Eenvoudige genoegens

Recensie —

Te zeggen dat Gerrit Rietveld een eenvoudige, vriendelijke man was die eenvoudige, wonderschone bouwwerken en meubelen maakte, zou nogal een cliché zijn. Maar niet geheel onwaar. Hoe waar en onwaar het is blijkt uit het recent verschenen boek Weelde van de eenvoud, van fotograaf Arjan Bronkhorst, dat gaat over door Rietveld ontworpen huizen. Interessanter nog is dat het boek duidelijk maakt dat eenvoud een verre van eenvoudig begrip is.

Huis Blaha, Best (1957) / Gerrit Rietveld / © Arjan Bronkhorst

Weelde van de eenvoud geeft een representatief, rijk overzicht van de huizen van Gerrit Rietveld. Van de circa honderd huizen die hij bouwde zijn er twintig geselecteerd, op basis van de architectonische kwaliteit van de huizen en staat van oorspronkelijkheid (hoe minder er verbouwd was, hoe beter). Van die twintig huizen wordt kort de ontstaansgeschiedenis beschreven en hoe en door wie ze vervolgens bewoond werden. Weelde van de eenvoud is vooral een indrukwekkend fotoboek. Zo klinkt het misschien als een koffietafelboek, maar daarvoor is het niet ‘glamorous’ genoeg. De fotograaf heeft niet alleen aandacht gehad voor de architectuur, maar ook voor het wonen; zo zijn er foto’s van gebruikssporen en van niet opgeruimde woonkamers met een hometrainer en een tafel vol paperassen. Het soort foto’s die je – helaas! – niet vaak te zien krijgt in een architectuurboek.

Het is wel een groots boek geworden. Het formaat is enorm, het is dik (ruim 500 pagina’s)  en bovendien gedrukt op lekker dik en zwaar papier en mooi gebonden zodat het goed open blijft liggen. Misschien is het boek wel iets te groots opgezet en vormgegeven, te monumentaal bijna. De huizen lijken soms bijna te bezwijken onder dit eerbetoon. Van buiten zijn Rietvelds huizen namelijk allesbehalve indrukwekkend, maar juist nogal onopvallend. Zoals kunsthistorica Ida van Zijl uitlegt in de inleiding bij het boek komt dat omdat Rietveld vanuit het interieur werkte: van binnen lijken de huizen wel groots, althans ruim. Boven alles wilde Rietveld ruimte creëren; licht, lucht en ruimte, daar draaide het bij hem allemaal om.

Je zou dat ‘licht, lucht en ruimte’ een esthetisch, kunstzinnig ideaal kunnen noemen, een ideaal dat Rietveld hoog in het vaandel droeg en dat hij bepaald niet schroomde anderen, zoals zijn opdrachtgevers, op te leggen. Dat Rietveld een eenvoudig, in de zin van bescheiden man en architect was, ‘een timmerman’, is een cliché dat misschien niet helemaal onwaar is, maar dat wel nuancering behoeft. Van Zijl wijst erop dat Rietveld  belezen was en eigenlijk een ambitieuze, pretentieuze man en architect was. Hierdoor zit er iets belerends in die eenvoud van Rietveld: de spartaanse huizen lijken wel lessen in eenvoud. Nogal harde lessen. Rietveld kon zijn ideeën over licht lucht en ruimte tamelijk dwingend opleggen en daarbij zelfs manipulatief te werk gaan.

Huis Slegers, Velp (1955) / Gerrit Rietveld / © Arjan Bronkhorst

Eenvoud was niet zomaar een uitgangspunt voor Rietveld; het boek is tweetalig en het ‘eenvoud’ uit de titel is vertaald naar sobriety, soberheid, en dat is goed getroffen. Het ging Rietveld vermoedelijk om eenvoud in de zin van sober, nuchter en vooral onbedorven en zuiver in vormentaal.

Soms werd daar ook om gevraagd, bijvoorbeeld door de opdrachtgevers voor een zomerhuis in de duinen bij Petten. Bij toeval stuitten de opdrachtgevers, het echtpaar Brandt Corstius, op Rietveld, en dat bleek een gelukkig toeval. Zoon Frank Brandt Corstius: ‘Mijn ouders waren heel zuiver op de graad. Niet drinken, niet roken en geen vlees eten. En veel wandelen en kamperen. Ze deelden met Rietveld een bepaalde soberheid en rechtlijnigheid.’

Levert dat niet een zomerhuisje op dat te schraal is om er echt vakantie te kunnen vieren? Ja en nee. Het is weinig, maar goed  beschouwd meer dan genoeg. Het zomerhuisje is nog in bezit van de familie, in de zomer van 2018 schreef de kleindochter van de opdrachtgevers, Aaf Brandt Corstius, in haar column in de Volkskrant over hun zomerhuisje:

“Het huisje is fantastisch, en hoe ouder ik word, des te beter ik dat zie, want als je een kind bent, heb je weinig tot geen waardering voor de ontwerpvisie van Rietveld. Dan is het vooral belangrijk dat een zomerhuisje in een magische driehoek van strand, bos en midgetgolfbaan ligt, wat hier precies het geval is. Dat is prettig voor een kind. Door de magische ligging is er verder weinig nodig bij dat huisje; een barbecue, een spel speelkaarten, een waslijn om je zwempak aan te hangen en een heel oud boekje met vogels van de Noordzeekust dat niemand ooit inkijkt, maar dat er gewoon moet liggen.”

Eerlijk gezegd had ik Rietveld altijd voor een strenge calvinistische modernist gehouden, iemand voor wie soberheid een absolute waarde is en die niets te maken heeft of te maken wil hebben met zoiets kleinzieligs als comfort. Alsof gemakzucht de ultieme hoofdzonde is. Berucht is zijn legendarische weerwoord op mensen die klaagden over zijn Rood-blauwe stoel, waarin je nauwelijks kan zitten: “Zitten is een werkwoord.”

