Kan de stad haar verhalen vertellen zonder mensen buiten te sluiten?

Recensie —

De avond in de Amsterdamse stadsschouwburg met speciale gast Daniel Libeskind ging niet zozeer over Libeskind zelf maar over oorlog en architectuur. Over plekken van herinnering en nagedachtenis, over inclusieve en exclusieve architectuur.

Daniel Libeskind en Lex Bohlmeijer in gesprek tijdens Sign of Times (2019) / Amsterdamse stadsschouwburg / De Balie / Jan Boeve

Er was een programma opgebouwd rondom Daniel Libeskind, architect van onder andere het Joods Historisch Museum in Berlijn, van Ground Zero in New York en van het nog te realiseren Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Dat laatste was de aanleiding voor de avond.

In een vol programma waar behalve Libeskind werd geïnterviewd, ook voordrachten door acteurs werden gegeven, beet Arna Mačkić, architect, architect bij Studio L A en hoofd van de afdeling Architectuur aan de Rietveld Academie het spits af. Gevlucht uit de door oorlog verwoeste stad Mostar kwam zij als klein meisje met haar ouders, zus en broer terecht in een flatwijk in Zoetermeer. Aan de hand van beelden van de Mostar brug illustreerde Mačkić dat steden sterfelijk zijn; dat in oorlogsstrategieën architectuur een belangrijke rol speelt.

De brug van Mostar stond voor een ontmoetingsplek, voor een verbinding tussen de bevolkingsgroepen die elkaar later bevochten. Met het vernietigen van de brug was niet alleen de oeververbinding verwoest maar ook een verbindende openbare ruimte. Mačkić stelde: een openbare plek is nooit neutraal. Openbare plekken kunnen verbinden maar ook zeker buitensluiten wanneer je niet tot de bedoelde doelgroep hoort. Mačkić benadrukte: ga in steden op zoek naar de betekenis van de plek die mensen kan verbinden, maak inclusieve in plaats van exclusieve architectuur.

In zekere zin tekent dat het verzet tegen het Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat in Amsterdam. Het namenmonument is een initiatief van het Nederlands Auschwitz Comité dat deels door gemeenschapsgeld wordt betaald. Er is een vergunning afgegeven voor de bouw van het monument maar er is veel weerstand vanuit de stad, vanuit omwonenden.
Dit deel van de toen nog smalle Weesperstraat werd voor de Tweede Wereldoorlog door nagenoeg alleen maar Joden bewoond. Na de oorlog werden woningen gesloopt en werd de Weesperstraat verbreed. Daar waar ooit de huizen stonden van 178 Joden die bij naam genoemd worden op de website van het Namenmonument zal, als het aan de gemeente ligt, het monument verrijzen. Libeskind kreeg de opdracht voor het ontwerp van het monument dat hij heeft vormgegeven als vier Hebreeuwse letters die samen het woord לזכר vormen, dat ‘ter herinnering aan’, betekent. Dit woord wordt gevormd door meer dan honderdduizend bakstenen die elk een naam dragen van een vermoorde Nederlandse, dan wel vanuit Nederland gedeporteerde, Jood, Sinti of Roma.

NRC Handelsblad publiceerde in november een ingezonden brief van tegenstanders van het monument. In deze brief werd over dubieuze procedures verhaald, het verdwijnen van groen betreurd, maar ook op het volgende gewezen: “het ontwerp voor het monument is op basis van een exclusieve emotie tot stand gekomen, waarmee de aandacht voor het inclusieve fundament van elk goed en mooi herdenkingsmonument in de openbare ruimte in het proces is ondermijnd.”

Vóór het schrijven van dit artikel had ik nooit bewust nagedacht over de argumenten van de voor- en tegenstanders van het monument en over ‘exclusieve emoties’. Toen ik een Joodse vriend vroeg wat hij van het monument vond zei hij: “dit is een commercieel kunstwerk.” Dat antwoord had ik niet verwacht, ik had een ‘inclusieve emotie’ verwacht en gedacht dat mijn vriend een voorstander van het monument zou zijn. Hij vertelde mij over zijn bezwaren: dat de doden van de Joden buiten de stad gebracht worden, omdat het onrein is om begraafplaatsen binnen de stadsgrenzen te hebben; om te gedenken heb je niet iets uitbundigs nodig. En, vervolgde hij, wie zegt dat deze 102.000 mensen hun naam geëtaleerd wilden hebben? Ik denk aan Mačkić’s uitspraak: “Publieke ruimten zijn nooit neutraal”.

