Recensie —

Hergebruik: een mooie gedachte én een nuttig project

Pieter T’Jonck

‘We moeten onze levens veranderen’ was afgelopen zaterdag de kop boven het hoofdredactioneel in de NRC. Hoe? Misschien kunnen ontwerpers beginnen met het lezen van Rotor’s nieuwste boek over deconstructie en hergebruik.

Rotor – Dekkera, Brussel – foto Rotor

Moderne bouwtechnieken gaan zelden zuinig of duurzaam om met materialen en energie. Stilaan beseft iedereen dat het zo niet verder kan. De ‘circulaire’ economie lijkt dan de wonderremedie om onze ecologische voetafdruk te verkleinen en in één trek door, positieve effecten te sorteren op vlak van werkgelegenheid, stedelijke ontwikkeling enzovoort. Er zijn echter niet zo gek veel ontwerpers en opdrachtgevers die de kwestie helemaal doordenken. Wie dat wel doet, ontdekt dat ‘een beetje’ recycleren of hergebruiken geen zoden aan de dijk zet. Het lijkt wel alsof niets minder dan een complete cultuuromslag aan de orde is: ons consumptiepatroon moet op de schop.
Déconstruction et réemploi / Comment faire circuler les éléments de construction, een studie van Rotor, doet dat inzicht stap voor stap, op bijna irritant didactische wijze, rijzen. Desondanks leest het boek vlot weg. De auteurs preken namelijk geen hel en verdoemenis, maar bouwen hun betoog op vanuit een buitengewoon breed historisch, cultureel en technisch-economisch referentiekader. De studie heeft daardoor iets van een bedaagde historisch-psychologische diagnose van een samenleving, remedie inbegrepen.

De auteurs komen beslagen ter ijs. Rotor is een Brussels collectief dat zich al sinds 2005 toelegt op ontwerpen, onderzoeken, publicaties en tentoonstellingen rond materiaalstromen in de (bouw-)industrie. Die activiteit wordt sterk gekleurd door Brussel, de stad waar ze gevestigd zijn en waar ze menige studie aan wijdden. Deze studie waarvan Déconstruction et réemploi de papieren weerslag is, gebeurde trouwens in opdracht van BBSM, voluit ‘le bâti bruxellois, source de nouveaux matériaux’, een samenwerkingsverband tussen de vakgroep architectuur en klimaat van de Université Catholique de Louvain (UCL), de Vrije Universiteit Brussel (VUB), het WTCB en Rotor zelf, en werd mee gefinancierd door het Brussels Gewest en door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

spread uit het besproken boek

Bijzonder aan Rotor is dat ze al sinds hun oprichting systematisch focussen op hergebruik van complete bouwelementen, eerder dan op recyclage. Een spin-off, ‘Rotor Deconstruction’, geeft per jaar zelfs meer dan 200 ton afbraakmateriaal uit het Brussels Gewest een nieuwe bestemming. Over hergebruik gaat ook dit boek. De auteurs, Michaël Ghyoot en Lionel Devlieger (redactie en tekst) en Lionel Billiet en André Warnier (tekst) benadrukken meteen het fundamentele verschil tussen hergebruik en recyclage. Bij recyclage veranderen bouwmaterialen door complexe bewerkingen van aard. Bij hergebruik worden ze na (relatief) eenvoudige bewerkingen terug ingezet. Houten vloerbalken zijn daarvan een mooi voorbeeld. Bij recyclage worden ze versnipperd tot spaanders die verwerkt worden in spaanplaten. Bij hergebruik worden ze na reiniging terug ingezet als balk.

Hergebruik is binnen de huidige bouwpraktijk nochtans een marginale activiteit. In het eerste hoofdstuk tonen de auteurs aan dat dit tot de twintigste eeuw niet het geval was. Pas dan laat de ontwikkeling van nieuwe machines toe om gebouwen versneld, en met geringe inzet van werklui, te slopen. De reden dat men dat ook deed, in plaats van, zoals voorheen, het gebouw te demonteren om materiaal te recupereren, was een fatale combinatie van hoge grondprijzen en hoge arbeidskosten versus lage materiaalkosten. Op lange termijn leidt dat echter tot een ontoelaatbaar hoge consumptie van natuurlijke hulpbronnen van de planeet.

Hergebruik zou die trend kunnen keren, maar de organisatie van de bouwindustrie laat dat niet als vanzelf toe. Het vraagt nogal wat kennis van de lokale vraag en het lokale aanbod, van bouwtechnieken, en van de waarde van gerecupereerde materialen. Maar hergebruik valt ook moeilijk te rijmen met de huidige manier van prijsvorming en aanbesteding. Bij overheidsopdrachten bijvoorbeeld worden projecten volledig uitgedacht op de tekenplank en worden alle materialen en prestaties op voorhand vastgelegd. Het is dan niet evident om aan te tonen dat ook hergebruikte materialen aan die eisen voldoen. Maar onmogelijk is het niet, betogen de auteurs aan de hand van vele voorbeelden en meer theoretische bedenkingen. Ze benadrukken daarnaast terecht dat bouwelementen ook getuigen zijn van een (materiële) cultuur en om die reden alleen al een tweede leven verdienen. Bovendien kan hergebruik veel werkgelegenheid opleveren. Dat zou met name in Brussel de teloorgang van de industriële werkgelegenheid in de laatste decennia compenseren.