In Zomerhuis Brandt Corstius staan verschillende Rietveld-meubelen… en een bank. Die bank zou een argeloze kijker misschien niet meteen opvallen, maar Aaf Brandt Corstius zag het meteen: “in het huisje is plotseling een bank verschenen. Ik weet niet wie van mijn familieleden haar er heeft neergezet. Het is gewoon die ene Ikeabank van de allergoedkoopste soort, maar het is ongelofelijk wat die voor het huisje doet. Van een spartaanse cel – een prachtige cel, dat wel – is het ineens een vijfsterrenluxeresort geworden. Als je de hele dag door de duinen hebt gelopen, kun je ‘s avonds zitten. Op iets zachts. Urenlang, zonder pijn te krijgen.”

Vakantiehuisje familie Brandt Corstius, Petten (1939) / in beeld Frank Brandt Corstius / Gerrit Rietveld / © Arjan Bronkhorst

Toch zou het onjuist zijn Rietveld te typeren als een calvinistisch modernist, omdat hij niet altijd een steile, streng in de leer zijnde fanaticus was, maar soms een pragmaticus kon zijn. Soms kon hij meegaan of vooruitlopen op praktische en banale behoeften van zijn opdrachtgevers.

De grote woonkamer van Zomerhuis Brandt Corstius is een compromisloze ode aan licht, lucht en ruimte, maar voor de keuken had Rietveld wel aan praktische zaken gedacht, zoals een mini-kelder, een betonnen put onder een keukenkastje waarin met een houten liftje bederfelijke waar neergelaten kon worden. Je zou het eenvoudig in de zin van simpel en handig kunnen noemen, maar ook kneuterig. Dat laatste zie je ook op foto’s van andere huizen, van keukens vol kruidenrekjes en opklapbare strijkplanken… Bij dit soort foto’s ben je even geneigd Rem koolhaas gelijk te geven, toen die het Schröderhuis in Utrecht de “zigeunerwagen van de moderne architectuur’, noemde, vol ‘bedoelingen en bedoelinkjes, (…) vol wensen, vol dingen, (…) vol abstracte toeters en vol gesublimeerde bellen.”

Hoe meer huizen ik in het boek bekeek, hoe meer foto’s ik zag en verhalen ik las, hoe meer ik die kneuterigheid begon te zien als charme. En hoe meer ik begon in te zien hoe onjuist het zou zijn Rietveld te typeren als een calvinistisch modernist. Het zou echt te simpel zijn te zeggen dat Rietveld, die al vroeg van zijn gereformeerde geloof viel, dat geloof eenvoudigweg inwisselde voor een blind geloof in modernisme. Het leven dat Rietveld voor ogen moet hebben gehad voor de bewoners van zijn huizen, was bepaald niet onthecht of al te verheven.

De eenvoud die Rietveld propageerde was wel degelijk weelderig en zelfs feestelijk. Aan de inleiding gaat een citaat van Rietveld vooraf dat voor het hele boek de toon zet:

“Hoe maken we het wonen tot een dagelijks feest, een feest van zon een feest van regen en mooie luchten; een feest in besloten kring op zijn tijd en een feest van met de natuur meeleven op zijn tijd.”

Huis Verrijn Stuart, Breukelen (1941) / Gerrit Rietveld / © Arjan Bronkhorst

Dat ‘dagelijks feest’ klinkt tegenstrijdig– het kán niet elke dag feest zijn en dat wist Rietveld ook wel. Er zit dan ook iets tegenstrijdigs in de eenvoud van Rietveld, het is zowel bescheiden als uitbundig.

Het ‘dagelijks’ feest waar Rietveld het over heeft is geen feest in de zin van een ceremonie, die je houdt op hoogtijdagen. Het moet eerder op gewoontes, op dagelijkse rituelen slaan. Het ‘dagelijks feest’ is vooral een alledaags feest en de eenvoud van Rietveld is uiteindelijk denk ik toch vooral alledaagsheid. Dat klinkt misschien wat al te banaal, maar ik durf het wel hedonistisch te noemen.

Niet hedonistisch in de hedendaagse zin, want tegenwoordig is het een synoniem voor liederlijk en uitbundig geworden. Ik doel op het klassieke hedonisme van Epicurus dat juist stond voor een teruggetrokken en rustig leven en tegelijkertijd een leven waarin het allemaal draaide om genot, om zintuiglijk genot. Tijdgenoten hielden Epicurus vanwege het centraal stellen van zintuigelijk genot al voor losbandig, maar dat was en is volkomen verkeerd. Juist omdat een hedonist optimaal wil genieten van zintuiglijke ervaringen, wil hij die zo eenvoudig mogelijk tot zich nemen. Als een hedonist moest kiezen tussen elke dag lunchen met een slagroomtaart en een glas champagne of een boterham met kaas en een beker karnemelk, is die keuze niet moeilijk. Natuurlijk kiest de hedonist dan voor het laatste. Juist die boterham met kaas en het glas karnemelk bieden een nuchter zintuiglijk genot: langzaam en intens proeven en genieten van het zoute en vettige van de kaas in combinatie met het kruimige, smeuïge brood en dat afgewisseld met fris-zure karnemelk.

Het zou overdreven zijn te spreken van een bekering, maar hoe langer ik naar de foto’s in dit boek kijk, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat Rietveldhuizen huizen zijn voor levensgenieters die willen genieten van eenvoudige genoegens. Je kunt dat ‘kneuterig’ noemen, maar ik noem het liever hedonistisch.