Recensie —

Freespace (2)

Tim Peeters

De architectuurbiënnale van Venetië: zo veel te zien en vaak zo weinig tijd. Wat is zeker een bezoek waard op dit door Yvonne Farrell en Shelley McNamara gecureerd festival met als thema Freespace? Tim Peeters over zijn favoriete projecten en waarom het Hongaarse paviljoen beter is dan het Britse.

In het Japanse paviljoen – foto Italo Rondinella

Het Japanse Paviljoen: Architectural Ethnography
In een veelheid van paviljoens en installaties die de aandacht van de bezoeker proberen te trekken met maximaal visueel geweld en overdonderende installaties valt de inrichting van het Japanse paviljoen aangenaam uit de toon: in het witgeschilderde betonnen gebouwtje op pootjes hangen alleen tekeningen aan de muur. De onder andere door Momoyo Kaijima (Atelier Bow-wow) zorgvuldig gecureerde internationale tentoonstelling toont een dwarsdoorsnede van pogingen om de complexiteit van de stad en stedelijk leven vast te leggen.

Behalve het werk aan de muur zijn er in de ruimte een aantal hulpmiddelen aanwezig die het bestuderen van de tekeningen vereenvoudigen: een verschuifbare trap, krukjes op wielen en verrekijkers om hoog of juist laag opgehangen tekeningen beter te kunnen bekijken. Grote ronde vergrootglazen helpen bij het ontwaren van de kleinste details in de meest fijnmazige illustraties. De opzet van de tentoonstelling en de aanwezigheid van deze instrumenten zetten aan tot actief kijken. Er ontstaan dialogen tussen bezoeker en tekening en bezoeker en bezoeker: een verademing in een vaak door razendsnelle oppervlakkigheid gedomineerde beeldcultuur.
In het Japanse paviljoen zijn tevens twee (zeldzame) Nederlandse bijdragen aan deze biënnale te vinden: het panoramisch epos ‘Do you hear the people Sing?’ van Crimson/Hugo Corbett en een aantal met anekdotes geannoteerde tekeningen die Jan Rothuizen maakte van een Syrisch vluchtelingenkamp in Irak.

In het Britse paviljoen – foto Italo Rondinella

Waarom het Hongaarse paviljoen beter is dan het Britse
Het Britse paviljoen is, mede of misschien zelfs voornamelijk door een aantal unhappy accidents, een van de meest interessante paviljoens in de Giardini. Een boven het dak van het Britse paviljoen zwevend platform vormt het hoofdelement van Island, de door Caruso St John (architectuur) en John Morgan (visuele identiteit) ontworpen interventie. Het paviljoen zelf is ingericht met oorverdovende leegte en dient  gedurende de tentoonstelling als (ongefaciliteerde) evenementruimte en plek voor reflectie. Het werk omarmt, volgens een verklarend tekstje, thema’s als “abandonment and reconstruction, sanctuary and isolation, colonialism, climate change and our current political situation”. Vooral dat laatste is evident: het paviljoen laat zich vrij opzichtig lezen als een reflectie op Brexit en een pseudo-verheerlijking van Groot-Brittannië als eilandnatie. Hierdoor is Island té veel een gebaar voor en door Britten: het wordt niet geheel duidelijk wat de meerwaarde van dit soul searchen in den vreemde is voor het brede publiek. Hoe heerlijk het neerkijken op de mensen buiten de ommuurde Giardini vanaf het dek van underlaymentplaten ook is.

Het Hongaarse paviljoen lijkt op het eerste gezicht een kleinere en minder goed gelukte versie van het Britse paviljoen, maar niets is minder waar. Vanuit een kleine binnenplaats in het midden van het schitterende gebouwtje steekt een kleine steigertrap een meter of vijf boven het met glimmende groengeglazuurde dakpannen beklede dak uit. Het staketsel ziet er wat wankel uit, omdat het ook wat wankel ís. Maar het gebaar komt, blijkt al snel, uit een goed hart, de installatie wordt ingeleid door een charmante parabel over een brug die, wegens werkzaamheden voor verkeer gesloten, razendsnel uitgroeit tot een bruisende ontmoetingsplek. Vanuit die gedachte is de Hongaarse steigertoren geen plek om vanuit neer te kijken, maar juist een plaats waar vanuit men de omgeving kan bewonderen en  omarmen.

Kapel ontworpen door Eduardo Souto de Moura – foto Alessandra Chemollo

Vatican Chapels en het Cruising Pavilion
Vaticaanstad, het kleinste en misschien ook vreemdste land ter wereld, doet dit jaar voor het eerst mee aan de biënnale en pakt meteen groot uit: in de achtertuin van de gigantische San Giorgio Maggiore van Andrea Palladio staan tien kapelletjes, ontworpen door evenzoveel architecten. Bevrijd van al te veel programmatische eisen en geladen met spiritueel-metafysische verantwoordelijkheden heeft de opgave tien lekker behapbare stukjes architecture pour l’architecture opgeleverd.Uitschieters zijn de ontwerpen van Sean Godsell, Eduardo Souto de Moura en Terunobu Fujimori. Mis overigens niet Qwalala, een sculptuur van glazen bouwstenen van Pae White, halverwege tussen de kapelletjes en de vaporetto-stop voor San Giorgio Maggiore.

Bij het resetten van het geweten en de smaakpapillen na deze overdosis vroomheid kan het nabijgelegen Cruising Pavilion zorgen voor het benodigde tegengif. Het paviljoen (open tot 1 juli) toont en onderzoekt de wereld van anonieme sex in de stad, van de tolerantie van de fysieke ruimte jegens andersdenkenden en -geaarden en de (sexuele) toe-eigening van stedelijk weefsel. Door de parallelle wereld van het cruisen als uitgangspunt te nemen exposeert de tentoonstelling wat in de rest van de biënnale niet of slechts indirect wordt benoemd: vrij gebruik, échte inclusiviteit, en sexualiteit zijn geen vanzelfsprekendheden binnen de stad of het ontwerpen daarvan – maar (sub)culturen kruipen waar ze niet gaan kunnen. Het Cruising Pavilion is een scherp commentaar op   de meer gangbare interpretaties van  het thema Freespace binnen de biënnale: “architecture is a sexual practice and cruising is one of the most crucial acts of dissidence”.
website