Een cultureel offensief voor een verdeeld continent

Opinie —

2018 was het Europees Jaar voor Cultureel Erfgoed. In dit speciale themajaar, geïnitieerd door de Europese Commissie, werden meer dan 11.000 culturele activiteiten en evenementen verspreidt over 37 landen georganiseerd waar totaal meer dan 6 miljoen mensen op af kwamen; een internationaal cultureel offensief om een Europese culturele identiteit en grensoverschrijdende solidariteit te promoten en bevorderen. Wat blijft hier in 2019, dat in de eerste anderhalve maand al een turbulent jaar voor Europa is gebleken, van over?

foto fdecomite

 ‘Als ik Europa opnieuw mocht vormgeven, zou ik beginnen met cultuur’, aldus Jean Monnet (1888 – 1979), prominent zakenman en een van de vaders van het Europese eenheidsproject. Het is een toepasselijke uitspraak in de huidige politieke werkelijkheid van de Europese Unie. Na de eurocrisis, te midden van de Brexit, en het oprukkende nationalisme lijkt de EU weliswaar een economische eenheid, maar is van Europese gemeenschapszin of en gedeelde culturele beleving weinig sprake.

Europees cultuurbeleid wordt ingezet om hier verandering in te brengen, met als meest recente voorbeeld het Europees jaar voor Cultureel Erfgoed in 2018. Op uitnodiging van de Europese Commissie en Erfgoed Brabant mocht ik afgelopen december aanwezig zijn bij de afsluitende conferentie van het Erfgoedjaar in Wenen die logischerwijs in het teken stond van de succesverhalen. De huidige politieke en maatschappelijke positie van de Europese Unie vraagt echter ook om een kritische houding richting dergelijke initiatieven en richting haar cultuurbeleid als geheel. Want wat brengt een Europees Erfgoedjaar nu eigenlijk teweeg in tijden waarin het politieke en maatschappelijke tij zich juist tégen verdere Europese integratie lijkt te keren? Kunnen we, zoals Jean Monnet ooit heeft gesuggereerd, Europa opnieuw ‘vormgeven’ met cultuur als uitgangspunt en zo ja, wie wordt daar dan beter van? Een kleine terug- en vooruitblik op cultuurbeleid in Europa.

Het Europees Jaar voor Cultureel Erfgoed werd in december 2017 feestelijk afgetrapt door  Eurocommissaris Tibor Navracsics op het European Culture Forum in Milaan. Hier werden onder andere de uitgangspunten van het Erfgoedjaar gepresenteerd: meer Europese burgers in contact te brengen met het cultureel erfgoed van Europa, en het versterken van een Europees saamhorigheidsgevoel. Daarbij reikte het door de EU gefinancierde programma zelfs voorbij haar eigen grenzen, ook landen als Zwitserland, Servië en Oekraïne mochten meedoen. In Nederland werden meer dan 300 activiteiten georganiseerd die cultureel erfgoed in de schijnwerpers plaatsen en aan het publiek lieten zien dat onze nationale cultuur onlosmakelijk verbonden is met die van Europa. De activiteiten waren divers van karakter en daarmee ook gericht op een zo breed mogelijk publiek: van een evenement over documentair erfgoed en migrantengeschiedenis, tot het virtueel nabouwen van verdedigingslinies.

Het Europees Erfgoedjaar van 2018 krijgt een vervolg, zo stelde de Eurocommissaris van cultuur. tijdens de slotbijeenkomst. Met nieuwe beleidskaders en onder de naam a European Framework for Action on Cultural Heritage is het de bedoeling dat er meer aandacht komt voor inclusiviteit en participatie in de cultuursector, duurzaamheid, erfgoedbescherming, kennisontwikkeling, onderzoek, en internationale samenwerking. Ook de oproep voor een hoogwaardige Europese Baukultur kan je hierin te plaatsen. Het centrale idee: een gedeelde Europese toekomst heeft een gedeelde culturele agenda nodig.

