Recensie —

Goed genoeg

Pieter Hoexum

Het boek Thuis. De zoektocht naar de plek waar we willen leven van Daniel Schreiber lijkt op het eerste gezicht wellicht weinig opzienbarend, je zou zelfs kunnen zeggen dat hij open deuren intrapt, maar je zou beter kunnen zeggen dat dit typisch een boek is waarvoor geldt dat de diepte schuilt aan de oppervlakte.

illustratie Machteld Solinger

Thuis begint als een verslag van een heuse midlifecrisis. Ongeveer zoals de dichter Dante in de beroemde openingszinnen van De goddelijke komedie beschreef: “Op ’t midden van ons levenspad gekomen, kwam ik bij zinnen in een donker woud”. De Duitse kunstcriticus en essayist Daniel Schreiber, die eerder o.a. een biografie van Susan Sontag schreef, beschrijft hoe hij tijdens een op zich heerlijk verblijf in Londen overvallen wordt door een welhaast existentiële twijfel: hij is bijna veertig, heeft privé en professioneel een en ander meegemaakt, is door diepe dalen gegaan en heeft hoge toppen bereikt, maar weet nu niet meer hoe het verder moet… Zijn relatie is uit – of toch niet? Hij is van de drank af – of toch niet? Bovenal weet hij niet of hij zich nu in Londen zal vestigen, of terug zal gaan naar zijn heimat, Duitsland, om precies te zijn Berlijn? Of zal hij toch kiezen voor zijn ‘tweede heimat’, New York?

Achter deze luxe-problemen blijkt meer schuil te gaan. Nu Schreiber tegen de veertig loopt is hij oud genoeg om terug te kijken, én te zien dat er met een aantal spoken uit zijn verleden afgerekend moet worden, vóórdat hij weer vooruit kan kijken. Hij krijgt een stapel paperassen, een soort familiearchief, in handen waaruit blijkt dat zijn familiegeschiedenis een typisch Duitse familiegeschiedenis is, met heel veel oorlog en ellende. Daarnaast groeide de homoseksuele Schreiber (nog net, hij is van 1977) op in een maatschappij, de DDR, waar heteroseksualiteit een norm was waar absoluut niet vanaf geweken diende te worden, op straffe van verstoting.

Het is, zou je kunnen zeggen, een nogal therapeutisch boek. Maar het is geen navelstaren. Schreiber zoomt niet alleen in, maar ook weer uit. “Ik moest een oplossing vinden voor de onzekerheid die ik ervoer, moest een manier zoeken om om te gaan met het tijdsgewricht waarin ik leefde – en ik moest erachter komen hoe ik om kon gaan met mijn privésituatie.” Schreiber schreef een heel goed essay, en typisch voor een essay is dat het juist door heel persoonlijk te zijn, algemene zeggingskracht krijgt. “Het verlangen dat [mijn] crisis definieerde was de wens me geborgen te voelen, het verlangen naar een thuis.” Schreiber merkt op dat hij bepaalt niet de enige is die geplaagd wordt door deze heimwee. Dat maakt dat het boek relevant is voor iedereen die  geïnteresseerd is in bouwen, wonen, denken, om meteen maar naar Heidegger te verwijzen.

Daarbij moet opgemerkt worden dat Schreiber het nostalgische conservatisme dat aan Heidegger kleeft bepaalt niet omarmt, integendeel. Hij probeert juist thuis te herwaarderen zónder te vervallen tot de nostalgie waartoe Heideggers denken steeds weer uitnodigt – denk aan de Brit  Roger Scruton, en in Nederland aan diens geradicaliseerde ‘neefje’ Thierry Baudet.

Schreiber houdt ook afstand tot de meer progressieve intellectuelen die de notie van thuis sowieso achterhaald, achterlijk en zelfs gevaarlijk vinden. Hij citeert Adorno: “Het hoort bij de moraal, niet thuis te zijn bij jezelf.” Volgens Adorno c.s. is het ongepast een comfortabel leven te leiden in een verrotte wereld. Ik ontkom er daarbij niet aan te denken aan Adorno’s meest beruchte uitspraak: “Na Auschwitz een gedicht schrijven is barbaars” – een huis gezellig inrichten is dan zeker barbaars.

Het lijkt erop dat je een keus moet maken: óf je hecht heel veel waarde aan thuis, maar staat onverschillig tegenover de rest van de wereld, óf je bent betrokken bij de wereld en staat onverschillig tegenover thuis. Of je bent een nostalgische conservatief die terug verlangt naar de tijd dat iedereen zogenaamd nog gewoon thuis was, of je bent rigide utopist die verlangt naar de toekomstige wereld waarin iedereen zich overal thuis zal kunnen voelen. Dat is geen dilemma maar een valse tegenstelling. Schreiber probeert, los van deze tegenstelling, op zijn eigen manier over thuis na te denken.

Hoe en waar
Schreiber gaat daarbij niet zuinig te werk, maar is juist bijzonder gul in citeren en verwijzen. Hier zou ik de twee volgens mij belangrijkste aspecten van Schreibers visie op thuis, uit willen lichten. Om te beginnen stelt Schreiber zich de vraag hoe en waar hij zijn leven zou willen leiden. Dat is geen onschuldige formulering, dat is cruciaal: het gaat om waar en hoe.

