Recensie —

De rechtvaardige stad

Tijs van den Boomen

Simon Franke en Wouter Veldhuis zijn de eersten om toe te geven dat ‘de rechtvaardige stad’ lastig te definiëren is en bovendien nogal pretentieus. Toch kozen ze ervoor de term te handhaven waarmee ze medio vorig jaar begonnen aan hun verkenning van de vraag hoe de stedenbouw moet reageren op de economisering van de ruimte.

Kaart van Utopia, ca. 1595 / Abraham Ortelius / bron Wikimedia Commons

Niet alleen is de rechtvaardige stad een prikkelende term, die als vanzelf leidt tot debat – rechtvaardig voor wie? –, het dwingt stedenbouwers om na te denken over de manier waarop ze invulling geven aan hun vak. Zijn stedenbouwers alleen cultuurvolgend – u stelt de randvoorwaarden, wij ontwerpen daar de meest geschikte stad bij –, of is het hun taak om, net als vroeger, zelf ‘situaties’ te creëren. Aan het slot van hun essay Verkenning van de rechtvaardige stad stellen Franke en Veldhuis de retorische vraag: ‘Is het niet ook vakmanschap om onjuiste regels te bestrijden en zou de stedenbouw niet juist het voortouw moeten hebben in de publieke discussie over zo’n onderwerp?’

Het essay maakt de tussentijdse balans op van het project De rechtvaardige stad, dat Franke en Veldhuis met steun van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie uitvoeren. In deze eerste ronde verkennen ze het veld aan de hand van gesprekken met 21 deskundigen, variërend van socioloog Arnold Reijndorp tot economisch geograaf Oedzge Atzema en specialist grondzaken Annius Hoornstra. En ze lezen zich in met boeken als Building and Dwellling. Ethics for the City van Richard Sennett, de uitstekende politiek-economische analyses in De Groene Amsterdammer van Mirjam de Rijk en The New Urban Crisis, waarin Richard Florida op zijn schreden terugkeert en de ontwrichting beschrijft die je krijgt als je de creatieve klasse heilig verklaart. En soms verwijzen ze alleen naar de titel, want ze geven eerlijk toe dat de zeshonderd bladzijden van Een theorie van rechtvaardigheid van John Rawls nog even moeten wachten op lezing.

Het resultaat is een uitgesproken politiek essay over gentrificatie, speculatie en uitsluiting, dat pleit voor herwaardering van het maatschappelijk middenveld en voor het terugdringen van de markteconomie ten gunste van de fundamentele economie, een letterlijke vertaling van de Engelse term foundational economy. Hiermee worden de goederen en diensten aangeduid die de sociale en materiële infrastructuur van de beschaafde samenleving schragen, van internetaansluitingen tot onderwijs en van grond tot gezondheidszorg. Mijns inziens is dat een wat ongelukkig term: publieke of collectieve economie dekt de lading beter.

Hoewel Franke en Veldhuis fundamentele systeemkritiek bedrijven, is het toch een opvallend uitgewogen betoog geworden, en dat is vooral te danken aan het feit dat de auteurs zich al decennia intensief met de stad in breedste zin bezighouden en daardoor een scherp oog hebben voor de complexiteit en gelaagdheid ervan. Dus voorzien ze hun pleidooi voor herwaardering van corporaties van de terechte kanttekening dat die van oudsher gesloten bolwerken vormen: de armen en nieuwkomers moesten het in de twintigste eeuw juist vooral hebben van de onderkant van de particuliere huurmarkt. Veelbelovend vinden ze het dat sommige corporaties experimenteren met mixen, bijvoorbeeld van jonge alleenstaande statushouders, starters en studenten (Startblok Riekerhaven in Amsterdam), en van studentenwoningen, sociale huur en onzelfstandige woningen met gedeelde voorzieningen (project Lieven, eveneens in Amsterdam).

Bij de vaak bejubelde bottom-up zelfbouw tekenen ze aan dat die vooral ten goede komt aan mensen die toch al heel goed voor zichzelf kunnen opkomen. Meer hoop vestigen ze op het recent opgerichte Rotterdamse Woongenootschap, dat streeft naar ‘nieuwe vormen van collectief eigendom, in combinatie met individueel gebruik.’

De nuance blijkt ook bij de passages over segregatie. Franke en Veldhuis vermijden de makkelijk reflex dat segregatie altijd slecht is en dat diversiteit en inclusiviteit dus te allen tijde moeten prevaleren. Een stad is gebaat bij goedkope woonruimte, stellen ze, bovendien maken de hoge grondopbrengsten en onroerendezaakbelastingen in een deel van de stad financiële ondersteuning van de arme wijken mogelijk. Bovendien wantrouwen ze het argument dat men­ging armere stadsbewoners optrekt: dat is ‘in de statistiek overtuigender dan op straat’. In hun essay noemen ze de recente WRR-verkenning De nieuwe verscheidenheid niet; daaruit blijkt dat diversiteit op buurtniveau bovendien leidt tot afname van sociale cohesie.

