Nieuws —

Jan Hoogstad (1930-2018), rationalist met een passie voor geometrie en muziek

Piet Vollaard

Jan Hoogstad geboren ‘op Zuid’ en dus een rasechte Rotterdammer geloofde heilig in de autonomie van de architectuur en in de noodzaak om de ruimte-tijd discipline, zoals hij architectuur zag, van een wetenschappelijke basis te voorzien. We verschilden daarin wel eens van mening. Maar het was ook de reden waarom ik hem bewonderde. En het ís ook een goed verhaal. Welke architect zou stiekem niet graag willen dat architectuur een pure uiting van intuïtieve ruimtekunst en rationele wetenschap was, onbezoedeld door de vervuiling van politieke, sociale, economische of historische invloeden?

Jan Hoogstad / foto Fas Keuzenkamp

Fifty years of architecture
Om die overtuiging te illustreren haalde Jan graag een anekdote aan uit de periode dat hij voorzitter was van de Rotterdamse welstand. Het ging om de uitbreiding van De Bijenkorf. Het oorspronkelijke gebouw was in 1955 ontworpen door de door Jan bewonderde Marcel Breuer. Maar de parkeergarage, die in 1974 aan de achterkant werd bijgebouwd, was een ontwerp van DSVB. De welstand was niet enthousiast. Om de uitbreiding er toch door te drukken werd Breuer door de Bijenkorfdirectie ingevlogen voor een speciale welstandsvergadering en tot co-architect benoemd van een ontwerp waar hij waarschijnlijk nauwelijks weet van had.
“Daar zat hij dan, breed en pontificaal aan het hoofd van de tafel” vertelde Jan, “Wij zaten bibberend tegenover hem, want zo’n legende heb je als welstand niet elke dag voor je.”
Breuer opende en sloot de beraadslagingen met een enkel doorslaggevend statement: “Before you sits fifty years of architecture.” En deed er verder het zwijgen toe. “Daar hadden we eigenlijk niks tegenin te brengen, en het ontwerp is verder zonder discussie goedgekeurd.”
Het ging Jan bij deze anekdote niet zozeer om de bibberende bewondering, maar om het feit dat je soms de autoriteit van de architect moet accepteren. Jan sloot de anekdote dan ook vaak af met de woorden “En hij had gelijk!”

Megacities
Niet dat Jan niet gaf om de sociaal-maatschappelijke, economische of psychologische context of om de mensen die zijn gebouwen gebruikten, dat deed hij juist wel. Maar hij vond dat het niet zijn taak was om die belangen als architect in het proces in te brengen. Daar consulteerde hij deskundigen vanuit allerlei vakgebieden voor. En dat deed hij vaak en serieus, het liefst met een wetenschappelijke achtergrond (psychologen, sociologen, wiskundigen, musicologen, filosofen). In inspraak van leken zag hij geloof ik niet zoveel. Hij was meer geïnteresseerd in de inzichten van kunstenaars (hij was onder andere nauw betrokken bij Witte de With) en musici.
Die belangstelling voor de flankerende disciplines bleek onder meer uit zijn inzet voor Stichting Megacities. Jarenlang (1995-2008) organiseerde deze, door Jan vanuit zijn functie als vertegenwoordiger van de IAA (International Academy of Architecture) opgerichte stichting lezingen van onder meer Richard Sennet, Saskia Sassen, Edward Soja, Kingsley Hayes, Lars Lerup, Richard Rogers, David Harvey en Peter Hall. Bepaald geen onbetekenend rijtje. Ik beschouw het als een voorrecht dat ik als ‘bestuurslid internetzaken’ de kans heb gekregen om met deze kopstukken aan de dinertafel voorafgaand aan de lezingen heb mogen zitten en de boeiende gesprekken die daar plaatsvonden (vaak inhoudelijker en scherper dan de lezingen zelf) heb mogen aanhoren.
Jan bemoeide zich overigens nauwelijks met de keuze van de sprekers, daarin vertrouwde hij graag op de kennis van de rest van het bestuur. Maar hij deed iets wat wij absoluut niet konden; Jan zorgde op het laatste (vaak allerlaatste) moment voor sponsors die het niet onaanzienlijke budget regelden. Gewoon door even te gaan lunchen met het beoogde slachtoffer. Jan was een netwerker pur sang en had trouwens ook een scherp zakelijk inzicht, en dat kwam bij die gelegenheden goed van pas.
Hij was wel verschrikkelijk nieuwsgierig naar de inhoud van de lezingen. Jaren later nog haalde hij met instemming inzichten en uitspraken van een van de sprekers aan.

