Bij de architectuur van het Africa Museum, een twijfelend herkaderingsproject

Recensie —

In december opende het vernieuwde Africa Museum in Tervuren, net buiten Brussel. Het werd gerestaureerd en met een nieuw onthaalpaviljoen en ondergrondse zalen uitgebreid. De reacties bij de heropening evalueerden tot nog toe vooral in hoeverre het museum er in slaagde haar verhaal te dekoloniseren – onvoldoende volgens veel commentatoren – en een 21ste-eeuwse identiteit te vinden. Die discussie kruist zich vandaag met een debat over mogelijke excuses van België voor het leed dat het land in haar kolonie veroorzaakte.

Zicht vanuit het nieuwe onthaalpaviljoen / Africa Museum, Tervuren / © RMCA, foto Jo Van de Vijver

Ook het ontwerpwerk van Stéphane Beel architecten en de Brusselse restauratie-architecten van Origin verdient een kritische evaluatie, op zichzelf en in relatie tot deze inhoudelijke vernieuwing. Er is veel werk verzet om een beschermd monument te restaureren, toegankelijk te maken en uit te rusten met state of the art klimaat- en displaytechnieken. Ook het binnenleiden van bezoekers via de kelderverdieping van het museumpaleis is een slimme subversieve globale zet ten opzichte van het koloniale museumapparaat. Toch worden de aangeboorde mogelijkheden om deze gelaagde Belgische koloniale lieu de mémoire door een samenspel van architectuur en curating te herkaderen en te problematiseren niet ver genoeg doorgedreven.

Het voormalige Koninklijk Museum voor Midden-Afrika werd door antropologen soms het laatste overgebleven koloniale museum genoemd. De instelling groeide uit het koloniale luik van de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel. Leopold II liet hiervoor de grandioze Tervurenlaan aanleggen vanaf het Jubelpark in het centrum van Brussel tot het zogenaamde Koloniënpaleis dat speciaal voor de gelegenheid gebouwd werd op zijn domein in Tervuren. Het monumentale museumgebouw dat vandaag gerestaureerd en uitgebreid is, is echter een decennium jonger. Het beaux-arts paleisachtig gebouw opende in 1910, naar ontwerp van Charles Girault die eerder in Parijs onder meer ook het Petit Palais-tentoonstellingsgebouw ontwierp en voor Leopold II ook andere projecten tekende. Het gebouw vol rijke materialen en rijkelijk gedecoreerd werd grotendeels door de roemruchte koning zelf gefinancierd, met rubber- en ivoorwinsten uit zijn Kongo-Vrijstaat. Maar bij de opening in 1910 was ‘Kongo’ al twee jaar een Belgische exploitatiekolonie. In de aanloop naar Expo ’58 werden de zaalopstellingen wat oppervlakkig gemoderniseerd en na de Congolese onafhankelijkheid in 1960 werd het Musée du Congo belge omgedoopt tot het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. De vaste opstelling wijzigde echter nauwelijks en ook een post-koloniale perspectiefwissel bleef uit. Toen Guido Gryseels in 2001 directeur werd, zette hij de broodnodige inhoudelijke en infrastructurele vernieuwing van het onderkomen museum in gang.

Het nieuwe onthaalpaviljoen / Africa Museum, Tervuren / © KMMA, Tervuren, foto Jo Van de Vijver

Stéphane Beel heeft al vaker historische sites geherstructureerd en iconische cultuurgebouwen met een uitbreiding op spanning gebracht – denk bijvoorbeeld aan het Centraal Museum in Utrecht, Museum M in Leuven, of kunstencampus deSingel in Antwerpen. Daarbij zoekt Beel nooit naar een zachte inpassing, maar naar een interessante gespannen verhouding. Die strategie paste hij ook toe bij het Africa Museum. De half verlaagde binnenkoer van het historisch museumgebouw breekt bijvoorbeeld de klassieke symmetrie van het complex, net zoals het nieuwe onthaalvolume dat ook op grotere schaal doet. Het is als geheel uitgelijnd op de plancontouren van het historische museumgebouw, maar legt anderzijds wel koeltjes de hele symmetrische schikking van Giraults museumgebouw, zijn adjudant-volumes en de parkaanleg naast zich neer. De ontzagwekkende aswerking wordt erkend maar krijgt ook weerwerk. Met een eigen voorplein en een uitkragende restaurantverdieping projecteert het nieuwe gebouw een nieuwe as parallel aan de bestaande hoofdas. En voortaan toont het historische museumgebouw zich toch vooral met zijn zijgevel aan bezoekers in het onthaalpaviljoen. Ook een minimalistisch geabstraheerde lage witbetonnen tribune in het gras ‘kijkt’ met het onthaalpaviljoen in de rug tegen de gesloten zijgevel van het museumgebouw aan.

