Recensie —

Dit is een Mosterdfabriek: Hoe smaakt architectuur in Vlaanderen?

Gitte Van den Bergh

Dit is een Mosterdfabriek, het 13de Architectuurboek Vlaanderen, weerspiegelt de zoektocht naar projecten, op welke schaal ook, die meer doen dan enkel hun functie vervullen en de betekenis van architectuur op elk vlak uitdragen.

Mosterdfabriek Camp’s, Oudenaarde / ontwerp Dhooghe Meganck Architectuur / foto Frederik Vercruysse
(afbeelding uit het besproken boek)

“Welke architectuurliefhebber vraagt zich tijdens het vullen van zijn winkelkar af in wat voor gebouwen deze levensmiddelen geproduceerd worden (…) en of de arbeiders af en toe ook eens een blik uit het raam kunnen werpen?” Deze vraag stelt Birgit Cleppe in haar essay Nutteloze architectuur, één van de bijdrages aan het 13de Architectuurboek Vlaanderen. Hiermee zet ze de toon voor het boek.

De Mosterdfabriek van Dhooge en Meganck Architecten verdiende haar rol als voorpaginaverhaal niet zomaar. Cleppe haalt de fabriek nabij Oudenaarde aan als één van vier projecten uit de utiliteitsbouw die zijn puur utilitaire karakter overstijgt en architectuur maakt daar waar er doorgaans enkel functionaliteit wordt verwacht. De gevel van de fabriek is doorspekt met monumentale ingrepen en referenties aan archetypes die niet alleen een leuk plaatje opleveren, maar eveneens een cruciale rol spelen bij de interne werking. Het project doorbreekt daarmee de algemeen geldende standaard voor het maken van fabrieksgebouwen, of zoals Cleppe het stelt: ‘Het quasi eindeloos gevarieerde assortiment merken en producten in de supermarkt is omgekeerd evenredig met de inwisselbaarheid van de gestandaardiseerde industriebouw van de fabrieksgebouwen die de architectuurliefhebber zich daar, on the spot, in de afdeling condimenten voor de geest kan halen’.

De uitspraak van Cleppe blijkt representatief voor de opvatting de andere auteurs in het Architectuurboek. Waar de vorige editie voornamelijk gericht was op de bijdrage van architectuur aan de samenleving via projecten met een sociale insteek of meervoudig gebruikte ruimte, ligt de focus van het redactieteam dit jaar op “projecten die verder durven te gaan dan de loutere economische dimensie van stadsontwikkeling en bouwen”. Betekenisvolle projecten zoals woonzorgcentra, scholen, bibliotheken enz. die goede architectuur in Vlaanderen en Brussel vertegenwoordigen, en dat binnen een veelheid aan grootstedelijke projecten voor kantoor- en woningbouw van bedenkelijke kwaliteit. Daarmee is het een kritische  ‘niche’, zoals ook in de intro wordt erkend door hoofdredactrice Sofie De Caigny. De gloednieuwe directrice van het Vlaams Architectuurinstituut neemt de fakkel over van Christoph Grafe (deze laatste schreef nog wel twee essays). Samen met het redactieteam stond De Caigny voor de uitdaging om maar liefst 400 inzendingen te herleiden tot 44 projecten, representatief voor de kritische positie van de redactie en de marktmechanismen die ze wil blootleggen.

Centres for Traditional Music, Al-Muharraq (Bahrein) / ontwerp OFFICE Kersten Geers David Van Severen  / foto Bas Princen
(afbeelding uit het besproken boek)