Muziekschool Zeist (1982-86) / opengewerkte maquette / Jan Hoogstad

Rationalisten
Maar wat was dan de betekenis van zijn architectuur? Waaruit bestond die autonomie waarin hij geloofde? Om dat te begrijpen moet even een door nieuwe generaties bijna vergeten periode uit de Nederlandse architectuurgeschiedenis worden opgehaald. In de Jaren 1970 en ’80, toen in de landen om ons heen het postmodernisme hoogtij vierde, en voordat Rem Koolhaas en de Superdutch generatie het hier overnam, werd het architectuurdebat in ons land en in Italië juist gevoerd door zogenaamde Rationalisten die het modernistische project voortzetten en het vaandel van de autonome architectuur hooghielden. Terwijl de Italiaanse rationalisten rond La Tendenza, zoals Carlo Aymonino, Aldo Rossi en Giorgio Grassi, zich daarbij vooral verhielden tot de architectuurgeschiedenis, met name de typologische continuïteit, ging het de Nederlandse representanten meer om de pure vorm en/of rationele bouwmethoden en werden historische verwijzingen grotendeels vermeden. Als er al sprake was van continuïteit, dan was het een voortzetten van de rationeel/functionalistische lijn van bijvoorbeeld Jo van de Broek, Huig Maaskant en Willem van Tijen, zij het met een platonische draai. De Nederlandse rationalisten ge/misbruikten het tijdschrift Plan, waarvan ze de redactie rond 1980 min of meer hadden overgenomen, als podium voor manifesten en analyses van eigen werk. De kern bestond uit het driemanschap Wim Quist, Carel Weeber en Jan Hoogstad, waarvan de laatste twee in die tijd samen een maatschap deelden (HWST; Hoogstad Weeber Schulze en Van Tilburg).
Tussen de gereformeerde sfinx Quist en de exuberante polemist Weeber, vertegenwoordigde Hoogstad een wat stillere middenpositie, maar dan wel een die het rationele het meest serieus nam. De titel van zijn manifest ‘Architectuur als Wetenschap’(Plan 1881-5) spreekt wat dat betreft boekdelen.

Mathematische diagrammen muziekschool Zeist  

Mathematische intuïtie
Ondanks de noemer waaronder het driemanschap bekend werd, was het niet zo dat het ze om pure ‘ingenieurskunst’ ging. Met name Quist en Hoogstad waren in zekere zin intuïtieve ontwerpers, zij het dat hun vormentaal beperkt bleef tot platonische vormen en een grotendeels monochroom kleuren- en materiaalpalet. “Ik heb de rationele opgave altijd gevoelswaarde toegedicht. Dus als ze me voor een rationalist houden, dan is dat voor de helft waar.” [1]
Jan trachtte vat te krijgen op die gevoelswaarde door zich – vooral in het begin van zijn productieve loopbaan – te bedienen van een puur meetkundig ontwerpgereedschap. Hij moet in die tijd de werken van Euclides grondig hebben bestudeerd, en vele passers en driehoeken hebben versleten. Zijn ontwerpen voor het raadhuis van Driebruggen (1977-79) en de muziekschool in Zeist (1982-86) zijn hiervan de meest sprekende voorbeelden. Als architectuurstudent bewonderde ik de meetkundige diagrammen waarmee Jan zijn ontwerpen illustreerde. Maar waarom die ene cirkelboog nu juist hier, of die complexe driehoekige transformatie nu juist daar noodzakelijk was, dat heeft hij mij nooit echt kunnen uitleggen. Het was grotendeels inderdaad ruimtelijk-mathematisch ontwerpgevoel vermoed ik.

Ruimtetijdbeweging
Doordenkend op die mathematische basis ontwikkelde Jan langzamerhand een meer dynamische theorie: Ruimte-Tijd-Beweging, die hij onder meer trachtte vast te leggen en verklaren in de publicatie Ruimtetijdbeweging; prolegomena voor de architectuur (1990). Hij is daar maar ten dele in geslaagd, en hij was zich van het inleidende, zoekende karakter ook goed bewust (prolegomena betekent zoiets als inleiding of voorstudie). Waar het in de kern om draaide was de zoektocht naar de emotioneel-ruimtelijke ervaring, die in Jans overtuiging vooral tot stand kwam door beweging langs een opeenvolging van ruimtelijke ‘scenografieën’. Met opnieuw een mathematische basis analyseerde hij de mathematische ruimtelijke sequenties die de ervaring uiteindelijk bepaalden. Hij liet zich daarbij deels inspireren door architectonische hoogtepunten, die door de eeuwen heen bewonderd waren, en die ´dus’ wel een zeker ‘je ne sais quoi´ in zich zouden moeten hebben dat het geheim van de puur ruimtelijk/emotionele ervaring door mathematische analyse zou moeten ontsluieren.

