Recensie —

Een archeologie van anarchitectuur. Cutting Matta-Clark: The Anarchitecture Investigation

Michiel Huijben

Gordon Matta-Clark was een ‘kunstenaars-kunstenaar’: binnen de kunstwereld geprezen, daarbuiten maar weinig bekend. Toch heeft Matta-Clark meer interessante projecten op zijn naam staan. In het boek Cutting Matta-Clark: the Anarchitecture Investigation snijdt architectuurtheoreticus Mark Wigley dwars door Matta-Clarks oeuvre.

Datum Cut (ook wel bekend als ‘Core Cut’), Genua 1973 / foto Gordon Matta Clark / GMC Estate

Gordon Matta-Clark was een ‘kunstenaars-kunstenaar’: binnen de kunstwereld geprezen, maar daarbuiten zijn maar weinig mensen echt met zijn werk bekend. Zelfs binnen de kringen waarin hij bekendheid geniet, is dat vooral om zijn ‘cuttings’, een serie werken waarin hij bestaande gebouwen doorsnijdt. Toch heeft Matta-Clark meer interessante projecten op zijn naam staan, zoals het collaboratieve project Food, een restaurant dat hij samen met Tina Girouard en zijn toenmalige partner Carol Goodden van 1971 tot 1974 runde. In Food smolt het bereiden van voedsel, het eten van de maaltijd en het natafelen samen tot één grote happening.
Of het werk Reality Properties: Fake Estates, een project uit 1973, waarvoor Matta-Clark tijdens veilingen incourante stukken grond opkocht van de gemeente New York met als doel er bevriende kunstenaars permanent werk op te laten maken.

In zijn meest recente boek, Cutting Matta-Clark: the Anarchitecture Investigation, snijdt de Nieuw-Zeelandse architectuurtheoreticus Mark Wigley dwars door Matta-Clarks oeuvre, om het te ontleden en enkele veel voorkomende aannames over zijn werk te ontkrachten. De belangrijkste hiervan, volgens Wigley, is dat Matta-Clark zijn werk als ‘anarchitecture’ zou hebben bestempeld.

Startpunt voor het boek is dan ook de expositie Anarchitecture Group show, waarvan wordt aangenomen dat deze in maart 1974 heeft plaatsgevonden in 112 Greene Street, een expositieruimte in wat nu de New Yorkse wijk SoHo is. Aangenomen, want voor het daadwerkelijk plaatsvinden van deze expositie bestaat nauwelijks bewijs. Het is een mysterie dat omringd wordt door tegenstrijdige uitspraken over inhoud en kwaliteit, terwijl ze tegelijkertijd van enorme invloed is geweest op Matta-Clarks carrière. Sinds zijn dood wordt Matta-Clarks werk voortdurend als anarchitecture in de kunstgeschiedenis geschreven. Als een detective is Wigley in archieven op zoek gegaan naar bewijsmateriaal voor het bestaan van de Anachitecture Group show. Cutting Matta-Clark’ is de documentatie van deze zoektocht.

Gordon Matta-Clark werd in 1943 in New York geboren als zoon van de Amerikaanse kunstenaar Anne Clark en de Chileense schilder Roberto Matta. In de jaren 60 studeerde hij architectuur aan Cornell University en de Sorbonne in Parijs. Hij zou in zijn leven maar één opdracht aannemen: in opdracht van zijn vader ontwierp hij voor zijn tweelingbroer Sebastian (Batan) een loft. Sebastian heeft er echter nooit gewoond en koos ervoor bij hun moeder te blijven wonen. Zijn leven lang zou Matta-Clark hierna de rol van architectuur in ons leven onderzoeken, om tevens te zoeken naar manieren om die rol te ondermijnen.

Laatste twee frames van “ANARCHITECTURE SHOW VII”, 1974 / contact foto’s, Gordon Matta Clark / GMC Estate

‘Anarchitecture’ was een manier om dit te doen: een studiegroep of discussieplatform, bestaande uit een diverse (en wisselende) groep kunstenaars, met Gordon Matta-Clark als initiatiefnemer en spil. Als een soort denktank kwam deze groep in 1973 wekelijks bij elkaar om te discussiëren over de mogelijke betekenis(-sen) van het woord ‘anarchitecture’ tot de door Matta-Clark voorziene fles tequila op was.