In het eerste deel van het boek worden 23 projecten voorgesteld aan de hand van schetsen, plannen, doorsnedes, foto’s en een korte inleiding. Het tweede deel bevat tien essays waarin 21 andere, of soms dezelfde, projecten aan bod komen, overzichtelijk te traceren via een openklapbaar mapje en overzichtslijst in de omslag.De essays halen elk op hun manier thema’s aan die architectuur vandaag bepalen, vaak gestaafd met de nodige historische referenties die de evoluties kaderen in een groter geheel. Jan Vermeulen benoemt in Grossform en huiselijkheid – over vormen van collectiviteit in de nevelstad hoe de meest voorkomende woonzorgcentra het gevolg zijn van een businessmodel, een louter economisch mechanisme dat erop gericht is zo efficiënt mogelijk grootschalige projecten te creëren, waarbij het concept architectuur vervaagt. Met vier projecten, waaronder dat van Korteknie Stuhlmacher Architecten in Machelen, toont Vermeulen aan hoe de in het Architectuurboek gepubliceerde collectieve woonprojecten andere vormen van huiselijkheid durven onderzoeken en de nadruk leggen op de interne relatie, maar ook de relatie met de omgeving.
In lijn van deze ‘strijd tegen inwisselbare rusthuisarchitectuur’ zet Rajesh Heyninckx in een zorgvuldig opgebouwde redenering uiteen hoe de analyse van micro-elementen een oplossing kan bieden. Detaillering, hoewel ze vaak gezien wordt als een puur technisch gegeven, wordt ingezet als middel om het grotere verhaal achter de ontwerpvisie duidelijk te maken.

Pieter Uyttenhove trekt in zijn bijdrage alle registers open om de context van het singuliere project te verlaten. Hij vertrekt van een geanimeerde weergave van de felle kritieken die ‘De Krook’, de nieuwe bibliotheek van Coussée en Goris architecten i.s.m. RCR Architectes , te verduren kreeg. Ondersteund door een helder stadsplan van het kunstenkwartier in Gent met een overzicht van collecties en culturele gebouwen, biedt zijn uiteenzetting het in de kritieken ontbrekende inzicht in de positie van De Krook als nieuwe stedelijke trekker in een ‘achtergelegen buurt’. Dit gegeven plaatst hij bovendien in een overkoepelende reflectie op het functioneren van bibliotheken in de steeds verder digitaliserende maatschappij.

MAD, Brussel / ontwerp Rotor en Vplus / foto M. Delvaux
(afbeelding uit het besproken boek)

De essays bevestigen elk vanuit een andere invalshoek, de positie die het Architectuurboek wil innemen. Op elke schaal valt de keuze op projecten die meer doen dan enkel het programma van eisen vervullen. Uitzonderlijke cases die het grotere esthetische en maatschappelijke belang voorop stellen en daardoor een verfrissend alternatief aanbieden voor het markteconomisch denken.

Een opvallende verrijking komt van Steven Humblet. Voor het derde deel van het Architectuurboek nodigde hij vier fotografen uit om foto-essays te maken van projecten die eveneens in de geschreven essays worden belicht. De meerwaarde ligt hierbij in het verbeelden van ‘vage’ begrippen zoals onbepaaldheid van ruimte, gepastheid in de context, het vervagen van grenzen etc. Zo biedt de fotoreeks van Esther Eggermont een heldere aanvulling op de tekst van Bart Tritsmans. Haar onconventionele foto’s waarin ze samen met de toeschouwer het Zwin doorkruist, tonen dat het bezoekerscentum van Coussée en Goris effectief zijn functie als deel van het landschap opneemt. Zonder het bezoekerscentrum gezien te hebben, kan de lezer aan de hand van de fotoreeks de intrigerende stelling van Tritsmans volgen dat ‘de architectuur de onverwachte aanwezigheid van het landschap benadrukt’.
Als reactie op de gangbare, statische architectuurfotografie laten deze vier foto-essays zien op welke manier zij een kritische bijdrage kunnen leveren aan de beeldvorming van architectuur. De fotoreeksen vormen een ‘luchtige uitsmijter’, en maken dat je als lezer de reflectie na het lezen van de teksten nog even in stilte verder zet.

De 13de editie van het Architectuurboek zoomt in op ontwikkelingen en vernieuwende tendensen die we zouden moeten toejuichen. Het inspireert en doet nadenken over welke soort architectuur we de komende jaren in Vlaanderen, of in andere landen, als maatstaf kunnen gebruiken. In die zin is het een optimistische weergave van architectuur in Vlaanderen, die doet dromen over hoe de uitzondering vandaag, morgen tot regel zou kunnen worden benoemd. Waar we de komende jaren de mosterd kunnen gaan halen, als je wil.