Recensie —

Dichtheid: meer is niet beter

Xander Vermeulen Windsant

Amsterdam MOET verdichten. Met de hoge vraag naar woningen in de stad, een vraag die niet te bevredigen lijkt en absurde prijsstijgingen tot gevolg heeft, is het enige antwoord: meer woningen!

Network Oriented Architecture / NOAHH  

Meer woningen binnen een bestaande stad bouwen betekent dat die stad verdicht zal worden: meer woningen op het zelfde grondvlak = hogere dichtheid. De schijnbare logica van deze redenering was het vertrekpunt voor een avond die Arcam 26 september organiseerde en waar ze de architectonische consequenties van die dwingende logica wilde verkennen: wat zijn ruimtelijke modellen om te kunnen verdichten? Het gerenoveerde Burgerweeshuis bood een ontspannen setting om zeven pitches van architecten aan te horen. Die pitches waren de aanleiding om met elkaar verder te praten over verdichten.

Moderator Peter Defesche  begon de avond meteen met een herdefiniëring van waar het wat hem betreft over zou moeten gaan: dichtheid an sich, als kwantitatieve opgave, kan nooit de alleen opgave zijn, het zal altijd een bredere, integrale kwalitatieve ontwikkeling moeten zijn, in zijn woorden: een verdere verstedelijking.

Dat punt was ook een belangrijk, of misschien wel het belangrijkste onderwerp van de pitches. Verdichten is in principe namelijk niet zo moeilijk: meer woningen op een lap grond ‘proppen’ is niet de uitdaging. Die hogere dichtheid nog steeds een leefbaar, duurzaam en ruimtelijk hoogwaardige plek in de stad laten zijn is dat wel. Maar hoe doe je dat?

Vanuit die vraag zou het heel voorstelbaar zijn geweest als er die avond de ‘vragen achter de vraag’ gesteld waren: willen we eigenlijk wel verdichten? Welk probleem lossen we eigenlijk op? Wie is de ‘opdrachtgever’ van deze vraag? Maar helaas. De schijnbare onvermijdelijke noodzaak om te verdichten werd klakkeloos door de architectenbureaus overgenomen en niet ter discussie gesteld. Verdichting werd als een ‘force of nature’ beschouwd, een niet te stoppen ‘beest’ dat op zijn best zo goed mogelijk getemd kon worden om er mee te kunnen leven. Pas in de discussie achteraf werd er af en toe verwezen naar de (politieke) keuzen die aan een al dan niet verdichting ten grondslag liggen. Zoals Thomas Dieben (Krft) zich afvroeg: is verdichten, het steeds meer woningen bouwen in de stad, niet vergelijkbaar met het oplossen van het fileprobleem door meer asfalt aan te leggen?

Interieur appartement, 28 m2 / HOH

Zonder een diepere ondervraging van waar we nou eigenlijk mee bezig waren, laat staan een cijfermatige verkenning hoe groot de opgave überhaupt is, werd niet duidelijk wat de op zich interessante en uitdagende pitches nou eigenlijk voor een stad zouden kunnen opleveren.

Hoewel de pitches in de meeste gevallen om concrete (studie) projecten gingen, waren er twee die vooral een strategie benoemden. Zo presenteerde Hans van de Heijden een manier van denken die uitging van de bestaande bebouwing in de stad. Door die te optoppen, aanplinten en uitbouwen zou uiteindelijk tot twee keer zoveel m2 kunnen worden gerealiseerd. Dieben presenteerde hun studie naar verticale, gestapelde zelfbouw en raakte daarmee aan een vraag die in de discussie over verdichting niet gesteld wordt: meer woningen ok, maar welke woningen dan? Willen we echt dat alleen de markt productie draait of moet verdichting ook samen gaan met actieve medewerking van de bewoners? Gaat verdichten alleen over ‘hardware’ of moet de ‘software’ ook mee ontwikkelen?

De andere projecten lieten op verschillende manieren zien hoe hogere dichtheden op ruimtelijk acceptabele manieren gerealiseerd zouden kunnen worden. TANK presenteerde hun gepatenteerde (!) idee voor ‘coreless buildings’. Deze zouden tot 20% meer gebruiksoppervlak (GBO) binnen hetzelfde bruto vloeroppervlak (BVO) opleveren. Een slim concept dat elke projectontwikkelaar (in Excel) in eerste instantie laat watertanden [1].

Atelier PUUUR presenteerde een voorstel voor gezinsappartementen in een stapeling van lage blokken die een poreuze structuur van hoven en daktuinen oplevert. 160 woningen per hectare (4x zo hoog als in een ‘gewone’ VINEX-wijk!)  zouden zo mogelijk zijn, op een volgens PUUUR hoogwaardige manier, met mogelijkheden voor verschillende gradaties van collectiviteit.

HOH presenteerde een plan voor een toren met kleine, slim ontworpen appartementen en gedeelde, collectieve ruimten. Een hoog-stedelijk concept dat de stad en al haar voorzieningen, als deel van de woning ziet. Een concept dat doet denken aan de logica van wonen op Manhattan: daar zijn in sommige gevallen de kosten van extra m2 voor een keuken zo hoog dat het economische voordeliger is om elke dag uit eten te gaan dan die extra m2 bij je woning te huren of kopen. Is dit een oprechte woondroom, of geïdealiseerde windowdressing van het omgaan met een keihard economisch gegeven?