Het oude museum, zo stelt Beel, wordt behandeld als een ‘museumstuk’: een historisch artefact dat zorgvuldig geconserveerd wordt, maar ook vanop afstand wordt beschouwd en geherinterpreteerd. Terwijl bezoekers aanschuiven om een kaartje te kopen, lezen ze op het vensterglas een eerste bijschrift dat het historische gebouw van Girault en Leopold II benoemt. De tekst verwijst ook naar de actuele uitdaging om deze instelling te dekoloniseren. Op de verdieping doorbreekt een horizontaal raamkader, zwaar aangezet met een glimmende roestvrijstalen lijst, het ritme van de vertikale glaspanelen. Het tautologisch raamkader in de transparante façade lijkt de herkaderingsoperatie expliciet te verbeelden, maar het verschijnt ook op de andere drie beglaasde gevels van het onthaalgebouw, met zichten op de boomkruinen of de straat. Deze weerbarstigheid van een autonome architectuurcompositie die zich slechts gedeeltelijk door programma of concept tracht te verantwoorden, is typisch Stéphane Beel Architecten. De herhaling van de kaders vermijdt in dit geval misschien wel uitleggerigheid, maar ze verzwakt toch ook de conceptuele scherpte van het gestelde gebaar door dat gebaar niet te reserveren voor de zichten die er (herinneringspolitiek) toe doen.

Trappen / Africa Museum, Tervuren / © David Plas

De keuze voor een ondergrondse verbinding maakt trappen en gangen
erg belangrijk. Tussen de balie en de museumshop in kruisen witbetonnen trappen het paviljoen overdwars. De trap omhoog leidt naar het restaurant op de verdieping, de trap er onder voert langs een eerste ondergrondse verdieping met transparante vergaderruimtes en verder door naar -2, het niveau van de ondergrondse verbinding. Daar bevinden zich eerst nog meer onthaalfaciliteiten – een Engelse koer geeft licht maar geen zicht naar buiten – waarna de oversteek naar het oorspronkelijke museum gemaakt kan worden. De trap is, net als vervolgens de trappen omhoog om het historische gebouw binnen te komen, erg steil, te steil. Deze onroyale museumtrappen mogen wel stroken met de geste een monumentale entrée te bypassen, maar hier wordt toch te sterk aan comfort ingeboet. Ook onvoldoende bemeesterd is het ontwerp van de buitenschalige white-cube-tunnel-gang, honderd meter lang, leeg, en nauwelijks geritmeerd. De enkele deuren naar de naastliggende nog omvangrijkere ondergrondse zalen voor tijdelijke tentoonstellingen zijn nog gesloten. Zelfs de twintig meter lange prauw die halverwege de gang ligt, kan geen impact maken, en wordt iets waar je langs loopt maar niet bij stil staat. Deze gang is gewoon te lang om een verwachtingsboog gespannen te houden. Op de drukke zondagmiddag wanneer ik het museum bezoek, hollen hier kinderen heen en weer en sleept een vader zijn dochtertje zigzaggend over de gladde witte granitovloer, die erg gevoelig blijkt voor vuil .

Door de opengewerkte kelderverdieping van Giraults museumpaleis ook wit te maken, wordt een zekere continuïteit met de ondergrondse nieuwbouw gerealiseerd en wordt het contrast met de materiële opulentie bovengronds uitgespeeld. De textuur van de bakstenen muren en gewelven die voorzichtig door het wit breekt, situeert de bezoeker en de introductietentoonstelling over de historiek, de collecties en de huidige onderzoeksactiviteiten van het museum al voelbaar in het oude gebouw. In een zij-zaaltje is een zichtdepot gemaakt – een ‘schaamtedepot’ volgens Rutger Puntzen in De Volkskrant – voor een twintigtal uit het museum verbannen sculpturen. Op één plint komen hier zowel levensgrote beelden van afrikaanse ‘wilden’ en van hun sokkels gelichte borstbeelden van koloniale ‘helden’ samen. In hun witte omgeving krijgen de gedecontextualiseerde beelden echter ook een vreemde esthetisering, ook omdat deze sleuteloperatie ten opzichte van het historische museum nauwelijks geduid wordt.