Het gaat om het overeenkomen of afstemming van dat hoe en dat waar, van habitat en habitus. Dat is de gouden formule, zou je kunnen zeggen. Je bent thuis als je manier van leven en je manier van wonen overeenkomen, als gewoontes en woning bij elkaar passen. Of: als leefgebied en levensstijl overeenkomen.
Vervolgens maakt Schreiber duidelijk dat die twee niet geheel overeen hoeven te stemmen: perfectie is niet nodig en is zelfs contraproductief. De gouden formule is toch geen gouden formule. Want juist het streven habitat en habitus perfect overeen te laten komen, maakt ons wanhopig en vervreemdt ons van onze concrete, actuele leefomgeving, aldus Schreiber. Als perfectie het streven is, is niets goed genoeg, terwijl het ‘goed genoeg’ is waar het om zou moeten gaan.

Schreiber verwijst naar de beroemde psychoanalyticus Donald W. Winnicott, die in de jaren vijftig van de vorige eeuw het concept “goed genoeg” bedacht. Winnicott werd steeds geconfronteerd met ouders die zich tekort voelden schieten – nog steeds heel herkenbaar voor iedere ouder. Deze ouders hadden het gevoel permanent te falen en vreesden onherstelbare fouten te maken. Winnicott verzekerde deze ouders dat een kind helemaal geen ideale ouders nodig heeft, maar ouders die goed genoeg zijn – en dat zijn verreweg de meeste. Winnicott keerde zich dus tegen het idealisme en perfectionisme in het algemeen. Schreiber: “Misschien draait het bij een zoektocht naar een thuis ook wel precies daarom: dat je het goed genoeg doet en dat het thuis dat je voor jezelf vindt goed genoeg is voor je eigen leven.”

“Niettemin kunnen we ons thuis voelen, wij allemaal.”
In het begin van het boek stelt Schreiber deze vragen: “Waarom is het eigenlijk belangrijk om een thuis te hebben? En wat betekent thuis-zijn eigenlijk?” Hij komt niet tot een eenduidig antwoord, en dat lijkt me een grote verdienste, want het gaat er juist om het begrip thuis in al zijn complexiteit te tonen en de lezer niets voor te schrijven.

Uiteindelijk concludeert Schreiber dat ‘het gelukkige huis’, dat volledig voldoet aan onze diepste verlangens, een ideaalbeeld is dat “in het echte leven niet voorkomt.” Dat kun je betreuren, zoals de “nostalgici” (zoals ik ze maar zal noemen) doen, en uit alle macht proberen te herstellen. Je kunt ook zeggen, zoals de “utopisten” (die ik maar zo zal noemen), dat gelukkige huizen helemaal niet horen te bestaan, zolang er geen rechtvaardige wereld is, aangezien die huizen dan alleen maar plekken zijn waar mensen op comfortabele manier hun kop in het zand kunnen steken. Je kunt even goed betogen dat thuis gered of geconstrueerd moet worden, alsof het een heilig huisje is dat omver moet worden gestoten… Een middenweg lijkt niet mogelijk. Schreiber hakt de conceptuele knoop elegant door, door zich van de theorie af te wenden, tot de praktijk van alledag. Theoretisch mag thuis dan een onontwarbare knoop zijn, in het dagelijks leven lukt het de meesten van ons verrassend goed ermee om te gaan. De mooiste zin uit het boek van Schreiber luidt dan ook: “Niettemin kunnen we ons thuis voelen, wij allemaal.”

In plaats voor te schrijven wat thuis zou moeten zijn, beschrijft Schreiber hoe het bij hem in zijn werk ging. Als hij uiteindelijk in Berlijn gaat wonen, kan hij in zijn nieuwe huis zijn draai maar niet vinden. Hij blijft twijfelen en het lukt hem niet echt aandacht aan zijn huis te besteden. Totdat het provisorisch wonen hem teveel wordt. Hij ergert zich al een hele tijd aan het zonlicht dat hem veel te vroeg wekt en gaat eindelijk maar eens gordijnen kopen en ophangen. Daarna is hij niet meer te houden: “Ik plaatste stellingkasten in de berging en hing wandkasten op in de keuken…. ik kocht een nieuwe kapstok en een kleine commode voor onder de wastafel, maakte iedere kast in mijn woning schoon en ruimde ze op nieuw in, ging met een doekje over alle radiatoren en deuren, ieder raam iedere drempel en alle stopcontacten… Terwijl ik de woning opknapte, veranderde er iets in mij, iets wat aanvankelijk onbenullig leek, maar uiteindelijk verrassend goed voelde. Ik had de indruk dat ik een heel klein beetje meer op mijn plek aan kwam.”

Al met al deed Schreibers boek mij vooral denken aan het boek How to make a home van Edward Hollis, waarover ik eerder voor Archined schreef. Ik schreef dat Hollis de schijnbaar diepzinnige maar enigszins misleidende vraag “Wat maakt van een huis een thuis?” vervangt door deze meer nuchtere vraag: “Wie maakt van een huis een thuis?” En dat Hollis’ antwoord op die vraag eenvoudigweg luidt: “De bewoner”. “Dat lijkt misschien slecht nieuws voor ontwerpers, maar dat hoeft het zeker niet te zijn: een architect kan zich helemaal op het huis werpen en het thuis aan de bewoners overlaten.”, schreef ik toen als conclusie. Ik kan daar nu aan toe voegen dat sommige pedagogen, als variant op het goed genoeg-ouderschap, “liefdevolle verwaarlozing” als de beste vorm van ouderschap beschouwen. Misschien is dat voor ontwerpers, als houding ten opzichte van gebruikers, ook een idee?