringend in twee rijen van vijf staan opgesteld. Wat een stijvigheid, wat een lulligheid en lelijkheid! Ze zijn heel bewust door vorige bewoners neergezet en ben ik er nu verantwoordelijk voor. Omdat ze nu eenmaal in mijn tuin staan, en blijkbaar redelijk zelfstandig kunnen overleven, besluit ik ze toch maar te ‘scheren’, zodat ze er voorlopig nog even uitgelijnd bijstaan.

Misschien was het omdat ik ze door het snoeiwerk een langer dan een afkeurende blik gaf, dat ze mij nieuwsgierig maakten, of schudde de uitkomst van een recent op de Veluwe uitgevoerde ‘stresstest’ ter voorbereiding op de effecten van klimaatverandering mij wakker. Wij blijken ons te weinig bewust van onze natuurlijke omgeving, zo las ik in het artikel ‘Op zandgrond moet je geen groene daken maken’ in de NRC van 1 juni 2018. Ik voel mij direct aangesproken. Want inderdaad, ben ik mij wel bewust wat leven op zandgrond betekent als het gaat om de keuzes die ik maak? En hoe zit dat verder met al dat groen? Als groene daken hier geen goed idee zijn, hoe zit het dan met al die projecten waarin architecten dankbaar gebruik maken van de X-factor van het groen?

Roer om
Nu het nieuwe Jaarboek Architectuur in Nederland 2017/2018 uit is, het bureau Superuse Studios na dik twintig jaar daarin eindelijk de aandacht krijgt die het verdient en architectuurminnend Nederland gaat free spacen op de Architectuur Biënnale in Venetië, neemt mijn ongemak toe. Vreemd, want groen- en hergebruik is hipper dan ooit en ook de boodschap die doorklinkt uit het architectuurjaarboek, spreekt mij aan: ‘Het roer moet om’ met als uitdaging ‘upcyclen’, wat zoveel betekent als door inventief (her)gebruik van bestaand materiaal het een meerwaarde geven. Terwijl ik even overweeg om naar Venetië te vliegen om te ervaren wat volgens ontwerpers een ruimte nodig heeft om jezelf ‘goed te voelen’ (free space), besluit ik de daad bij het woord te voegen en het roer om te gooien. Geen vliegkilometers, geen extra belasting op deze zinkende stad, maar reizend op de vierkante centimeter, in mijn eigen tuin. Met diezelfde vraag van de Biënnale als leidraad: wat maakt het dat ik mij in deze ruimte zo goed voel? Of ik het wil of niet, het antwoord is: de conifeer. Want als ik eerlijk ben, zijn het niet de coniferen die mijn tuin enigszins structureren, die het hele jaar door groen blijven en die mij de privacy geven waar ik zo aan hecht?

Cutting Edges – foto Jan Dirk van der Burg

Uit de mode
Het Pinetum De Dennenhorst in Lunteren blijkt een goed reisalternatief en ligt bovendien op fietsafstand van waar ik woon. Het is een particulier initiatief uit de jaren twintig van de vorige eeuw dat uitgroeide tot een bijzondere collectie coniferen in natuurlijke omgeving. Fascinerend wat er voor een (coniferen)wereld daar voor je opengaat. Wat een bescheiden en tegelijkertijd overweldigend stukje coniferenland! DE conifeer bestaat niet, kom ik al snel achter. Conifeer (Coniferae) is een verzamelnaam voor meer dan zeshonderd soorten kegeldragende struiken en bomen, waaronder ook de taxus, jeneverbes en grove den vallen. Als er een struik/boom hier thuis hoort dan is het wel de conifeer, optimaal aangepast aan de omstandigheden. Gemaakt om te overleven op deze droge zandgronden. Toch zie ik het om mij heen gebeuren, aangemoedigd door provinciaal en gemeentelijk beleid: coniferen eruit, beukenhagen erin. De conifeer is uit de mode. En bovendien niet inheems, zo begrijp ik.

Tiny Forests
Als leek blijf ik verre van de discussie over wat inheemse soorten zijn, maar uit de media begrijp ik dat inheems goed is en dat stadsbewoners in Nederland momenteel ‘de natuur aan het ontdekken zijn’ met Tiny Forests, een slimdoordacht en schijnbaar overal toepasbaar format van een klein ‘oerbos’ met louter inheemse soorten. Boswachters heten er ‘wilde wachters’. Nieuwsgierig naar de herkomst kom ik al snel bij de Japanse botanicus Akira Miyawaki uit. Hij is de man die met zijn ‘Miyakawi methode’ wereldwijd heeft bijgedragen aan het herintroduceren van inheemse boomsoorten en bossen en daarmee ondernemer Shubhendu Sharma inspireerde tot het Tiny Forest concept. Miyawaki was ook de man die in zijn eigen land, nota bene de conifeer, door veel Japanners tot in de jaren zeventig als inheems beschouwd, ontmantelde als uitheemse boomsoort. Ik vermoed dat ook ‘mijn’ conifeer het hier zwaar gaat krijgen nu de kleine ‘oerbossen’ ook massaal in Nederland opduiken. Maar zetten we daarmee een wezenlijke stap voorwaarts?

Upcyclen
Het brengt mij ook terug naar het upcyclen en naar mijn eigen tuin. Want hoe verantwoord en toekomstgericht ben ik bezig als ik de coniferen eruit gooi en in ruil daarvoor mij uitleef met hazelaars, wilde lijsterbessen en bosrhododendrons, zoals de gemeente het graag ziet? (de scheerlingsden mag overigens ook, dus helemaal anti-conifeer is het groenbeleid hier niet.) Snappen wij nog welke oplossingen het beste aansluiten bij onze natuurlijke omstandigheden? Welke natuurverschijnselen zich aandienen en wat verantwoorde keuzen zijn voor de lange termijn? Tussen al dat oergevoel, ‘gehip’ en ‘gehype’ vraag ik me wel af of het bestaande groen, dat misschien niet altijd inheems is, maar zich wel bewezen heeft, nog een kans maakt. Ligt hier niet een belangrijke uitdaging, ook voor de ontwerper? Ontwerpt een architect als Stefano Boeri verticale bossen in een appartementencomplex dan is dat spectaculair en mediageil. Het levert hem internationale aandacht en ongetwijfeld nieuwe opdrachten op. Maar hoe ethisch en stresstestbestendig is dat groengebruik?

De natuur denkt niet in compositie, kleur of vorm. De natuur doet. En vaak op een geniale manier. Zij ontwikkelt zich voortdurend, stelt bij, past zich aan. Niet zo bedoeld, wel zo gegroeid. Hoe esthetisch dat kan zijn, blijkt wel uit het vermakelijke en mooie boek Cutting Edges van de fotografen Jan Diederik van der Burg en Gijs van den Berg, waarin onder andere de conifeer een hoofdrol pakt. Die omarmt lantarenpalen en verkeersborden, omzeilt een brievenbus en verfraait afrasteringen.
De ontwerper hoeft het niet (altijd) te bedenken, maar kan volgens mij veel meer samenwerken met de natuur die er al is. Soms ligt de meerwaarde van het bestaande simpelweg in een nieuwe manier van naar de dingen kijken.
Voorlopig blijf ik nog wel even worstelen met de dilemma’s rondom verantwoorde keuzes. Maar het roer is om. De coniferen in mijn tuin blijven. Door ze een kans te geven en in een ander perspectief te plaatsen, zijn ze geupcycled tot de ‘bewakers’ van mijn eigen free space.