Het streven naar Europese cultuur en identiteit is niets nieuws. Al sinds de oprichting van de eerste eenheid, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (de EGKS), beschouwden de Europese leiders cultuur als een belangrijke factor voor het creëren van een bloeiend Europa. In dit kader tekenden in 1973 de EGKS landen de ‘Declaration on European Identity’, en wordt er sinds 1985 ieder jaar opnieuw een Europese Culturele Hoofdstad verkozen. Ook het verdrag van Maastricht, waarmee in 1992 de Europese Unie werd opgericht, wijdde een artikel aan het ontwikkelen van een gemeenschappelijk cultuurbeleid en het promoten van een Europese identiteit.

Op dit cultuurbeleid is veel aan te merken. De meeste projecten worden top-down gecoördineerd en de subsidie komt vaak terecht bij de usual suspects, zoals de grote nationale organisaties. Kleinere instellingen missen de kennis, mankracht en het netwerk om effectief EU-subsidies aan te vragen, wat een goede spreiding van gelden belemmert. Daarnaast werd (en wordt) Europese cultuur vaak als een essentialistisch begrip neergezet. Kijk bijvoorbeeld naar het European Heritage Label, een verzameling objecten en locaties die samen ‘het verhaal’ van Europa vertellen als een epos van wetenschappelijke, technologische, politieke en maatschappelijke vooruitgang. Hier wordt voorbijgegaan aan het pluriforme, betwiste en fluïde karakter dat inherent is aan cultureel erfgoed.

Zal het de saamhorigheid binnen Europa echt bevorderen, dit culturele offensief gericht op identiteits- en cultuurvorming? Ik vraag het me af. Tot op heden is het niet gelukt een gemeenschappelijk verhaal te presenteren waarmee mensen uit zowel Italië, Duitsland en Estland zich identificeren. Het Europese verhaal is te veelzijdig en haar inwoners te divers. De Europese Unie wordt daardoor voornamelijk gezien als een gezichtsloze bureaucratie wiens besluitvorming ver afstaat van het dagelijks leven. Dit draagt mede bij aan de desinteresse voor de Unie van haar eigen burgers. Zo is de gemiddelde opkomst voor het Europese Parlement altijd flink lager geweest dan voor welke nationale verkiezing dan ook. Het streven naar één Europese identiteit lijkt binnen deze context dan ook erg ambitieus, en misschien zelfs wel gedoemd tot mislukken.

De Unie staat onder druk, zowel door economische oorzaken als door onenigheid over Europese normen en waarden. In het westen zaaien gele hesjes onrust op internationale schaal, en in het oosten staat de democratie steeds meer onder druk door beleid van rechts-populistische regeringen. Het zijn niet de Europese, maar juist de nationale belangen die momenteel de boventoon voeren. Cultuur kan fungeren als verbindende factor op dit verdeelde continent, mits deze wordt ingezet op een doordachte manier: een diplomatieke manier. Door relaties op te bouwen tussen culturele instanties, door initiatieven uit verschillende landen, en door onze culturele verschillen te vieren in plaats van de nadruk te leggen op een gezamenlijke, ontworpen, identiteit. Een goed voorbeeld hiervan is het werk van DutchCulture en het Goethe Instituut.

Het Europees Jaar voor Cultureel Erfgoed is binnen de bredere context van Europees cultuurbeleid een stap in de goede richting. Tijdens het afgelopen jaar hebben lokale projecten volop de ruimte gekregen voor eigen initiatief en interculturele samenwerking. Het Europees cultuurbeleid heeft daarmee een meer ‘bottom-up’ karakter gekregen en dat smaakt naar meer. In plaats van te kijken naar een gemeenschappelijke Europese culturele identiteit, opgelegd van bovenaf, moet het namelijk aan de inwoners zelf zijn om te bepalen wat zij als erfgoed beschouwen en hoe zij dit binnen de bredere Europese context kunnen plaatsen. Op deze manier kunnen we zorgen dat de Europese Unie weer wordt gezien als een force for good, in plaats van een gezichtsloze bureaucratie die nationale belangen alleen maar in de weg staat.