Opinie —

Beste ontwerpers,

Adeola Enigbokan

een ieder die zich aangesproken voelt, en in het bijzonder diegene die vinden dat je niet tot 1 januari hoeft te wachten om met goede voornemens te beginnen. Een brief van Adeola Enigbokan over burgerschap: “Zijn jullie op de eerste plaats architect? Of op de eerste plaats burger?”

fragment uit een van de Letters to the Mayor / bron Het Nieuwe Instituut

Het project Letters to the Mayor, een samenwerking tussen het New Yorkse Storefront for Art and Architecture en Het Nieuwe Instituut, bestond onder meer uit een presentatie opgebouwd uit persoonlijke brieven van architecten aan de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb. Als onderdeel van het project las environmental psychologist Adeola Enigbokan de brieven en reageerde hierop met een brief aan ontwerpers die zij ook voorlas op de conferentie The Next Power of Dutch Architecture: A Change of Perspective.

Geachte architecten,

Wat betekent het eigenlijk voor u om een brief aan uw burgemeester te schrijven?
Ik heb al uw brieven gelezen, maar op deze vraag heb ik geen duidelijk antwoord gevonden. Omdat de opdracht die u kreeg was gebaseerd op een lokale New Yorkse traditie, het schrijven van brieven aan de burgemeester, lijkt het mij gepast om terug te grijpen op een specifieke periode uit de geschiedenis van deze stad, een periode waarin New York een transformatie onderging die nog groter en veelomvattender was dan de transformatie die wordt voorgesteld in de Woonvisie 2030, het Rotterdamse plan waarnaar velen van u in hun brief verwijzen.
Houdt bij het lezen van mijn brief alstublieft mijn openingsvraag, uw rol in de stad en uw relatie met uw burgemeester in gedachten: bent u in de eerste plaats burger en vervolgens architect? Of bent u een ‘ontwerper van de stad’ die naar de burgemeester kijkt zoals een ervaren ambachtsman naar een potentiële mecenas?

Het schrijven van een brief is altijd enigszins persoonlijk. En wie ben ik dat ik u schrijf, beste architecten van Rotterdam? Welnu, ik ben uw collega en uw medereiziger en ik houd net als u van steden. We kunnen vrienden worden of vreemden blijven. Ook ben ik natuurlijk kritisch op uw werk en ik ben een buitenstaander met betrekking tot uw beroepsgroep en uw stad. Houdt u alstublieft, terwijl u de volgende woorden leest, steeds in gedachten dat er tussen ons een band kan ontstaan en dat mijn verhalen een snaar kunnen raken—bij u of bij Rotterdam. En dan nu: op naar New York.

Het archief van het Harlem Friendship House, onderdeel van het New Yorkse Schomburgarchief, is gevuld met honderden dunne, vierkante blaadjes papier, nu vergeeld en doorschijnend van ouderdom. Op ieder blaadje staat eenvoudigweg ‘INFORMATIEFORMULIER’, in enigszins onregelmatige hoofdletters, waarschijnlijk getypt op een versleten typemachine. De velletjes zijn door verschillende personen met de hand beschreven met blauwe of zwarte pen of met potlood. Uit de korte briefjes spreekt een litanie van alledaagse narigheid:

Zaak nummer: 32
Datum: 10/8/55

Gebouw: 66 West 133rd St.
Naam: Lewis, Charlene
Huisnummer: 4E

Inspectie vindt plaats: in de ochtend
1. Op het contactmoment valt het plafond in de eetkamer naar beneden. Gat (doorsnede 1,5 m).
2. In de kleine slaapkamer bij de keuken valt de pleisterlaag van het plafond. De helft is er al af, de andere helft hangt los aan het latwerk en kan elk moment naar benden komen.
3. Keukenplafond gevallen in het voorste deel van de ruimte—gevaarlijk.
4. Toilet, spoelbak buiten werking—bewoner moet een emmer gebruiken om door te spoelen.
5. Elektrisch armatuur in de badkamer afgebroken-de draad ligt bloot.
6. Rattenholen in de keuken onder het aanrecht, de tafel en de radiator.