Wigley begint zijn boek met een uitvoerige bespreking van de term zelf, die tegelijkertijd een maken en ongedaan maken van architectuur voorstelt. Anarchitecture kan gezien worden als een negatie van architectuur door het toevoegen van het prefix ‘an-’, maar kan ook dienen als het aanwijzen van ‘een’ architectuur, een niet opzienbarende uiting van architectuur. Daarnaast ligt het woord ‘anarchie’ in de term verborgen. Dit spel met taal en de verschillende manieren waarop een woord kan worden omgedraaid en vervaagd, is typerend voor hoe Matta-Clark taal in zijn werk inzette. De term ‘anarchitecture’ zal in het boek voortdurend terugkomen en op verschillende manieren worden bevraagd. Een dergelijke uitgebreide ontleding en bevraging van “slechts” één begrip dat sinds Matta-Clarks vroegtijdige dood in 1978 gebruikt wordt om zijn werk te labelen, lijkt voor sommigen op het eerste gezicht misschien op muggenzifterij. En zij zouden gelijk hebben, ware het niet dat Matta-Clark in 1974 in een interview voor het tijdschrift Avalanche aangaf dat zijn werk niet als anarchitecture moet worden gezien.

Het was een begrip in wording, maar ging voor Matta-Clark en de hele Anarchitecture Group over tussenruimtes, leegtes en haperingen in het begrip van ruimte. Zijn building cuts daarentegen waren een vorm van het ongedaan maken van architectuur. Niet in fysieke, maar eerder in mentale zin: de cuts waren een mogelijkheid om tegen de ogenschijnlijke rigiditeit van de gebouwde omgeving in te gaan. Anarchitecture ging juist over de ruimtes tussen de containers waarin wij leven en waar die als productief kunnen worden gezien.

Met deze omschrijving wordt het eenvoudiger te begrijpen waarom Matta-Clark zijn cuttings nooit als anarchitecture heeft willen bestempelen, maar wel zijn Fake Estates project voordroeg aan de Anarchitecture Group als voorbeeld van wat anarchitecture volgens hem zou kunnen zijn.

Vrijwel meteen bij aanvang van zijn boek roept Wigley één van de vele pertinente vragen op die zijn boek zo interessant en rijk maken: hoe wordt een kunstwerk of kunstpraktijk eigenlijk gecanoniseerd?

Verreweg het meest bekende werk van Matta-Clark is Splitting, waarvoor hij een huis in Queens doormidden zaagde. Hij maakte dit meest zichtbare van al zijn werken op het moment dat hij bezig zou zijn geweest met de Anarchitecture Group Show, een nagenoeg onzichtbare expositie. Het huis lijkt aan weerskanten van de V-vormige snede weg te zakken, onze aandacht vestigend op de leegte in het midden, waar de zon doorheen schijnt. Volgens de kunstenares Laurie Anderson, die een vriendin van Matta-Clark was, heeft de ingreep tot gevolg dat het lijkt alsof bouwelementen een lijn omhooghouden, meer dan dat er een lijn uit een stilstaand gebouw gesneden is.

Gordon Matta Clark suspended in Tree Dance, Vassar College, 1971. / GMC Estate

Uit Wigleys boek wordt duidelijk dat Matta-Clark nooit alleen maar fotografische documentatie van zijn acties en hun resultaten heeft getoond in exposities. De foto’s werden samen met een uitgezaagd fragment getoond, waardoor ze meer werden dan enkel documentatie en het fragment meer dan minimalistisch sculptuur. Beide elementen begonnen als het ware te balanceren op de grens tussen kunst en bewijsmateriaal. Bovendien ging Matta-Clark voortdurend door met het verder bewerken van deze beelden door middel van fotocollages, boeken en performances. In feite waren zijn werken door deze aanpak meer een multimediaspektakel dan architecturale interventie. Doordat het werk doorgaans weergegeven wordt middels de foto van het resultaat, zoals een doorgezaagd huis, wordt volkomen voorbijgegaan aan het feit dat voor Matta-Clark zijn werk een proces was dat niet stopte na de handeling zelf. Wigley stelt provocerend dat een canonisch werk een werk is waar niet verder naar gekeken hoeft te worden, omdat er reeds een beeld van is gecreëerd dat inmiddels onuitwisbaar is geworden.

