Feature —

Gezocht: hoofdstedelijk stadsbouwmeester (m/v, met/zonder witte jas)

JaapJan Berg

Op de avond waarop bekend werd dat een andere hoofdstedelijke vacature na lang beraad was ingevuld, namelijk die van burgemeester, debatteerden diverse betrokkenen en ervaringsdeskundigen over de invulling van de volgende prestigieuze vacature: stadsbouwmeester van Amsterdam. Existentiële vragen werden niet gesteld waardoor het toch weer ging over macht en invloed.

Zuidas, Amsterdam / foto Massimo Catarinella (2011)

Dat men weer een stadsbouwmeester in de hoofdstad gaat aanstellen werd kortgeleden aangekondigd in het nieuwe Amsterdamse coalitieakkoord en vormde de aanleiding voor een verkennend debat over de mogelijke taken en positie van een hoofdstedelijk stadsbouwmeester. De Zuiderkerk was voor de gelegenheid vol gestroomd met belangstellenden en vakgenoten waaronder een aantal ervaringsdeskundigen op het terrein van stadsbouwmeester. Onder hen tenminste vier actieve of gewezen stadsbouwmeesters of stadstedenbouwmeesters én een voormalig rijksbouwmeester. De hoofdstedelijke thuisspelers waren, onder andere, Esther Agricola (directeur van de dienst Ruimte en Kwaliteit die het college gaat adviseren over de verdere invulling van de functie), Eric Luiten, (voorzitter van de twee commissies die ruimtelijke kwaliteit bewaakt), Felix Rottenberg (voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad die het vorige college adviseerde om een stadsbouwmeester aan te stellen) en Ton Schaap (stedenbouwkundige en tussen 2004 en 2013 ook actief als stadsstedenbouwer in Enschede).

Een publiek vol zwaargewichten dus dat geprikkeld was door nieuwsgierigheid, relevante kennis van zaken bezat, of twijfels had over de noodzakelijkheid van de functie. Waarschijnlijk zaten er ook enkele kandidaat stadsbouwmeester in de zaal verstopt die zich gedurende het debat mogelijk wat vertwijfeld afvroegen of zwijgen of meepraten nu de beste strategie was in de aanloop naar hun aanstaande sollicitatie. Twijfel die extra gevoed werd door een wat onwennig begin met een ingetogen, ‘beeldend’ overzicht van kernpunten van de verschillende verkiezingsprogramma’s die uiteindelijk in het collegeakkoord terecht waren gekomen. Gevolgd door nog wat schetsmatige suggesties over de taken en verantwoordelijkheden van een stadsbouwmeester anno 2018.

Dit opzichtig zoeken naar vorm en inhoud leidde in het verloop van de avond tot wat lichte irritatie bij sommigen en vaderlijk bedoelde adviezen door anderen. Zoals bijvoorbeeld architect André van Stigt die op driekwart van de avond vaststelde dat de gevoerde discussie een veel te technisch en daardoor voor hem licht ontwrichtend karakter had. Hij had juist een constructieve avond verwacht waarin de kansen en mogelijkheden van de nieuwe positie voor stad en vakgebied verder zouden worden uitgewerkt. In plaats daarvan was hij getuige van veel omtrekkende bewegingen die de glans van de door het coalitieakkoord geboden kans op architectonische regie van de explosief groeiende hoofdstad op voorhand dreigde te verdoffen.