Daniel Libeskind en Lex Bohlmeijer in gesprek tijdens Sign of Times (2019) / Amsterdamse stadsschouwburg / De Balie / Jan Boeve

Toen ik halverwege de jaren negentig in Berlijn woonde was de uitbreiding van het Joods Historisch Museum van Libeskind in aanbouw. Het was onderdeel van de grootste bouwput van Europa waar littekens werden gecamfouleerd en de stad werd aangeheeld. Hier kon ik dagen naar de hijskranen van Potsdamer Platz kijken die als gigantische giraffes overal bovenuit torenden en de stad weer opbouwden. Toen ik een aantal jaren later terugkwam, bezocht ik het voltooide maar nog lege museum aangezien de expositie pas een jaar later toegevoegd zou worden. Hier werd ik overdonderd door de ruimte, of eigenlijk de leegte die Libeskind had ontworpen. De leegte die een verhaal vertelde, die misselijk maakte en die isoleerde.
Dat heeft zo’n indruk op me gemaakt dat ik ook nu, twintig jaar later, dit gebouw vaak noem in ontwerpgesprekken met studenten. Hoe de schaduw van een boom die ik niet kon zien mij het verhaal vertelde van exclusie, van dood en gruweldaden.

Op de vraag van interviewer Lex Bohlmeijer wat Liebeskind vindt van de ‘toestanden’ rondom het monument antwoordde deze, doelend op de bezwaarprocedure: “Wat kan ik eraan doen? Het is een wettelijk proces en zonder consensus kan je niets doen.” Later in het gesprek kwam dit terug toen Libeskind over zijn ontwerp en het proces van Ground Zero sprak, over hoe een architect democratisch moet zijn en moet zoeken naar consensus. Want in een democratie is niets gemakkelijk, het is kwetsbaar. “Je moet in staat zijn om goede compromissen te sluiten, maar de geest van het project zal gedragen moeten worden door de mensen.”

Mačkić vroeg zich af: “Wat en wie steunen we en moedigen we aan met onze ontwerpen?” Die vraag kwam meermaals aan de orde doordat het interview afgewisseld werd door voordrachten, passages uit onder andere de voorstelling The Fountainhead gebaseerd op het boek van Ayn Rand. Volgens de regisseur van de voorstelling, Ivo Van Hove, is de achterliggende vraag van het stuk “Wat is schepping? Wat betekent het om iets te creëren? En wat betekent integriteit in een scheppingsproces?“

Auteur Bo Tarenskeen kroop in de huid van Albert Speer, de over-ambitieuze architect en vriend van Hitler, die door zijn vriendschap met de Führer zijn meeslepende, buitensporige ontwerpen kon waarmaken, daarbij niet gehinderd door de oorlogsmisdaden waar hij ook schuld aan had. Op het podium werd de lichtkathedraal die Speer ontwierp voor de parades in Neurenberg tot leven geroepen. Ik kon het niet helpen daar, in de schouwburg, schoonheid te zien in deze abstracte lichtarchitectuur.
Paul Celan, een Joodse dichter, werd destijds bekritiseerd omdat hij middels het gedicht Todesfuge dat op de Libeskind-avond werd voorgedragen, schoonheid creëerde uit narigheid.

Zwarte melk van de vroegte we drinken haar ’s avonds
we drinken haar ’s middags en ’s morgens we drinken haar ’s nachts
we drinken en drinken

“Kan dat?” vroeg Bohlmeijer aan Libeskind, “kan er schoonheid ontstaan uit het kwaad?” Libeskind antwoordde dat Speer de slechtste was, het grootste kwaad. “Het kwaad kan niet iets goeds creëren”. “En Wagner?” vroeg Bohlmeijer. Libeskind was milder over Wagner, componist vóór Hitlers tijd, maar ook antisemiet, zoals volgens Libeskind bijna elke kunstenaar uit die tijd. “Wagners muziek is geen gevangenis.” antwoordde hij. “Met architectuur sluit je buiten en kan je ordenen, dat is waarom elke dictator in architectuur geïnteresseerd is.”

Daar denk ik sindsdien over na. Want hoe moet dat dan met de stad en haar openbare ruimtes waar in een ideale wereld mensen elkaar ontmoeten in alle gelijkheid, met respect voor elkaar en elkaars gebruiken? Hoe moet dat als een publieke ruimte nooit neutraal zal zijn en tegelijkertijd inclusief moet zijn? Kunnen we publieke ruimtes maken die gebeurtenissen markeren die belangrijk zijn voor de stad en haar inwoners, zonder mensen buiten te sluiten?

Mijn conclusie is vooralsnog dat het tijd kost voordat plekken van herdenking opgenomen worden in de stad, voordat het plekken kunnen worden waar mensen afspreken en herdenken, kinderen spelen en eerste afspraakjes plaatsvinden. En dat ondanks dat ze een plek krijgen in het dagelijks leven, monumenten een periode markeren die nooit vergeten mag worden. Want laten we vooral monumenten blijven maken, groot of klein, die aandacht vragen voor dat wat er in de stad gebeurd is en die als mooie, waardevolle plekken zorgen voor verbinding.