De zachte kracht van architectuur

Recensie —

Het zou goed zijn als architectuuropleidingen meer aandacht besteden aan de inzichten die opgedaan worden in vakgebieden als de neurowetenschappen en (omgevings)psychologie over de invloed van de omgevingsfactoren op de mens. Architectuurcritica Sarah William Goldhagen vat op populair wetenschappelijke wijze de stand hierover samen in haar recente boek Welcome to Your World. How the Built Environment Shapes Our Lives. Het vormt een spiegel voor architecten: wat weten zij hier eigenlijk van?

snede spread besproken boek

Aan het slot van haar boek Welcome to Your World refereert de Amerikaanse architectuurcritica Sarah Williams Goldhagen aan de ‘capabilities index’, ontwikkeld door de filosofe Martha Nussbaum en de econome Amartya Sen. Deze index is een meetinstrument om de verschillende levensomstandigheden in de wereld met elkaar te vergelijken; de Verenigde Naties gebruikt hem om armoede mee in kaart te brengen. De index geeft een meer gedetailleerd beeld dan een beperkte focus op de financiële omstandigheden, aangezien hij oog heeft voor ‘wat mensen kunnen doen en zijn’, schrijft Goldhagen. Opvallend is echter, stelt ze daarna, dat er in deze index geen aandacht is voor de alledaagse gebouwde omgeving.

Inderdaad opvallend, want de omstandigheden waarin men opgroeit zijn nogal bepalend voor de kansen en mogelijkheden later in het leven. Nussbaum en Sen zien het ruimtelijke aspect van armoede over het hoofd. Daarin staan deze denkers bij lange na niet alleen. Het is precies dit gebrek aan besef hoe belangrijk de fysieke omgeving is voor menselijk welzijn, dat Welcome to Your World probeert te ondervangen. De publicatie maakt aan een niet vakpubliek duidelijk dat het ontwerp van huizen en scholen, steden en landschappen, kantoren en fabrieken ertoe doet.
Het boek mag dan het belang van architectuur proberen uit te leggen aan leken, door op een populairwetenschappelijke manier gebruik te maken van de recente kennis van omgevingspsychologie en neurowetenschappen, het is tegelijk een belangrijke spiegel voor ontwerpers. Omgevingspsychologie, laat staan de neurowetenschappen, is immers vreemd genoeg geen vak dat aan studenten architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur onderwezen wordt.

In recente literatuur over omgevingspsychologie en neurowetenschap wordt benadrukt hoe bepalend omgevingsfactoren zijn voor de mens. Niet alleen sturen ze de patronen van het alledaags leven, maar beïnvloeden daarmee ook (onbewust) onze kijk op de wereld en op ons zelf. De mens is een door de omgeving geconditioneerd wezen. Wie in een nette villawijk opgroeit heeft hoe dan ook een andere ervaring van de wereld dan wie op een boerderij is groot gebracht. ‘Urban spaces, landscapes, and buildings – even small and modest ones – profoundly influence human lives,’ schrijft Goldhagen. ‘They shape our cognitions, emotions, and actions, and even powerfully influence our well-being. They actually help constitute our very sense of ourselves, our sense of identity.’ Dat de opzet van een stad, een wijk, een huis kan bijdragen aan de fysieke gezondheid van inwoners is inmiddels gemeengoed. Evenzo geldt dit voor de vraagstukken van identiteit en gemeenschapszin, die gekoppeld worden aan stijl en traditie. Hoe belangrijk deze aspecten zijn, is afgelopen week wel duidelijk geworden via de overwinningsspeech van Forum voor Democratie-voorman Thierry Baudet. Hij wijst de moderne architectuur af en kiest voor een traditionele stedenbouw. Uit de context van zijn uitspraken is wel duidelijk dat hij architectuur ziet als uitdrukking van identiteit. Hij bedoelt: grootse architectuur verleent identiteit aan een groter geheel, het is de uitdrukking van een gedeelde beschaving, een gedeeld verleden. Architectuur moet ‘het volk’ van trots vervullen – dat hadden ook de Romeinse keizers al door met het oprichten van triomfbogen en grootse arena’s.

spread besproken boek

De identiteit waar Goldhagen het over heeft, gaat minder over stijl en associatie maar meer over de fysieke organisatie en ordening van de gebouwde omgeving: die bepaalt onze kijk op de wereld, de samenleving, de ander, en ook op onszelf. Architectuur kan onze relatie met de wereld, de omgeving, de ander maken of juist danig in de weg zitten. De opzet van een bouwblok kan ons in contact brengen met andere bewoners, of juist ervoor zorgen dat we elkaar ontlopen. De aandacht voor detail kan zorgvuldigheid uitstralen, of juist een laisser-faire gevoel oproepen. Dat alles vertaalt zich weer in hoe wij – de mens – met de omgeving omgaan. Het is als het bekende voorbeeld van graffiti: de eerste tag lokt andere spuiters aan, vandaar dat overheden er vaak veel voor over hebben om graffiti op belangrijke plaatsen meteen te verwijderen.

