Recensie —

Vrije Ruimte

Tim Peeters

La Biennale di Venezia 2018, gecureerd door Yvonne Farrell en Shelley McNamara van het Ierse Grafton Architects, hangt als los zand aan elkaar. Maar dat hoeft geen probleem te zijn: de onder de cryptische paraplu van Freespace bijeengedreven projecten vormen een onderhoudend en gevarieerd overzicht van een hoek van het werkveld waar de lengte van de adem die van de gemiddelde trend ruimschoots overstijgt.

Dreams and Promises / Atelier Peter Zumthor, 2018 – foto Italo Rondinella

Er is door curatoren Farrell en McNamara gekozen voor een invalshoek waarin ruimschoots aandacht is voor zorgvuldig ontwerp, voor architecture pour l’architecture, voor de ontastbare meerwaarde van goede architectonische ruimte. Daar wordt echter wel een prijs voor betaald: door haar opzet levert de tentoonstelling het vermogen om belangrijke maatschappelijke thema’s te adresseren in. Dat heeft een bij vlagen zorgwekkend gebrek aan relevantie tot gevolg. Bovendien moet de bezoeker veel zelf invullen voordat een fatsoenlijke notie van het begrip Freespace uit het tentoongestelde kan worden gedestilleerd.

Wie naar Venetië loopt of rijdt gaat over de Via della Libertà, een kaarsrechte navelstreng die de stad met het vasteland verbindt. De aanleg ervan moet een onwerkelijke ervaring zijn geweest voor de bewoners van het eiland-dat-plots-geen-eiland-meer-was. Zou de nieuwe verbinding als een bevrijding hebben gevoeld? Aan het eind van de weg waken soldaten met zonnebrillen, machinegeweren en pantservoertuigen over de colonnes scooters, treinenstellen, taxi’s en bussen die hun bestuurders en passagiers in de stad uitspugen.

Dat de Gouden Leeuw wordt uitgereikt aan een set voor-en-na-foto’s van een project van Eduardo Souto de Moura spreekt boekdelen: de transformatie van een oud en vervallen klooster in een hotel is op de gepresenteerde beelden van het exterieur vrijwel onzichtbaar. Dat is precies de bedoeling van deze verder contextloze inzending: de zoek-de-verschillen-dyptiek viert de bijna-afwezigheid van de moderne ingreep nadrukkelijk. Deze drang naar een Niets, perfect samengevat in het door de curatoren aangehaalde ‘an architect should make as much nothing as possible’ van Alejandro de la Sota, domineert de tentoonstelling in de Arsenale en klotst in, bijvoorbeeld, het Britse paviljoen tegen de schoongekrabde plinten. Laat het duidelijk zijn: dit is een biënnale van een poëtisch minimalisme, van zo min en zo klein en zo voorzichtig mogelijk. Van metafysische en naar binnen gekeerde overpeinzing. Freespace, lijkt te worden geïmpliceerd, kenmerkt zich vooral door het minimaliseren van fysieke architectonische uitspraken en het zo veel mogelijk vermijden van stellingnames die het architectonische object kunnen compromitteren. Dit laatste lijkt deels te zijn ingegeven door een onvermogen om te gaan met de complexe en pluriforme wereld buiten de hekken van het festivalterrein.

Vol de Jour / Souto Moura / Arquitectos, 2018 – foto Francesco Galli

Als je afgaat op de reeks lauwwarme recensies en kritische commentaren die de afgelopen weken is verschenen—Aaron Betsky is het hele gebeuren in het vliegtuig terug eigenlijk alweer vergeten, notoir biënnale-criticus Patrik Schumacher mist de architectuur in de landenpaviljoens, volgens Winy Maas ontbreekt juist de verbinding met stedenbouw en de stedenbouwkundige schaal—lijkt het alsof er op deze editie niets te beleven valt. Er lijkt weinig te zijn geslaagd, op de breed geprezen maar vooral anekdotische herontdekking van een door Carlo Scarpa ontworpen deur in het centrale paviljoen na.

Hoewel het waar is dat de voor-ieder-wat-wils-uitstalling in de Arsenale uitblinkt in onschadelijkheid en daarom snel van het netvlies vervliegt, mag er niet worden voorbijgegaan aan de kwaliteit van een (behoorlijk) aantal van de tentoongestelde objecten en ontwerpen. Freespace is als thema absoluut te verwarrend en te vaag  om voor een voldoende stevige rode draad te zorgen, maar heeft desalniettemin de beste zweverigheid in een aantal architecten naar boven gehaald. Er zijn esoterische vormstudies (Alvaro Siza, de schitterend tactiele modellen van Peter Zumthor), er is tot de essentie gereduceerde architectonische massa (Sanaa, Toyo Ito) en er zijn spaarzame pogingen tot dialoog en multidisciplinariteit (de landenpaviljoens van België en Nederland). Niet toevallig zijn ook religie en spiritualiteit nadrukkelijk aanwezig: Vaticaanstad heeft tien prachtige kapelletjes (ontworpen door evenzovele ontwerpers) uitgestrooid in een tuin, het paviljoen van Bahrein is een reflectie op het Islamitische vrijdagmiddaggebed, en er is een veelvoud aan installaties die zwaar leunen op een metafysisch-spirituele component.