De introductiegalerij: Een Museum in beweging / Africa Museum, Tervuren / © KMMA,  foto Jo Van de Vijver

Dit op elkaar afstemmen van architectuurontwerp, het conserveren en cureren van het historisch monument, en de ontwikkeling van een 21ste-eeuws tentoonstellingsverhaal loopt nog wel vaker mank. Een jammerlijk voorbeeld op schaal van het hele museum is de schijnbaar willekeurige inhoudelijke schikking van het dozijn thematische zalen rond de cour d’honneur: van de zaal over de talenrijkdom in Midden-Afrika, loopt de bezoeker via een zaal met opgezette dieren en nog talrijke andere zalen, naar de presentatie over rituelen en ceremonieën. Die schikking lijkt gedeeltelijk ingegeven door de oorspronkelijke historische locatie van een aantal displays. In enkele zalen zoals de ‘krokodillenzaal’ is de historische zaalopstelling zelfs maximaal teruggebracht. Maar in dat puzzelwerk van oude opgefriste en nieuwe onderwerpen is het luik over de koloniale en de post-koloniale geschiedenis van Congo in een zaal beland die de meeste bezoekers pas op het einde van hun bezoek zullen aandoen. Nochtans zou deze zaal net als kadervertelling bij dit hele museum-monument aan het begin van de wandeling erg krachtig gewerkt hebben. Toch zijn er ook voorbeelden van geslaagde interacties tussen respect voor het museum-monument als historisch document en een hedendaagse kijk die dit monument problematiseert. De artistieke interventie van Freddy Tsimba, Ombres [Schaduwen] (2016-18), is er zo een. Op het vensterglas van de gallerij rond de koer liet Tsimba namen aanbrengen van Congolese slachtoffers die hun schaduwen werpen op de achterliggende muur waarop zich een stenen gedenkplaat bevindt ter ere van 1508 Belgische ‘baanbrekers’ die hun leven lieten in Leopolds Onafhankelijke Congostaat.

Freddy Tsimba, Ombres, 2016 / Collectie KMMA, inv. no. 2016.45. / Africa Museum, Tervuren / © RMCA, Tervuren, photo Jo Van de Vijver

Deze nadrukkelijke redactie van het koloniaal monument, waarbij dit donkere erfgoed niet onzichtbaar-inschikkelijk maar problematiserend gecureerd wordt, wordt echter voor rekening van enkele punctuele ingrepen van (Belgisch)-Congolese kunstenaars gelaten. Een conceptuele herkadering met architecturale middelen, zoals Beel die vanuit zijn onthaalgebouw al twijfelend begon, krijgt bijvoorbeeld geen vervolg in de historische interieurs. Daar zijn de restauratie- en renovatie-interventies toch zo onzichtbaar of terughoudend mogelijk gehouden. Daarbij is zeker bijzonder knap werk geleverd, bijvoorbeeld in het herstellen van de transparantie van de historische kijkkasten en hun toerusting met hedendaagse technieken. Ook trefzeker zijn enkele no-nonsense creatieve oplossingen om de niveauverschillen tussen de museumzalen te overbruggen en het gebouw zo toegankelijk te maken. Maar hoe bevrijdend zou het geweest zijn diezelfde complexloze omgang vast te mogen stellen in het confronteren, opbergen en vervangen, en becommentariëren van bijvoorbeeld de problematische koloniale voorstellingen die de decoratieve aankleding van het historische gebouw afmaakten. Nu is bijvoorbeeld een ivoren borstbeeld van Leopold II vanuit zijn dominante positie centraal in de koepelzaal van het museum verplaatst naar een vitrine over de exploitatie van natuurlijke rijkdommen als rubber, ivoor, hout en metaalertsen in de kolonie. Dat is een statement, maar het gestelde gebaar, het weghalen van de buste, blijft onzichtbaar. Nochtans hangt de toekomst van het museum wellicht minder af van zijn future proof gemaakte infrastructuur, dan van zijn vermogen om telkens weer zichzelf publiekelijk te onderzoeken, in een aanhoudende performance van vertellingen en gebaren niet alleen dankzij, maar ook over en tegen deze museale palimpsest. De mogelijkheden en verantwoordelijkheid van architectuur en erfgoedzorg in dit proces hebben de ontwerpers, curatoren en erfgoedconsulenten dan ook te terughoudend ingeschat.