Dat alles neemt niet weg dat menging volgens Franke en Veldhuis wel degelijk gewenst is, maar hoe en op welke schaal, dát is een van de vragen die ze in het vervolg van hun project De rechtvaardige stad willen beantwoorden. Essentieel is daarbij in ieder geval een goed ov-systeem, dat zorgt dat mensen met weinig geld snel en goedkoop naar hun werk en naar andere delen van de stad kunnen komen, want het zijn paradoxaal genoeg juist de rijken die het zich momenteel kunnen permitteren om de auto aan de kant te doen.

Ook de markteconomie zien de auteurs niet per definitie als vijand van de stedelijke ontwikkeling: investeerders zoals pensioenfondsen kunnen heel goed bondgenoten zijn. Maar dan moeten ze hun beleggingen in vastgoed niet, zoals de afgelopen decennia is gebeurd, onderbrengen in vastgoedmaatschappijen die ze vervolgens louter beoordelen op hun rendementen, maar weer net als vroeger direct in stenen, want juist dan kunnen ze meedenken over (re)combinatie van functies, taken en geldstromen. Beheer kan bijvoorbeeld een krachtige motor zijn om ‘ruimtelijke en economische ontwikkeling in balans te brengen met sociaal-culturele doelstellingen’.

Franke en Veldhuis formuleren twee concrete cases waarin stedenbouwers nu al hun tanden zouden moeten zetten. De eerste ontlenen ze aan het onderzoek dat Mark Brearly deed naar de High Streets van Londen, die slechts 3,6 procent van de straten uitmaken, maar buiten het centrum wel meer dan de helft van de banen herbergen. Mooi zijn ze niet, wel uitermate vitaal. En juist aan zulke straten ontbreekt het in Nederland, mede door de preoccupatie van stedenbouw met schoonheid, representatie en identiteit. En dat leidt tot het tegenovergestelde van de High Streets, namelijk mooie straten die het ondernemerselan van buurtbewoners beknotten. In de termen van Richard Sennett: de cité (de geleefde stad) wordt ondergeschikt gemaakt aan de ville (de geplande stad). Sennetts pleidooi om het ontwerpen van identiteit dan maar helemaal bij het grof vuil te zetten, gaat Franke en Veldhuis te ver, maar ze vinden wel dat de reeds aanwezige kwaliteiten en identiteiten het uitgangspunt moeten zijn, en niet een of ander statisch eindbeeld. Kortom: minder vorm, meer flexibiliteit en programma.

Het tweede speerpunt is het systeem van ‘residuele grondprijzen’, waarmee Nederlandse steden ontwikkelingen kunnen maken of breken. Te vaak is maximalisatie van de grondopbrengst het doel, waardoor niet-rendabele maatschappelijke en culturele voorzieningen moeten wijken voor zoveel mogelijk koopwoningen. Dat is echter geenszins een wet van Meden en Perzen: gemeentes kunnen, als ze dat willen, best een actieve grondpolitiek voeren. En ook stedenbouwers hebben speelruimte, bijvoorbeeld door slim overmaat in hun ontwerpen te smokkelen, waardoor de stad kan blijven ademen. Bijvoorbeeld door maatschappelijk voorzieningen op ruime kavels te plaatsen, of door bouwblokken zo diep te maken dat er later op de binnenterreinen nog kan worden verdicht.

Overigens zouden gemeentes naast de grondprijs ook naar andere financiële instrumenten kunnen zoeken. Zo moedigde de OECD, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Amsterdam vorig jaar aan om ruimtelijke ontwikkelingen meer langs fiscale weg te sturen. Franke en Veldhuis willen ook dit potentieel verder uitwerken in het vervolg van hun project.

Dat je lokaal echt wel macht hebt om de macht van het flitskapitaal te beteugelen, laten de recente prijsdalingen voor huizen in Londen, Stockholm, Sydney en Toronto zien.[1] Steeds blijken financiële regels het verschil te maken, zo zette in Londen de verhoging van de overdrachtsbelasting op tweede huizen een rem op de buy-to-let-markt en maakte op die manier een einde aan een vijf jaar durende rally van prijsstijgingen.

Zoiets lijkt me voor Amsterdam, waar de prijzen momenteel nog sneller stijgen dan in Londen, ook een goede zaak. Dat een stad zoiets niet zonder toestemming van de nationale overheid kan doen, is geen reden om niet de mazen in de wet te zoeken. Waarom bijvoorbeeld niet een extra lokale belasting instellen die de gewone overdrachtsbelasting volgt? Maar misschien komen Franke en Veldhuis in hun vervolgstudie wel met een veel elegantere oplossing. Ik kijk ernaar uit.