spread uit het besproken boek

Het vijfde hoofdstuk, dat handelt over het verschil in ‘circulariteit’ tussen ambacht en industrie, is een goed voorbeeld van de kwaliteiten van het boek. Het schetst een bekende historische ontwikkeling. Tot lang na de Middeleeuwen stoelde het bouwen op een beperkte reeks materialen. Hergebruik, zelfs van gips of kalk, was een courante praktijk. Materialen werden doorgaans ook in de buurt van de werf ontgonnen. Als een materiaal als natuursteen van ver moest komen ging de koper het vaak ter plaatse selecteren. De ambachten en gilden beheersten dit bouwproces volledig, van de productie van materialen, over het ontwerp, tot de uitvoering. De opkomende industrie maakte echter een einde aan hun dominantie. Een groeiende markt liet toe om voor een nog onbekend publiek te produceren. Tegelijk veranderde de werkorganisatie: de productie van materialen werd opgedeeld in kleinere, gestandaardiseerde taken. Werven werden hiërarchisch georganiseerd, met een ingenieur aan het hoofd van een leger arbeiders. Dit alles leidde tot de standaardisering van materialen en producten. Zo was er al vroeg een internationale industriële standaard voor schroefdraad. Het boek schetst het hele verhaal aan de hand van treffende voorbeelden.

Hierna gaat het boek een meer speculatieve toer op. Rotor stelt dat de uitkomst van dit proces in de 20e eeuw het fantasma was van de ‘industriële productie van huizen aan de lopende band’. De industrialisering van werven lukte echter zelden volledig, ondanks nieuwe technologie en management technieken. Het lukte daarentegen wel om bouwelementen quasi volledig in de fabriek samen te stellen, zodat de montage op de werf slechts een peulschil werd. Zo verkocht het Amerikaanse postorderbedrijf Sears, Roebuck & C° tot in de jaren 1940 zelfbouwhuizen die de kopers zelf in enkele dagen konden monteren. Het Japanse bedrijf Sekisui ging nog een stap verder met geprefabriceerde huizen die op een dag gemonteerd worden. Sterker nog: de klant kan dat huis terug inleveren bij de leverancier bij aankoop van een nieuw model. Het principe is nagenoeg identiek aan dat van een autoconstructeur die een wagen terugneemt bij aankoop van een nieuwe wagen, en de oude dan zelf, na nazicht, demonteert of verder verkoopt.

Daar zit, net als bij auto’s, ook het probleem van dit soort prefabricage. Op het eerste gezicht stimuleert het hergebruik. De firma Sekisui levert zijn huizen zelfs met een onderhoudscontract. Ze hebben er dus belang bij om hun huizen duurzaam en stevig te bouwen. Doorgaans is bij dit soort prefabricatie echter het omgekeerde waar. Net zoals in de automobielindustrie is de druk zeer groot om modellen van woningen snel te vernieuwen om steeds nieuwe klanten te lokken. Daardoor zal ook het aantal bouwelementen en montagesystemen na enige tijd onoverzichtelijk groot worden. Als de producten van verschillende fabrikanten dan bovendien niet compatibel zijn, slaat de herbruikbaarheid van elementen om in zijn tegendeel.

spread uit het besproken boek

Herbruikbaarheid is dus relatief eenvoudig te bereiken op terreinen waar een bepaalde standaard doorgedrukt kan worden. Dat geldt voor kleine, vaak voorkomende elementen, zoals bakstenen of schroeven, maar niet voor complexe, samengestelde elementen waar elke fabrikant een deel van de markt met ‘zijn’ systeem probeert in te palmen. Terwijl de pre-industriële bouwpraktijk dus gemakkelijk hergebruik toeliet blijkt een door consumentisme gedreven industriële bouwmarkt dit juist te bemoeilijken, ondanks een doorgedreven standaardisering en normering van producten, technieken en diensten. Er gaan dan ook stemmen op om terug te keren naar pre-industriële leef- en productievormen. Rotor verwijst bijvoorbeeld naar de architect François Benjamin die in 1972 nog een huis bouwde waar enkel pre-industriële technieken aan te pas kwamen. Een huis dat zou wel paal en perk stellen aan de huidige overconsumptie van materialen, maar of de bevolking zo’n omslag zou aanvaarden is twijfelachtig.

Het is echter ook perfect mogelijk om producten en montagesystemen zo te bedenken dat ze gemakkelijker hergebruikt kunnen worden. Regelgeving en standaardisering spelen daarbij een buitengewoon grote rol. Minstens zo belangrijk is dat over materialen en assemblagewijzen voldoende informatie aanwezig is, zodat men bij een eventuele afbraak precies weet hoe te werk te gaan. Ook daar zal de overheid wellicht een rol moeten spelen door deze informatieplicht wettelijk op te leggen. Tenslotte kan hergebruik op nog een andere manier gestimuleerd worden. Een economie hoeft niet per se op bezit gestoeld te zijn. In plaats van een huis te kopen zou je de functie ‘wonen’ voor een tijd kunnen huren, al dan niet met extra diensten zoals de zorg voor vers bedlinnen en lakens etc. In dat geval heeft de ‘verhuurder’ van de dienst er alle belang bij om, duurzame en herbruikbare producten aan te bieden.

Dergelijke formules lijken echter hoog gegrepen, en zeker niet meteen veralgemeenbaar of haalbaar. Het interessante van het boek is echter dat het zulke ideeën, met hun voor- en nadelen, helder en goed gedocumenteerd en presenteert. Zo evolueert het betoog in de laatste paar hoofdstukken naar een ‘roadmap’ voor een brede toepassing van hergebruik. Hoewel de studie zelf je onderweg vaak genoeg wijst op mogelijke angels en voetklemmen ervan, ben je op het einde helemaal gewonnen voor de zaak van Rotor. Al besef je dat het misschien niet voor morgen is.