Geleefde ruimte maken: fundamenten van een (toekomstige) architectuurpraktijk

Recensie —

De roep dat de praktijk van de architect op de schop moet is niet nieuw. Voegt de publicatie Founding Alive Architecture, From the Ephemeral to Durational Lived Space van architecte Petra Pferdmenges een nieuw geluid toe?

spread uit besproken boek

Het standpunt dat de praktijk van de architect op de een of andere manier op de schop moet, duikt wel vaker op, vooral in de context van de sociaal geëngageerde architectuurpraktijk, theorie en kritiek. Er zijn tal van experimentele en sociaal geëngageerde bureaus die antwoord willen geven op de vraag hoe die architectuurpraktijk er dan daadwerkelijk uit kan gaan zien. In die context is ook de praktijk Alive Architecture van architecte Petra Pferdmenges te plaatsen. Onlangs bracht zij het boekje Founding Alive Architecture, From the Ephemeral to Durational Lived Space uit, waarin ook zij haar sociale, participatieve en interdisciplinaire agenda op de kaart zet als een van de speerpunten van de toekomstige architectuurpraktijk. Niets nieuws zou je zeggen, maar toch is haar praktijk in de Brusselse context een unieke casus, die binnen de lokale architectuur scene veel aandacht krijgt en voor de nodige discussie zorgt.

Bij mij wekt Pferdmenges praktijk vooral dubbele gevoelens op; aan de ene kant inspireert mij de wilskracht en het doorzettingsvermogen om, als architect, samenwerkingen aan te gaan met buurtbewoners, lokale partijen en politiek. Aan de andere kant vraag ik mij af in hoeverre de rol van de architect wordt opgeschoven naar een organisatorische en sociologisch onderzoekende rol, die de dagelijkse realiteit van het beroep slechts gedeeltelijk adresseert. Want wordt het vraagstuk van het creëren van gebouwen (al dan niet in collectieve vorm) eigenlijk wel behandelt in Pferdmenges praktijk? Of wordt dit vervolgens overgelaten aan een architectuurwereld die niets voelt voor al die sociale praktijken?

Zoals op de binnenflap van het boekje te lezen valt is Pferdmenges een Duitse architecte die sinds 2009 in Brussel woont en werkt. In 2010 richtte zij Alive Architecture op via haar praktijk gericht doctoraatsonderzoek aan het Royal Melbourne Institute of Technology [RMIT] in Australië. Zowel in haar praktijk als in haar theoretisch en docerend werk, claimt ze “de veranderende rol van de architect te verkennen in sociaal-ruimtelijke transformatieprocessen”. In het boekje verkent ze vooral haar eigen rol als architect in de sociaal, politieke en stedelijke context van (voornamelijk) Brussel. Door haar op “onderzoek gebaseerde praktijk” te koppelen aan haar “praktijk gericht onderzoek”, doet ze een slinkse zet om zowel haar bureau in de kijker te zetten, alsmede de veranderende rol van de architect te bestuderen vanuit haar eigen praktiserende perspectief.

spread uit besproken boek

In het fel rode boekje zet ze enkele reflecties van haar praktijk op papier die een directe link hebben met de verschillende projecten die zij zelf, of in samenwerking met anderen, over de jaren heen initieerde. Grotere projecten, zoals het veel besproken Parckfarm in Brussel komen aan bod, maar ook kleinere initiatieven en stedelijke eenmansacties vinden hun plek. Na een korte maar krachtige inleiding van Brussels Bouwmeester Christiaan Borret, storm je als lezer op chronologisch wijze door haar carrière, die in vier heldere hoofdstukken is opgedeeld: van het Tekenen naar het Testen en Coproduceren, tot aan het Cureren van de Geleefde Ruimte.

Buurtvergaderingen, optredens onder een brug, spelende kinderen en tuinierende mensen; het zijn voorbeelden die de ‘geleefde ruimte’, of Lived Space zoals Pferdmenges het noemt, moeten illustreren. Zo stelt Pferdmenges voor om de architectuurdiscipline uit te breiden, van de gebouwde ruimte naar de geleefde ruimte, een ruimte waar “de transformatie van het publieke domein” plaats vindt en waar “via het bouwproces ontmoetingsplaatsen worden gevormd voor mensen met verschillende culturele achtergronden”. Maar hoe verkent ze de veranderingen in de rol van de architect nu daadwerkelijk? Hoe daagt ze haar eigen positie als architecte uit om het leven centraal te stellen in de architectuur? En hoe relevant is het om juist haar rol in de kijker te zetten?