Upward Spiral , een plan van Hoope en Plevier, is een concept om de hogere dichtheid, en daarmee samenhangende nabijheid in te zetten om ouderenhuisvesting anders te benaderen en eenzaamheid onder ouderen te beperken. Aan een collectieve, omhoog wentelende binnenstraat kan ouderenhuisvesting gecombineerd worden met kinderopvang, gezondheidszorg en studentenhuisvesting.

In Patrick Fransen’s (NOAHH)  voorstel, geïnspireerd op het werk van Yona Friedman en Constant, vormt een ruimtelijke structuur een netwerk van volumen, verbindingen en openbare/collectieve ruimten die boven op de bestaande stad gebouwd zou kunnen worden. Zo zou de bestaande stad tot wel 7x (!) verdicht kunnen worden.

Coreless Structures / TANK

Opvallend was dat in alle voorstellen collectieve ruimte en collectief gebruik, een belangrijke rol kregen toebedeeld. Maar  in de discussie achteraf kwam de vraag boven drijven: wie wil dit eigenlijk? In de voorstellen was collectiviteit geen ‘bijvangst’, een leuke extra, maar een noodzaak. Diep weggestopt in de projecten, losgetrokken van de echt stedelijke ruimte, leverden deze ruimte de ademruimte om licht en lucht in de plannen te krijgen, in algemene zin of om te compenseren voor (anders té) kleine woningen.

De nadruk op collectiviteit in veel plannen werd in de discussie dan ook stapsgewijs ontmanteld als (naïef) wensdenken. Maar (kennelijk) wel noodzakelijk om bij het ontwikkelen van hoge dichtheden een illusie op te wekken van een aangename stedelijkheid. Wat blijft er van de plannen over als die collectiviteit niet gewenst wordt en daardoor waarschijnlijk niet zal werken? Is collectiviteit het sociale drijfzand waar ambitieuze, ‘hoogstedelijke’ plannen op gefundeerd zijn?

In zijn laatste boek Building and Dwelling is socioloog Richard Sennett enthousiast over wat in deze context als collectiviteit vertaald zou kunnen worden. Hij gebruikt  het Engels begrip sociality, te vertalen als ‘maatschappelijk karakter’, als de eigenschap van samenwerken en –leven die zich in een verschillende gradaties in de stedelijke ruimte kan ontwikkelen. Hij heeft het niet over een ‘gezellige’,commune achtige collectiviteit maar een set sociale relaties die ontstaan doordat ‘vreemden’, lees: stedelingen, met elkaar, met een gemeenschappelijk doel, de stedelijke ruimte gebruiken. Zonder dat werk of die activiteit  is er geen ‘condensatiepunt voor onderlinge binding, is er geen collectiviteit. Collectiviteit om de collectiviteit bestaat niet, suggereert Sennett. Willen stedelijke plekken betekenisvolle aanknopingspunten voor sociale waarden, voor collectiviteit zijn,   dan moeten ze een gebruiksdoel hebben. In de gepresenteerde plannen was de ‘collectieve ruimte’ vooral (groene) leegte.

Stedelijke Kasbah / Atelier PUUUR

Welke stad willen we nou eigenlijk met elkaar maken? Welke keuzes maken we om die stad te realiseren? Deze vragen zijn niet te beantwoorden zonder een scherpe vaststelling van de eigenlijke kwantitatieve vraag. De al bijna mythische 1 miljoen woningen die er in Nederland voor 2030 bij zouden moeten komen, boven op de 7,7 mln die er al staan (= een groei van ‘maar’ 13%), wordt vooral gedreven door vergrijzing, en zal vooral uit een groei in eenpersoons huishoudens bestaan. Daar zijn geen hippe, hoogstedelijke micro-appartementen die door alles delende millenials bewoont worden voor nodig.  Ontwikkelaar Eric Amory, die een korte reflectie en eigen visie op het onderwerp presenteerde, pleite dan ook voor kleinere ontwikkelingen, net grotere woningen en betaalbaar gebouwd.

De woningvraag in Amsterdam zal vast eigen accenten hebben die afwijken van het landelijk gemiddelde. Maar ook al is de vraag hoger, dan nog is het de (politieke) vraag of deze woningen allemaal, of slechts deels, binnen Amsterdam (lees: binnen het grondvlak van de Gemeente) moeten komen. Is de opgave er niet (ook) een die op een regionaal niveau moet worden opgelost, en dus ook over slimme (en betaalbare!) verbindingen binnen die regio gaat? Of vullen we alleen slim en hoogwaardig de kleine gaten in de stad,  op zo’n manier dat we het ‘absorptievermogen’ van de bestaande stad als maatgevend criterium nemen? En voor bij een kille kwantitatieve vraag: hoe zorg je ervoor dat woonruimte betaalbaar en ‘passend’ blijft?

Al deze ‘vragen achter de vraag’ bleven onbeantwoord. Dit zijn vragen die eerder strategische antwoorden lijken te vragen dan alleen ontwerp, hoe slim doordacht en verleidelijk ook gepresenteerd.  Zonder deze scherpte was de avond eigenlijk een gemiste kans. En was de naïviteit en ongerichtheid van veel van de ontwerpvoorstellen een ontnuchterende bevestiging dat ‘ontwerpen’ alleen de stad niet snel zal helpen.