Buitenstaanders zouden de indruk kunnen krijgen dat de – door een politiek besluit toch wel wat plotseling ontstane – mogelijkheid van het aanstellen van een stadsbouwmeester vooralsnog een licht verdovende en verwarrende conditie onder de hoofdstedelijke vakgenoten veroorzaakt. Het vakgebied hield er eigenlijk geen rekening mee. Niet vreemd je bedenkt dat de laatste Amsterdamse stadsbouwmeester, Christiaan Nielsen, in 1967 stopte om niet te worden opgevolgd. Simpelweg omdat de functie bij die gelegenheid ook werd opgeheven. Eindelijk zou de vakgemeenschap weer erkend worden, haar relevantie voor de samenleving worden bevestigd, en weer een publiek boegbeeld krijgen. Maar, in de tussenliggende vijftig jaar hebben de stad, haar ruimtelijke ordening en de geëtaleerde architectonische kwaliteit het over het geheel genomen ook niet geleden onder het gemis van een stadsbouwmeester. Een constatering die ook door Jeroen de Willigen, functionerend stadsbouwmeester in Groningen, fijntjes in zijn bijdrage werd vastgesteld. De discussie werd dus ook beïnvloed door de licht knagende vraag of er überhaupt wel een stadsbouwmeester nodig is.

Het bevrijdende antwoord op die vraag of beter, de beslissende overtuiging over nut en noodzaak, bleef de hele avond in de Zuiderkerk rondzweven zonder echt te landen. De scherpte en doelgerichtheid van het debat leden er zichtbaar onder. Felix Rottenberg die met ‘zijn’ Kunstraad aan de basis van het idee van een stadsbouwmeester stond, combineerde de inhoud van het eerdere advies van de raad aan het college (1) om ‘een stadsbouwmeester aan te stellen om integraal denken te bevorderen en de kwaliteit van de architectuur te bewaken’ met de stelling dat Amsterdam eigenlijk al over zo’n persoon beschikt, namelijk in de persoon van Eric Luyten in zijn dubbelfunctie als voorzitter van zowel de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK, voorheen Welstand) als de Subcommissie Integrale Ruimtelijke Kwaliteit (SIRK). Waarvan de laatste commissie, sinds begin 2017, de opdracht heeft om ‘in een relatief vroege fase van stedelijke projecten het stadsbestuur te attenderen op en te adviseren over de architectonische, stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische kansen en beperkingen die het initiatief omgeven.’ Hoogstwaarschijnlijk door Rottenberg bedoeld als een spreekwoordelijke steen in de vijver om het debat wat op schudden, zorgde de opmerking vooral voor lichte verbazing. De gewekte indruk dat Luyten de gedoodverfde kandidaat was en dat invulling van de nieuwe functie of uitbreiding van zijn bestaande taken en petit comité besproken ging worden, maakte het er niet bepaald transparanter op.

Gelukkig voor de stad én het debat kregen diezelfde Luyten en Hilde Blank (stadsstedenbouwer Leiden) – ieder vanuit hun verschillende, meervoudige rollen – de gelegenheid om hun visie op het profiel van de functie en de contouren van het mandaat van een stadsbouwmeester te geven. De wens van het kersverse stadsbestuur  dat een stadsbouwmeester vooral een antwoord is op een gevoelde tekortkoming dat de verschillende processen en ontwikkelingen in de stad op een betere wijze naar de burger gecommuniceerd moeten worden, kon zo nog wat aangevuld en genuanceerd worden.

De discussie bewoog zich zo feitelijk rond drie punten of thema’s: de haalbaarheid van de functie, de positie van de stadsbouwmeester in stad en proces, en de sluimerende nostalgie van het ambt van bouwmeester, zoals we dat denken te kennen. In Amsterdam valt dan al snel de naam van Van Eesteren (geen stadsbouwmeester overigens) die symbool is gaan staan voor doortastende, langdurige en consequente stadsuitbreiding.
Maar de processen en de complexiteit waarmee de stad gemaakt wordt is in sommige gevallen en in sommige deelgebieden oneindig veel complexer geworden dan een halve eeuw terug. Daarnaast is de gejaagdheid van bestuurders en het ongeduld van bewoners ook substantieel toegenomen (en/of de middelen om dat ongeduld ongefilterd met iedereen te delen).