In het tweede hoofdstuk presenteert Pferdmenges op het eerste oog ludieke acties die onze aandacht vooral van het gebouwde wegtrekken en ons laten focussen op het geleefde. Een project, genaamd Visible Invisible, betreft een expositie in een gegoede buurt in Elsene (Brussel) waarin ze een kijkraam uit de Brusselse rosse buurt nabootst. Het project gaat hier om een simpele actie en reactie van omstanders en omwonende en werkt als trigger voor ontmoetingen tussen mensen met verschillende culturele achtergronden. De naam van het hoofdstuk Testen van de Geleefde Ruimte doet in die zin eer aan het project dat ook niet meer is dan dat pretendeert te zijn.

spread uit besproken boek

Het derde hoofdstuk focust op het Coproduceren van de Geleefde Ruimte en dit wordt geïllustreerd door twee projecten die inderdaad niet beginnen en eindigen bij een eenmansactie en reacties daarop. Het eerste project Infrared bemoeit zich met de wensen van sekswerkers in de Aarschotstraat in Schaarbeek, Brussel, het tweede project Licht-ing probeert de gemeenschap van een woonwagenkamp in Aalst te verbroederen met omwonenden. Met al deze projecten wil Pferdmenges de “geleefde ruimte produceren”. Echter er lijkt ergens iets dwars te zitten met het idee van “het produceren van geleefde ruimte”. Het is misschien de taallogica die Pferdmenges  introduceert die impliceert dat er geen geleefde ruimte bestaat voordat deze geproduceerd wordt, al dan niet door Pferdmenges zelf. Het interessante aan deze projecten is daarom in mijn ogen niet het nobele doel of ideaal dat de projecten in gang wil zetten, die kan met enige kritische reflectie in twijfel worden getrokken, het idee dat de desbetreffende leefomgevingen moeten verbeteren is immers allereerst een projectie die gemaakt wordt buiten de geadresseerde gemeenschappen.
Interessant is het feit dat de projecten van voorbedachte acties uiteindelijk veranderden in een proces, in een complexe samenwerking en discussie met meerdere stemmen en idealen. Zo begint het Infrared project met enkele ludieke eenmansacties, vervolgens worden er door Pferdmenges andere partijen ingeschakeld, zoals een foodtruck en de pers, waarop een tweede ondernemer zelf het initiatief neemt om ook eten te verkopen in de Aarschotstraat. De aandacht voor het project maakt het  vervolgens mogelijk om nog meer partijen bijeen te brengen, waar Pferdmenges handig gebruik van maakt door middels een kleine straat-expositie politiek en sekswerkers met elkaar in een informeel gesprek te brengen. Door op een gewiekste manier tussen de sociale en politieke structuren van Brussel te pendelen krijgt ze het voor elkaar om draagvlak te creëren vanuit beide kanten, wat niet een voor de hand liggende zaak is gezien de complexiteit van de Brusselse politiek en de gelaagdheid van de Brusselse samenleving. De discussie over de toekomst van het desbetreffende gebied wordt nu gevoerd samen met de omringende gemeenschappen en de lokale politiek. De kritische vraag is wel hoelang deze dialoog stand houdt en of deze dialoog de bestaande problematiek (of de niet bestaande problematiek) detecteert.

Over dit laatste punt lijkt Pferdmenges niet in te zitten, er worden immers geen vragen gesteld over, noch secuur onderzoek gedaan naar, de relevantie van de locaties en gemeenschappen die in de kijker worden gezet. Wel wordt er nagedacht over de tijdelijkheid van de projecten. De subtitel van het boekje heet niet voor niets From the Ephemeral to Durational Lived Space, vertaalt naar ‘Van een Vluchtige naar een Duurzame Geleefde Ruimte’. De tijdelijkheid van haar projecten wil ze omzetten naar een langdurige impact op de stedelijke en geleefde ruimte. Ze ziet haar rol, en de rol van de architect in het algemeen, als een “aanstoker van de geleefde ruimte, die de kloof moet overbruggen tussen tijdelijke stedelijke acties en blijvende transformaties”. Daarop volgend is het de taak, zo schrijft ze, om “de lokale overheden uit te nodigen om het sociaal-ruimtelijke proces binnen de stedelijke transformatie naar waarde te schatten”. Met andere woorden, de politiek zal moeten inhaken op de (door de architect) in gang gezette dialoog en activiteiten.