Stadsplein en Ruimtetheater, Nieuwegein (1981 – 1985)

Architectuur en muziek
Maar voor een minstens zo groot deel putte hij uit de muziek. Jan was een groot muziekliefhebber en een niet onverdienstelijk pianist. Muziek als pure tijdkunst –we kunnen muziek niet in een enkel moment ervaren– gaf aan Jan handreikingen om verder te denken over tempo, maat en ritme, en om deze vervolgens te transformeren naar sequenties. Zo trachtte hij onder meer klassieke composities om te zetten in ruimtelijke maquettes en omgekeerd ruimtelijke configuraties om te zetten in muziek, meer in het bijzonder in geluidssculpturen. Hij vertaalde onder meer een van Bachs Inventies (tweedelige studiestukken voor piano) in een 3D massamodel.
Jan is ook een van de weinige architecten die zijn fascinatie voor muziek (die hij overigens met veel architecten deelt) heeft weten om te zetten in gerealiseerde ruimtelijke geluidssculpturen. Legendarisch is het Maasproject, een geluidssculptuur met speakers in de top en aan de voet van de Euromast en twee aan de overzijde van de Parkhaven die met elkaar verbonden (door licht en geluid) een tetraëder vormden. De ribben en vlakken van deze ruimtelijke figuur werden door middel van geluid geconcretiseerd. [2]

Uitvoering Time-Space-Movement (1985)

Het meest complete Hoogstad ontwerp is in dat opzicht wellicht het Stadsplein voor Nieuwegein. Dit niet helemaal volgens de oorspronkelijke ambities uitgevoerde plein, dat tegenwoordig is opgeleukt door winkelpanden van Liesbeth van der Pol, wordt zelden genoemd in het rijtje hoogtepunten van het werk van Jan Hoogstad, ook niet door hemzelf. Toch is dat deels onterecht, want het plein en de pleinwanden zijn niet alleen met de inzichten van ruimtetijdbeweging ontworpen, het plein bevat ook een centraal geluidsobject (in plaats van het gevraagde carillon). Dit object bestaat uit vier hoeklijnen, die samen een kubus vormen en die voorzien zijn van speakers, met in het midden een overdekt podium ter grootte van een halve kubus. De bedoeling was dat deze geluidsinstallatie aanleiding zou zijn voor speciaal voor deze ruimte gemaakte composities en uitvoeringen van musici, dansers en toneel. Voor de opening in 1985 componeerde Tony van Campen een ruimtelijk elektronisch muziekstuk ‘Space-Time-Movement’ en een live video performance ‘From Circle to Square to Circle’ uitgevoerd door studenten van de Amsterdamse Theaterschool met een choreografie van Anne Walsemann. De muziek maakt spiraalvormige ruimtelijke bewegingen, en de dansers reflecteerden dat in de choreografie. Zo had Jan het bedoeld, maar dergelijke multidisciplinaire uitvoeringen heeft het plein zelden gekend. Te moeilijk, te raar voor Nieuwegein misschien.

Partituur Time-Space-Movement / Tony van Campen

Naar een oeuvreoverzicht
Jan heeft veel gebouwd, vele prijzen en medailles gekregen, en hij werd de afgelopen weken op veel plaatsen geëerd. Ook Jan kon zich de eretitel ‘Fifty Years of Architecture’ met recht aanmeten. Maar vrijwel nergens werd er echt inhoudelijk ingegaan op die ruimtetijdbeweging of zijn liefde voor muziek die hij met geluidssculpturen uitte. Ook destijds werd hij wat dat betreft door de architectuurkritiek grotendeels meewarig benaderd, met de criticus Joost Meeuwissen als de spreekwoordelijke uitzondering. Jan was ook voor de kritiek kennelijk te moeilijk, te raar.
Hij verdient wat dat betreft een serieuze beschouwing en een echt oeuvreoverzicht. 3) Ik weet dat hij daar, nadat hij zich terug had getrokken uit het bureau, ook zelf naar op zoek was. Maar zijn ziekte maakte dat in toenemende mate vrijwel onmogelijk. Misschien moet een ambitieuze jonge schrijver die uitdaging maar eens aangaan. Iemand die niet betoverd door zijn charme objectief kijkt naar zijn werk als uiting van autonome gevoelsarchitectuur. Dat zou Jan mooi gevonden hebben.

Woonhuis Teng, Rotterdam (1961-65) / Een van Hoogstads vroegste werken. Maten gebaseerd op de Modulor. De horizontale, in hoogte van 19 cm tot 1,3 m wisselende, raamstrook loopt als een fontanel over alle gevels door / foto Piet Rook