In de samenvattingen en analyses van Baudets toespraak die ik nadien las werd architectuur niet of nauwelijks meer genoemd. Dat is tekenend, maar in lijn met het gebrek aan oog voor de omgeving. Goldhagen typeert haar boek dan ook als een ‘call to action’ voor het gewone publiek. 85% van wat er in de Verenigde Staten wordt gebouwd – niet alleen kleine bouwwerken, maar zelfs bruggen en stadsparken –, wordt ontworpen door bouwbedrijven. Hier komt dus niet of nauwelijks een architect (ofwel: aandachtig ontwerp) aan te pas. En de opdrachtgevers, politici en bouwbedrijven komen er mee weg: de Amerikanen verwachten niet anders, stelt de auteur. Maar wat als ze meer aandacht voor het ontwerp van de alledaagse omgeving zouden verwachten, vraagt Goldhagen dan retorisch, wat voor effect zou dat hebben op de samenleving? Als voorbeeld neemt Goldhagen Nederland: ‘wij’ verwachten aandacht voor de omgeving, stelt ze als voorbeeld. Het is vastgelegd (of was vastgelegd) in de regels voor het bouwen en wordt via welstandscommissies getoetst. In de ogen van Godlhagen krijgen we in Nederland dan ook met aandacht ontworpen wijken en gebouwen.
Met deze verwijzing stelt Goldhagen het verschil tussen architectuur en bouwen ter discussie. Dit onderscheid wordt vaak expliciet gebruikt in architectuurtheorie, maar nog veel vaker sijpelt de impact ervan impliciet door in de hele bouwketen. Zeker in Amerika, waar zoveel zonder architecten wordt gebouwd. Het suggereert alsof er zoiets is als het gewone bouwen (de alledaagse bouwproductie, waarover nooit geschreven wordt in vakliteratuur, in kunsttijdschriften, of in de krant), en de architectuur (de uitzondering, die bejubeld wordt onder architecten en critici). Alsof ‘architectuur’ alleen noodzakelijk is voor musea en stadhuizen, voor iconische gebouwen of uitzonderlijke villa’s, en ‘gewone’ huizen, scholen en kantoren uit de catalogus gebouwd kunnen worden. Terecht noemt Goldhagen dit idee ‘vals’: de alledaagse omgeving heeft, in vergelijking met de uitzonderingen, immers onevenredig veel impact op haar gebruikers en bewoners! Juist daar kan de architect dus impact hebben op de manier waarop de mens verbonden is met huis en straat, stad en landschap. Alle aandacht voor de gewone alledaagse dus!

snede spread besproken boek

Misschien ben ik als Nederlander te verwend, maar zo positief over de kwaliteit van de Nederlandse bouwproductie als Goldhagen ben ik zeker niet. Wat mij betreft is het boek dan ook niet alleen een ‘call to action’ voor de samenleving, maar zeker ook voor ontwerpers, zoals Goldhagen ook stelt. Want is het niet vreemd dat op architectuurscholen – voor zover ik weet – het vak van omgevingspsychologie niet onderwezen wordt? Wat weten architecten eigenlijk over de beleving en impact van hun gebouwen? Niet enkel als momentane belevenis, maar als omgeving die de ervaring op lange termijn stuurt? Iets van dit onderzoeksveld sijpelt de architectuur wel binnen. Vooral bij het ontwerpen van zorgomgevingen biedt ‘Human Centered Design’ waardevolle aanknopingspunten voor ontwerpers. Er wordt onderkend hoe belangrijk de omgeving is voor patiënten, niet alleen als een decor om tegenaan te kijken (mocht je langere tijd verzorgd moeten worden), maar ook met een daadwerkelijk effect op de gezondheid.