spread uit besproken boek

Deze blijvende transformatie, waarin een architectuurpraktijk enkel het begin is van een langer proces, waarin het stokje wordt doorgegeven aan lokale organisaties, gemeenschappen en politiek, wordt in het boekje mooi geïllustreerd in het vierde hoofdstuk met het Parckdesign 2014: Parckfarm project in Brussel. In dit project neemt Pferdmenges, samen met anderen, de rol als curator aan voor kunstenaars en bewoners, in de eerste fase van de renovatie van het Thurn en Taxis Park in Brussel. Het project haakt in op bestaande informele activiteiten op het terrein – er werden al kippen en duiven gehouden en groenten geteeld – met het doel om deze activiteiten te integreren in het vernieuwde park. Door maandelijkse openbare meetings te organiseren en een open oproep te plaatsen voor multidisciplinaire teams (ontwerper, een lokale actor en landbouwer uit de streek), worden tal van projecten verweven met de gemeenschap en lokale organisaties. Een aantal spraakmakende voorbeelden zijn: Farmhouse, een tweedehands serre met een bar en plek voor activiteiten, en KotKot, een dierenboerderij met kippen, schapen en ganzen. De bestaande moestuin wordt uitgebreid tot ‘receptentuin’ en een geliefde pizza-oven krijgt een plek in het nieuwe park.

Mede door het draagvlak van de bewoners, het oprichten van de VZW Parkfarm T&T en door publiciteit en lobby-werk met lokale autoriteiten, krijgt Parkfarm een permanente plek in het park. Zoals Pferdmenges terecht schrijft, Parkfarm een concrete casus geworden over een sociaal-geëngageerde stadstransformatie. “De media-aandacht miste haar effect niet en inspireerde collega’s om gelijkaardige projecten buiten Brussel te ontwikkelen.” Dit wijst ook in de richting van het mogelijke doel van dit boekje en Pferdmenges praktijk: het moet ons burgers, architecten, curatoren, organisatoren, politici etc. inspireren en doen verlangen naar (het maken van) inclusieve en participatieve geleefde ruimtes. Verlangen is immers de drive van het participatie proces. Maar motiveert het ons? Laat het ons verlangen om aan de slag te gaan, om een architectuur te creëren die verbindt?

spread uit besproken boek

Het permanente Parkfarm in Brussel prikkelt mijn zintuigen als jonge architecte, en die van vele anderen. De vraag is echter of dit boekje haar doel bereikt en in hoeverre de vorm ervan de inhoud reflecteert. Met de drietalige opmaak, EN, FR, NL, is het zeker genereus en inclusief, onder andere naar de Brusselse bewoners, echter de manier waarop het boekje is geschreven is minder genereus en laat ons soms denken dat het niet meer is dan een sales pitch voor Pferdmenges eigen praktijk. Het wijkt immers niet veel af van haar eigen website en de herhalende zinnen en termen verliezen op den duur hun betekenis. De nadruk ligt op de afbeeldingen van de projecten, die ook niet al te veel tot de verbeelding spreken. Ook is het jammer dat Alive Architecture zich niet meer in een internationale context plaatst van gelijkaardige praktijken, omdat dit de horizon zou kunnen doen verbreden en het beeld van de toekomstige rol van de architect zou kunnen verrijken. En daarnaast trekt Pferdmenges zelf maar weinig dingen in twijfel. Ook dat is jammer, vooral omdat twijfels en het stellen van vragen nu net de lezer kan doen engageren.
De kunde van het verbinden en engageren die in haar praktijk zo duidelijk de kern vormt, is in Founding Alive Architecture op de achtergrond geschoven, en de vraag is waarom. Zou Alive Architecture haar sociaal-architecturale doelen niet nog beter bereiken als ze haar sales pitch zou laten liggen? Immers leren we van haar dat architectuur niet meer draait om de architect en het gebouwde zelf, maar om het complexe participatieve proces daaromheen. Of heeft Pferdmenges, en daarmee de toekomstige architectuurpraktijk, die egocentrische architectenstrategie nog steeds kei hard nodig om de (Brusselse) politiek en architectuurwereld om haar of zijn vingers te winden?