Feature —

De lessen van de crisis: de architect als stoicijn

Andrea Prins

De magere jaren lijken tot het verleden te behoren. Er wordt weer volop gepland en gebouwd. Gewoon back to business of is het krachtenveld van ruimtelijk ontwerpers fundamenteel veranderd? Wat is hun speelveld? Welke rollen eigenen zij zich toe? En welke kansen biedt dit voor de toekomst? Deel vier van deze reeks: een gesprek met Lilith van Assem, Elsbeth Ronner en Madeleine Mans van Lilith Ronner van Hooijdonk.

Op kantoor bij Lilith Ronner van Hooijdonk / foto Petra van der Ree

Een langwerpige werktafel, veel boeken en een in de wandafwerking geïntegreerde houten zitbank: dat is de materiële kant van het bureau Lilith Ronner van Hooijdonk. Door de geopende dakramen van het pand op de historische Voorhaven in Rotterdam-Delfshaven hoor je de dagelijkse geluiden van de wijk: gespreksflarden en brommers. Het gerestaureerde rijksmonument delen de architecten met 20 andere bedrijven; in tegenstelling tot hun vroegere plek in het Schieblock hebben ze nu wel een eigen ruimte. “Als je zoals ik de hele dag op pad bent, heb je daarna echt een rustige ruimte nodig”, zegt Elsbeth Ronner (1984). Die rust lijkt betrekkelijk. Als ik binnenkom voor mijn afspraak, zijn twee van de drie architecten nog in geëngageerde telefoongesprekken verwikkelt.

Het bureau Lilith Ronner van Hooijdonk bestaat sinds 2010. Het eerste driekwart jaar liep soepel: kleine opdrachten voor de openbare ruimte en deelname aan de “Studio for Unsolicited Architecture”. Het toenmalige NAi (nu HNI) en de Fonds BKVB (nu Mondriaan Fonds) nodigden met dit initiatief ontwerpers uit om opnieuw na te denken over de publieke ruimte en over zelf geïnitieerde projecten als werkpraktijk. Ik oogst lichtelijke verbazing als ik Lilith van Assem (1980) en Ronner vraag hoe ze hun net beginnend bureau in de crisis overeind wisten te houden. “De crisis was voor ons eigenlijk geen verandering. We waren niet gewend aan de vette jaren negentig,” zegt Van Assem. Ronner: “We verwachtten niet dat morgen de telefoon gaat en weer een opdrachtgever belt. We moesten leuren met onze ideeën. Om dit vol te houden, heb je een Stoïcijnse instelling nodig. Je moet je niets aantrekken van de situatie.” Deze werkwijze is tot nu toe niet wezenlijk veranderd. De architecten initiëren zelf projecten in de openbare ruimte. Om in bedrijfskundige termen te spreken: een aanbodgerichte benadering van het vak.

Architectuur als cultureel project
Learning-by-doing zou je hun werkwijze kunnen noemen. Hoe deze praktijk zich ontwikkelt, is goed te zien aan het project Herbergen, een serie van tijdelijke paviljoens. Het project begon  in Bergen (Noord-Holland) en verplaatste zich naar het boerenland in de Noordoostpolder. Toen de architecten het eerste paviljoen in 2010 weer afbraken, realiseerden ze zich de hoeveelheid geproduceerd afval. De volgende editie bouwden ze met her te gebruiken materialen, maar het paviljoen zelf stootte op weerstand bij de lokale bevolking. Sindsdien worden de paviljoens samen met buurtbewoners gebouwd: het bouwen en gebruiken van ruimte als gemeenschappelijke daad. Inmiddels zijn hun activiteiten gespreid: nieuwbouw- en renovatieprojecten voor particulieren, publiceren van reflecterende vakartikelen en toegankelijke radiopodcasts, en gastdocentschappen. Hun opdrachten verwerven de architecten via open en uitgenodigde prijsvragen in Nederland en België en via gesubsidieerde Open Oproepen. Particuliere opdrachtgevers weten het bureau via persoonlijke contacten te vinden.

Op kantoor bij Lilith Ronner van Hooijdonk / foto Petra van der Ree

Welke rol spelen de verschillende activiteiten in het verdienmodel? “Het lesgeven zien we als een onderstroom, niet als middel om het bureau te financieren,” zegt Van Assem. De diversiteit aan activiteiten zorgt na acht jaar voor een stabiele basis. Een sterkere vraaggerichtheid zou waarschijnlijk de omzet verhogen, licht Van Assem toe. Toch is dat niet de prioriteit. “We gaan voor de interessante opdrachten en snijden daarmee economisch gezien wel eens in onze eigen vingers”, zegt Ronner.