Dat dit slechts een provocatie is bewijst het boek zelf, zonder het voor de lezer voor te kauwen: van de maniakale hoeveelheid archiefbeeld in het boek wordt namelijk geen enkel exemplaar onbesproken gelaten en in relatie tot de gangbare lezing van Matta-Clarks werk (opnieuw) geïnterpreteerd. Dit werk en proces blijken oneindig veel rijker. Ieder project dat de architect-kunstenaar heeft gemaakt blijkt vele verschillende vormen aan te hebben genomen, waarvan de fysieke snede er slechts één was.

Het mysterie van de Anarchitecture Group expositie groeit onder Wigleys neus: hoe is het mogelijk dat er nagenoeg geen documentatie van de Anarchitecture Group show bestaat? Het enige ‘bewijs’ voor het plaatsvinden van deze expositie zijn een flyer en een spread uit het Amerikaanse kunsttijdschrift Flash Art met afbeeldingen van mogelijke voorbeelden van anarchitecture. Geen enkele documentatie van de show zelf. Hoe kan het dat een groep kunstenaars die bijna geobsedeerd leken met het vastleggen van elke stap van hun proces geen enkele documentatie hebben gemaakt van hun uiteindelijke expositie?

Wigleys obsessieve zoektocht heeft zich, naast materiaal in collecties van zowel verzamelaars als vrienden, voornamelijk afgespeeld in het archief van het Centre for Contemporary Architecture in Montréal, die het grootste archief over Matta-Clarks werk bezitten. De hoeveelheid gedetailleerde informatie over Matta-Clarks werk en werkwijze in het boek is ronduit duizelingwekkend.

Voorbeeld van Anarchitecture, trein ongeluk / GMC Estate

Om deze informatie nog enigszins behapbaar te maken is het boek in 4 hoofdstukken verdeeld, die respectievelijk het woord anarchitecture bespreken in relatie tot het werk van Matta-Clark; een chronologie van anarchitecture uiteenzetten; bewijsmateriaal aanvoeren voor de expositie en transcripts van interviews met de rest van de Anarchitecture Group delen. Dit alles is gelardeerd met massa’s archiefbeeld, waarvan veel nooit eerder gepubliceerd werd: van documentatie en krantenknipsels tot schetsen, briefwisselingen en snapshots genomen tijdens bijeenkomsten. De vormgeving die dit alles moet overdragen is droog (op het saaie af) en bewust op de achtergrond gehouden, zodat de focus op het materiaal zelf blijft liggen en het onderzoek zo leesbaar mogelijk blijft.

Wigleys forensische lezing van het archief heeft geleid tot een boek dat gezien mag worden als het enige boek over Matta-Clarks oeuvre dat je hoeft te bezitten. Toch zal het niet verrassen dat de kracht van Wigleys boek ook haar zwaktepunt is: het detail in informatie (zowel tekst als beeld) maakt het boek alles behalve licht verteerbaar. Voor velen zal dit ongetwijfeld een drempel zijn en (misschien niet onterecht) de indruk wekken dat het boek vooral voor hyper-geïnteresseerden in dit specifieke oeuvre is. Hierdoor zullen veel mensen die deze bijna obsessieve interesse niet delen de vele zeer prangende vragen die dit boek oproept (over bijvoorbeeld de kunstcanon, de historische rol en lezing van documentatie van efemeer werk, samenwerking en auteurschap, en natuurlijk vragen over architectuur meer in het algemeen) moeten missen.

De lezer die dit boek wel de tijd geeft die het verdiend wordt hiervoor beloond met een enorm rijk en gepassioneerd onderzoek en een nieuw, meer diepgaand begrip van het werk van Gordon Matta-Clark.