Goldhagen benadrukt hoe de omgeving het lichaam, de zintuigen en de hersenen activeert en hoe we ons hechten aan objecten, locaties, gebouwen. Telkens brengt ze wetenschappelijke inzichten direct in relatie tot de gebouwde omgeving, door deze te verbinden aan aspecten van (bekende) bouwwerken, of door gebouwen als voorbeeld te stellen om de theorie uit te leggen. Louis Kahns ontwerp voor het Salk Institute in Californië gebruikt ze om uit te leggen hoe het menselijk visueel vermogen, het gehoor, en het proprioceptieve cognitieve vermogen worden bediend door licht, lucht en water en ons zo bewust maakt van de omgeving en hoe de basale vormen bijdragen aan ons begrip van het gebouw.
Zelf komt Goldhagen tot de conclusie dat de mens het meest gebaat is bij een architectuur die gekenmerkt wordt door de combinatie van herhalende patronen en complexiteit. Die conclusie komt voort uit de door haar besproken gebouwen, hoogtepunten (en soms ook minder geslaagde momenten) uit de architectuurgeschiedenis. Dat is zowel een sterkte als een zwakte van het boek. Sterk is dat de voorbeelden zeer herkenbaar zijn voor ontwerpers en inzichten meteen concreet worden in de mogelijkheden die architecten kunnen inzetten. Gelijktijdig ondergraaft het het betoog; blijkbaar hebben veel van de ontwerpers van de hoogtepunten uit de (recente) architectuurgeschiedenis het intuïtief ‘goed’ gedaan.
Komen we hier niet in een cirkelredenering terecht? Dat de omgeving voor de mens zo vertrouwd is voor de mens dat de wetenschap uiteindelijk alleen kan aantonen dat het wel goed is zo. Dat de voorbeelden alleen kunnen bevestigen wat we ook uit de architectuurgeschiedenis kunnen leren? En dat we ontwerpers met een goede intuïtie ook prima uit de voeten kunnen?

spread besproken boek

Maar daarmee wordt Goldhagen geen recht gedaan. Haar boek is te lezen als een pleidooi voor kwaliteit in de architectuur, maar dan wel een kwaliteit die niet gefocust is op esthetica, maar vooral ten goede komt aan de menselijke psyche. Daar schort het in de architectuur maar al te vaak aan: dat inzicht dat de gebouwde omgeving grote invloed heeft op de menselijke geest. Architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten, studenten architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur doen er dus goed aan kennis uit de omgevingspsychologie en neurowetenschappen tot zich te nemen. Tegelijkertijd is het ook van belang te onderkennen dat met name de omgevingspsychologie geen exacte wetenschap is. Psychologen kunnen patronen herkennen, maar wat gevonden wordt is niet per definitie toepasbaar op alle mensen. De menselijke ervaring is zo divers als er mensen zijn: ze wordt gevoed door nurture and nature, door de genen en de eerdere persoonlijke ervaringen. De omgevingspsychologie biedt mooie inzichten, maar het zijn wel gegeneraliseerde inzichten uit enquêtes, soms gecombineerd met fysieke metingen (hartslag, bloeddruk, cortisol, etc.). Ook met deze kennis valt de daadwerkelijke ervaring van de architectuur, noch hoe ze mensen uitdaagt (en daarmee uitwerking op de samenleving) niet precies te voorspellen.

Gelijktijdig en terecht pleit Goldhagen bij ontwerpers dat ze de invloed van de omgeving op de mens niet moeten bagatelliseren. De kennis uit de omgevingspsychologie biedt wel degelijk aanknopingspunten voor een architectuur die aansluit bij de gebruikers. We moeten die niet links laten liggen ten faveure van de creativiteit of originaliteit – de grootheden die zo vaak in ons vakgebied bewust of onbewust centraal staan. Goldhagen houdt daarmee dus de ontwerper een spiegel voor. Niet om architectuur nu vast te pinnen in het vakgebied van de omgevingspsychologie of neurowetenschap, maar wel om ervan te leren met behoud van de creatieve kant van het vak: de innovatie en ontwikkeling, de afwijking en de uitzondering. Goldhagen houdt daarmee ruimte voor de architect als scheppende ontwerper. Juist op basis van kennis kan de ontwerper als ontwerper aan de slag. Dan is het ontwerp geen slag in de lucht, maar creativiteit die gebruik maakt van de actuele inzichten uit de wetenschap. Voor architecten is het boek een kritische spiegel, dat ons telkens wijst op het bredere belang van ons vak. Omgekeerd is te hopen dat het boek bij het bredere publiek inderdaad de ogen opent voor de eigen omgeving. Architectuur is geen speeltje, geen leuke versiering, maar nogal bepalend voor de psyche van mens en samenleving.