De functie van stadsbouwmeester is nooit vanzelfsprekend. Een onderzoek door Architectuur Lokaal in 2009, waar gedurende de avond een aantal maal aan gerefereerd werd, leverde 24 stadsbouwmeesters (of anders benoemde functies van gelijke strekking) op. Feit is dat het merendeel van de steden er niet over beschikt. Naarmate de tijd verstrijkt en de stedelijke ontwikkelingen voortduren en complexer worden groeit de vraag wat de toegevoegde waarde van een herintroductie (nog) kan zijn.

Ton Schaap liet in zijn korte bijdrage merken daar op zijn minst enig voorbehoud bij te hebben. Alhoewel hij ook bekende bij tijd en wijle de invloed of aanwezigheid van een stadsbouwmeester gemist te hebben. Vooral bij de bewaking van een consistent en over een langere periode vol te houden ruimtelijk beleid. De waan van de kortademige, politieke realiteit is immers zo dat ingezette trajecten niet zelden door de waan van het moment worden bijgesteld, aangepast, of erger, worden beëindigd. Schaap noemde de afgeschoten plannen voor groene IJ-oevers als concreet voorbeeld. Onvoldoende ontwerpkennis onder (kort zittende) wethouders en een uitgedund of uitgehold ambtenarenapparaat doen over het algemeen vaak de rest. De vervolgvraag is daarbij wel direct of van de gemiddelde stadsbouwmeester wel verwacht kan worden verandering te kunnen brengen in deze hardnekkige, bestuurlijke en ambtelijke onvolkomenheden. Een goed afgestemde samenwerking met een alerte en goed functionerende en inhoudelijk goed geoutilleerde dienst ruimtelijke ordening lijkt onontbeerlijk.

De integraliteit van stedelijke ontwikkeling en de samenhang van deelgebieden (met elk een gebiedsregisseur of supervisor) lijdt ondertussen (soms zichtbaar) onder de huidige praktijk van lokaal ruimtelijk beleid. Symptomen als stress en onbegrip -zeker bij bewoners en ander niet vakinhoudelijk publiek – liggen dan op de loer. Zoals recentelijk ook weer bleek bij de Amsterdamse plannen voor de Sluisbuurt. Dat manco, en vooral een goede communicatie over de samenhang, is ook de motivatie van de Kunstraad en het nieuwe bestuurscollege: de stadsbouwmeester in een rol van geruststellende verbindingsofficier en aanspreekpunt voor alle betrokken partijen.
Blank spiegelde de zaal vooral een invulling voor die leidt tot een betere samenhang van planvorming, het verbinden van partijen (zowel markt als publiek) én een procesgang waarbij met kennis en gezag (mee-)gewerkt, -gedacht en -geadviseerd wordt richting realisatie. Een zo onafhankelijk mogelijke stadsbouwmeester dus, met een duidelijke focus, die overzicht en (indien nodig) distantie kan behouden. Ongeacht of dit de verantwoordelijk wethouder, de afdeling Ruimte en Duurzaamheid of een joelend zaaltje opstandige burgers betreft. Een persoon die gedurende een langere periode op een dwingende (overtuigende) en gezaghebbende wijze aan de integraliteit van ruimtelijke ontwikkeling van stad en regio werkt, zonder daarbij opgezadeld te worden met politieke en publieke verwachtingen overal een antwoord op te hebben of te zijn. Een verbindingsofficier dus, maar dan wel voorzien van een naar eigen believen te activeren teflon laag.

Bij al deze afwegingen en afbakeningen, die ook na de licht teleurstellende avond in de Zuiderkerk zullen blijven gisten, blijft een ding zeker: er gaat een hoofdstedelijk stadsbouwmeester komen. Het is vanuit het perspectief van de stad, maar vooral omwille van een vruchtbare en inhoudelijke samenspraak, én de voortdurende toetsing van functie en effectiviteit, van essentieel belang dat het vakgebied de aan te stellen bouwmeester goed in het vizier krijgt en ook houdt. Desnoods door hem of haar een witte jas aan te meten.