Alleen zittend op de rand van de kade is het mogelijk om te ontsnappen aan de oneindige stroom toeristen op de Riva degli Schiavoni.  De bries vanaf het water verlicht de hitte. Er deinen grote bossen wier in het water rondom de meerpalen en aanlegsteigers. Vanachter de palazzo’s op de kade in de verte doemt traag, begeleid door bijna tedere aansporingen van een drietal sleepbootjes, een blinkend wit cruiseschip met het formaat van een flatgebouw op. Plots voelt de stad pieterpeuterig aan.

De belangrijkste prestatie van deze biënnale is het herbevestigen van het belang van het creëren van emotieve ruimte, iets waarvan af en toe wordt vergeten dat het tot de kerntaken van architecten (en stedenbouwkundigen) behoort. Zo bezien is het verleidelijk Freespace te lezen als een welkome terugkeer naar kunstzinnigheid en poëzie in de architectuur na een aantal geëngageerde maar daardoor ook prozaïsche edities. Daar staat er anno 2018 echter te veel voor op het spel en is het in de tentoonstelling opgebouwde narratief te kwetsbaar. Geloven in de beloften van de gepresenteerde definitie van Freespace betekent namelijk ook geloven in de mythe van architectuur als een autonome discipline, min of meer afgesloten van politieke, technologische en morele ontwikkelingen in de maatschappij. Dat is, in ieder geval buiten de bescherming van de hekken van de Giardini en de muren van de Arsenale, uiteraard onhoudbaar. Alleen al het begeleidende schrijven bij het Cruising Pavilion, een helaas op 1 juli al beëindigde expositie elders in Venetië, prikt in iets meer dan driehonderd meedogenloos kritische woorden bovenstaande mythe door. Door de per definitie ongelijkwaardige natuur van (de productie van) stedelijke ruimte ter sprake te brengen geeft het manifest de definitie van freespace een lading mee die, zo wordt terecht geconcludeerd, niet ongestraft kan worden genegeerd. Het geeft te denken: misschien ligt de daadwerkelijke freespace buiten de terreinen van de biënnale en kan de manifestatie niet los van de niet-manifestatie eromheen worden bekeken.

Installatie van Dorte Mandrup – foto Tim Peeters

Daarnaast is daar de grondvorm van de biënnale zelf. Zowel de afgesloten Giardini—de hortus conclusus als symbool voor Maria’s geborgde reinheid—als de Arsenale—geboortegrond van het military-industrial complex—zijn prototypische vertrekpunten voor een beschouwing van het thema Freespace. Architectuur en stedenbouwbouw zijn per definitie disciplines van scheiden en definiëren, van het aanbrengen van een ruimtelijke en, als gevolg daarvan, ideologische hiërarchie. Want wat is freespace zonder “unfreespace”, of “lessfreespace”, om zich van te onderscheiden?

In de arctische installatie van Dorte Mandrup wekken afgeronde aansluitingen tussen spierwitte muren, de vloer en het plafond de illusie van oneindige ruimte. Er stijgt witte mist op uit de vloer. Het licht schuift nauwelijks merkbaar van wit naar lichtblauw. As much nothing as possible. Behalve – in de achterwand is een smal en hoog deurtje uitgezaagd. Door de gekromde ruimtevorm zit er een vreemde, ongemakkelijke kronkel in. Zelfs oneindigheid heeft een nooduitgang.

De biënnale laat zich, hoe schitterend voorzichtig ze ook is in de behandeling van spiritualiteit en minimalisme, te weinig verleiden tot actief engagement met de keerzijden van het gekozen thema, terwijl een bewuste adressering van de complexiteit—ongelijkheid, uitsluiting, unfreespace—van architectonische ingrepen van groot belang is voor hun functioneren. Vertrekpunten voor een reflectie op de consequenties van freespace zijn echter zowel in de fysieke grondvorm van de manifestatie als in een aantal landenpaviljoens te vinden. Daarnaast verzorgt de buitenwereld direct en indirect—respectievelijk het Cruising Pavilion en stad Venetië zelf—commentaar bij de tentoonstelling. Waar eerdere edities het engagement actief opzochten wordt het contextualiseren deze keer eigenlijk aan de bezoeker zelf overgelaten. Dat is, mits die bezoeker bereid is wat denkwerk te verrichten en niet vergeet af en toe een half uurtje op een trappetje aan een kanaaltje te gaan zitten, eigenlijk best een prima model.