DRINGEND

Terwijl ik het ene na de andere briefje lees ontvouwen zich korte, barre verhalen: Viola Heywood durfde niet aan het lichtkoord in de badkamer trekken uit angst dat er nog meer van het plafond naar beneden zou komen, dus waste ze zich in het donker. Een vrijwilliger die het appartement van Linnie Hinson aan Lenox Avenue 453 bezocht, werd geconfronteerd met een rat die ter hoogte van de plint door de rechterkant van het keukenkastje aan het knagen was. Rose Artis’ raam op de eerste verdiepingen kwam uit op de bodem van een luchtkoker vol afval en dat zorgde voor ‘een hoge concentratie van vliegen, muggen en stank’ in haar appartement. Dan McPherson, woonachtig op nummer 2 in 490 Lenox Avenue, diende een klacht in omdat zijn voordeur maar niet gerepareerd werd terwijl hij al twee keer was overvallen. Fannie Freeman’s pasgeboren kind stierf aan bronchitis, een paar weken nadat ze na de bevalling thuis was gekomen in een appartement dat ondanks haar vele smeekbeden ten kantore van het management van verwarming en heet water verstoken bleef.
Het Harlem Friendship House, een katholieke lekengemeenschap en de naaste buur van de meeste klagers van de afgelopen anderhalve decennia, verzamelde tussen 1952 en 1955 dergelijke briefjes en verhalen. Gedurende al deze tijd legde het Friendship House getuigenis af van de manier waarop de buren werden behandeld door de nieuwe huisbaas, een particuliere ontwikkelaar genaamd Godfrey Nurse, Inc. Diens particuliere project maakte deel uit van de dertig jaar durende ‘stadsvernieuwing’ die plaatsvond tussen de jaren 1940 en 1970. In deze periode steunde en financierde de Amerikaanse federale woningautoriteit de ontmanteling van arme buurten en arbeiderswijken in de binnenstad, vooral zwarte wijken. Particuliere ontwikkelaars en stedelijke instanties mochten gebouwen afbreken, privé-eigendommen in beslag nemen en burgers met geweld verhuizen, vaak met inzet van zeer wrede middelen.

Het Harlem Friendship House had jarenlang haar hoofdkwartier in 135th Street tussen Lenox Avenue en 5th Avenue, in een winkelruimte aan de straat zodat de gemeenschapswerkers en vrijwilligers direct betrokken waren bij het dagelijkse leven van hun buren. Toen de nieuwe huisbaas uitzettingsbevelen begon te versturen en het hele blok begon te slopen, begonnen de leden van het Vriendenhuis huisbezoeken af te leggen en de leefomstandigheden van de huurders vast te leggen. Vier jaar lang verzamelden het Friendship House informatie over de rechten van de huurders en hielpen zij hun buren met het schrijven van brieven en het indienen van klachten bij relevante stadsinstanties in een poging om de huisbazen te dwingen om de ellendige leefomstandigheden van hun huurders aan te pakken. Dit is een voorbeeld van een dergelijke brief, gericht aan de burgemeester van New York en getypt namens mevrouw Mary Copeland, een oudere buurvrouw die uit haar huis in Harlem dreigde te worden gezet.

 6 september 1955

De edelachtbare heer Robert F. Wagner
Burgemeester van New York City
Stadhuis
New York, New York

Edelachtbare:

Ik woon al 48 jaar in New York en ben geboren en getogen in de Verenigde Staten. De 23e van deze maand word ik 70 jaar. Ik woon alleen en ik woon al 24 jaar in dit appartement. De buurt waar ik woon wordt afgebroken om plaats te maken voor nieuwe projecten. De huisbaas heeft me twee of drie vervangende woningen aangeboden, maar allemaal op de bovenste verdieping en ik kan niet meer traplopen. Toen ik die woningen afwees, kreeg ik een ontruimingsbevel. Ik moet voor het einde van de maand verhuizen, anders zetten ze me op straat. Beste burgemeester, edelachtbare, ik heb naar een ander huis gezocht maar ik kan geen betaalbare huurwoning vinden. Alles is zo duur. Ik kan geen hoge huur betalen. Geachte burgemeester, kunt u mij alstublieft aan twee of drie kamers in een woningbouwproject met een betaalbare huur helpen? Ik krijg een uitkering en toeslagen. Ik ben missionaris en leidt een heel rustig leven. Ik zou graag dicht bij mijn kerk hier in Harlem blijven wonen. Ik woon al 48 jaar in Harlem.

Ik hoop per omgaande van u te horen. God zegene u.

Met vriendelijke groet,

Mw. Mary Copeland
59 West 133rd Street
New York 37, New York

Toen ik de aan burgemeester Aboutaleb gerichte brieven van de architecten zat te lezen, moest ik aan het pleidooi van Mary Copeland denken. Ze had zulke specifieke behoeften: twee of drie kamers, lage huur, vlakbij de kerk, niet zo veel trappen. Haar behoeften zouden goed kunnen worden omgezet in een opdracht voor elke architect in New York, zowel op dat moment als op enig ander moment. Let ook eens op de toon van de brief van mevrouw Copeland, de manier waarop ze de burgemeester duidelijk smeekt om de details van haar zaak in zich op te nemen en om te reageren; de manier waarop ze haar langdurige burgerschap en residentie in New York vermeldt; de manier waarop ze hem aanspreekt met Edelachtbare, wat formeler is dan het volksere ‘meneer de burgemeester’ waarmee de stedeling zijn eerste burger meestal aanspreekt. Het is duidelijk dat Mary Copeland zichzelf ziet als lid van de kerk, inwoner van een specifieke wijk en burger van New York en het is in deze hoedanigheid dat ze de burgemeester vraagt om haar zaak te horen. Het is zijn taak om ervoor te zorgen dat elke burger goed gehuisvest is, en als zodanig roept zij hem bescheiden maar krachtig op om zijn werk te doen. Als ik de brief van mevrouw Copeland aan haar burgemeester vergelijk met de brieven van de architecten dan valt het me meteen op dat de meeste brieven niet zozeer de toon aanslaan van een burger die een vertegenwoordiger en rentmeester van de stad aanspreekt, maar die van een vakman op zoek naar werk die met een opdrachtgever communiceert. Dus nogmaals: Zijn jullie op de eerste plaats architect? Of op de eerste plaats burger? Het zijn rollen die verschillende relaties met de stad, de heersende klasse en de stedelingen met zich meebrengen, dus denk goed na over uw antwoord.

Er viel mij nog een andere duidelijke overeenkomst op tussen bijna alle brieven van architecten aan burgemeester Aboutaleb, namelijk dat de meesten van u zich presenteren als ‘ontwerpers van de stad’. Door zich te positioneren als ‘ontwerper van de stad‘ stelt de architect een ‘klassieke, ‘neutrale’ of ‘onschuldige’ rol te spelen, wat getuigt van een anachronistisch-holistische visie op zowel ‘de stad’ als ‘ontwerpen’. Het laat de indruk achter dat architecten (nog steeds) in staat zijn zich een soort helder en schoon beeld van een stad te vormen, bijvoorbeeld van Rotterdam, en de kracht hebben om de stad met behulp van hun eigen vaardigheden en visies te transformeren. Maar we weten dat het werk van veel architecten diep is ingebed in het mondiale kapitalisme, of hun klanten nu ontwikkelaars zijn of overheden. Zoals een bevriende architect uit Rotterdam het eens beschreef: ‘Ik ben bezig met een winkelcentrum in China. Ik ga niet naar de stad waarvoor ik ontwerp toe. Ik ben geen inwoner van die stad.’ Misschien kan deze architect uit Rotterdam beter een brief aan de burgemeester van die Chinese stad sturen, nietwaar? Of beter nog, aan de inwoners van die stad! En die brief zou niet moeten worden geschreven vanuit het grootse perspectief van ‘ontwerper van de stad’, want de ontwerprichtlijn lag al helemaal vast vóór de aanvang van het project: ‘Ontwerp een ruimte waarin bezoekers een selfie willen nemen.’