“Sinds de crisis stuurt men er in Nederland vooral op aan dat architectuur een antwoord moet geven op de grote vraagstukken, zoals klimaatverandering of sociale problematieken. Dit gebeurt van hoog tot laag, door het beleid en door de ontwerpers zelf” zegt Ronner. Dit zien de architecten als een verarming van de ontwerpcultuur. Zeker moet architectuur deze vraagstellingen óók adresseren maar voor Lilith Ronner van Hooijdonk is architectuur in eerste instantie een cultureel product. Aspecten hiervan zijn de sociaal-culturele context van een project, de tactiliteit van materialen en een theoretisch denkkader. Ronner: “We zijn geïnteresseerd in de culturele lading van gebouwen.”

De interne rolverdeling is gaandeweg ontstaan door persoonlijke fascinaties en de opbouw van specifieke kennis en kunde. Zo is Ronner vooral gericht op theorie en reflectie en Van Assem op materialisatie en bouwen. Het oorspronkelijke derde directielid Lieke van Hooijdonk is productontwerper en architect. Madeleine Mans (1990) is afgestudeerd als Cultureel Wetenschapper voordat ze met haar studie aan de Rotterdamse Academie van Bouwkunst begon. Van Assem: “Blijkbaar hebben we een hang naar mensen die een breder profiel hebben.” Het bureau kent geen management structuur, daarvoor is het ook te klein. Van Assem en Ronner zetten de inhoudelijke en financiële koers uit. Ontwerpbeslissingen worden met z’n drieën genomen. Mans heeft naar eigen zeggen ook inzicht in de financiële aspecten. Deze transparantie ten opzichte van een medewerker is niet vanzelfsprekend, weet ik uit eigen ervaring.

Op kantoor bij Lilith Ronner van Hooijdonk / foto Petra van der Ree

Verhaal en experiment
‘Verhalen’ luidt het kopje op de website van Lilith Ronner van Hooijdonk waaronder de projecten geschaard zijn. Welke betekenis heeft ‘het verhaal’ in hun praktijk? De architecten willen mensen op verschillende manieren aanspreken: intellectueel, informatief én gevoelsmatig, zowel leken als vakgenoten. De verhalen moeten begrijpelijk zijn – maar niet oppervlakkig. Het woord krijgt zo een beslissende plaats naast de nu op verleidelijke beelden gerichte architectenpraktijk.

Het experiment is een bewust ingezette werkmethode, geen doel op zich. Voorbeelden van deze experimentele praktijk zijn gebouwen zoals de paviljoens Herbergen, podcasts en de theorievorming. Volgens Mans zijn het “voor jezelf georganiseerde oefeningen”, om continu te reflecteren op de eigen praktijk en daardoor het uiteindelijke doel te bereiken: het maken van “gelaagde architectuur”. Met dit begrip zet Lilith Ronner van Hooijdonk zich af tegen de huidige architectenpraktijk, zoals zij die ervaren. De architecten willen een verandering in perceptie teweegbrengen, bij gebruikers en – via hun werkmethode – ook bij zichzelf.

Omdat de architecten hun projecten zelf initieerden, is hun praktijk divers. De diversiteit zorgt nu voor stabiliteit, maar er schuilt ook het gevaar van teveel verbreding, legt Van Assem uit. Daarom wil het bureau in de toekomst meer dan nu focussen op het bouwen en gelijktijdig inzetten op schaalvergroting. De architecten denken aan projectmatige woningbouw, gevoed door de ervaringen die ze met het realiseren van een woonhuis voor drie generaties opgedaan hebben. Maar het belangrijkste is onverstoorbaar je eigen weg blijven gaan. Van Assem: “Je werk continu bevragen en jezelf verder ontwikkelen. Dit is iets wat nooit stopt.”

Op kantoor bij Lilith Ronner van Hooijdonk / foto Petra van der Ree

Lilith Ronner van Hooijdonk, de feiten:
2010: oprichting van het bureau

Aantal medewerkers 2010: –
Aantal medewerkers 2018: 1
Aantal directieleden 2010: 3
Aantal directieleden 2018: 2

Hét hoofdaandachtsgebied 2010:
Startpunt: de notie van verarming van de architectuur door de gerichtheid op beeld en oplossingsgerichtheid; geen van te voren bedachte bureaustrategie.
Hét hoofdaandachtsgebied 2018:
De gelaagdheid van de architectuurervaring: het aanspreken van mensen op intellectueel en gevoelsmatig niveau.