De bevriende architect vervolgde: ‘Om een burger te zijn en om betrokken te zijn, heb je tijd nodig. En tijd is schaars in de competitieve wereldwijde architectuursector.’ Deze architect voelde zich geen Rotterdammer, hoewel zij al jaren in Rotterdam woonde, noch een burger van de stad waar zij in opgroeide, en vanzelfsprekend geen burger van de steden waarin haar gebouwen werden opgetrokken. Dit gebrek aan ‘burgerschap’, dat een gevolg is van de eisen verbonden aan een precair bestaan onder de voorwaarden van het mondiale kapitalisme, zou een van de redenen kunnen zijn waardoor de brieven van de architecten van Rotterdam aan burgemeester Aboutaleb zo anders aanvoelen dan de brief van Mary Copeland aan burgemeester Wagner van New York.

Terug nu naar mijn allereerste vraag: wat betekent het eigenlijk voor u om een brief aan uw burgemeester te schrijven? In New York, waar ik vandaan kom, betekent het meestal dat je je een burger van de stad voelt en dat je wilt dat de burgemeester begrijpt dat hij voor jou werkt omdat jij hem gekozen hebt. Het schrijven van brieven aan de burgemeester New York kent een lange traditie en het is dan ook niet verwonderlijk dat het Storefront for Art and Architecture dit inmiddels wereldwijd plaatsvindend brievenproject in die stad heeft gelanceerd. De burgers van Rotterdam hebben echter zowel formeel als informeel een ander soort relatie met hun burgemeester dan de burgers van New York met de hunne. Bovendien is de relatie tussen architecten en de steden waar hun werk wordt gebouwd niet dezelfde als die van burgers tot hun eigen stad. Dit kan de merkwaardige toon van veel (niet alle) van de brieven van de architecten verklaren: alsof er een nieuwe opdracht te vergeven was, alsof het brieven aan een publiek van collega-architecten waren, in plaats van lokaal aandoende brieven gerelateerd aan de realiteit van de Rotterdammers en de omstandigheden waarin deze vandaag de dag leven.

In de jaren 1950 leverde het Harlem Friendship House enorme inspanningen om de verwoesting van de huizen en levens van hun buren te documenteren en te pleiten voor een betere huisvesting van deze buren. Tijdens dit proces veranderde een groep studenten, jonge katholieken en betrokken burgers en vrienden in een organisatie van bekwame stedenbouwkundigen die zelf rapporten over de betreffende woonomstandigheden opstelde, met alternatieve plannen voor de vernieuwing van hun wijken kwam en rechtstreeks communiceerde met de burgemeester en ontwikkelaars. Uiteindelijk zijn bijna alle gebouwen van het betreffende blok in Harlem gesloopt, ook het gebouw waarin zijzelf gevestigd waren. Het viel mij in dat de mensen van het Harlem Friendship House hebben gehandeld op een manier waarvan ik me kan voorstellen dat u, als architecten, zou willen leren, mocht u tenminste betere burgers van uw stad willen worden. Ze stonden de mensen bij, verloren net als hun buren hun huizen, leerden inzien wat anderen ervaren en leerden hoe met de machthebbers te spreken, als vrienden, als stedenbouwkundigen, als burgers van New York.

Ik dank u vriendelijk voor uw aandacht voor mijn opmerkingen, die ik maak in de hoop dat er zich een vriendschap zal ontwikkelen tussen ons en tussen de steden die we liefhebben en dienen.

Met vriendelijke groet,
Dr. Adeola Enigbokan
Universiteit van Amsterdam, afdeling sociologie