Voorwaarts Singapore!

Feature —

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat de Britten de basis legden voor het moderne Singapore. Hoewel de stadstaat zelf nog niet helemaal weet of ze dit moment nou echt moet vieren of niet – de geschiedenis van het eiland gaat immers veel verder terug – is het in ieder geval in stedenbouwkundig opzicht feest. Met de Britten kwam namelijk het eerste stadsplan. Het komende jaar doet architectuurhistorica Mieke Dings verslag van een paar cruciale momenten uit de Singaporese stedenbouw, die soms een opvallend Nederlands randje hebben. In deel III: hoe Singapore in slechts 25 jaar tijd een wereldstad werd.

De flats in Queenstown waar Lee Kuan Yew in 1965 lachend voor poseerde / foto Mieke Dings

‘Majulah Singapura’ of ‘Voorwaarts Singapore!’ heette het lied dat Singapore in 1959 tot volkslied doopte. Een betere naam had ze niet kunnen bedenken. Want voorwaarts ging het en hoe! Het is moeilijk voor te stellen dat de wereldstad die we nu kennen 75 jaar geleden nog talloze sloppenwijken telde en dat velen haar toekomst niet bepaald rooskleurig inzagen. De deskundigen die de Verenigde Naties (VN) begin jaren vijftig naar Zuidoost Azië stuurde om de huisvestingsproblematiek te onderzoeken, somberden: “Singapore is losing the war against poverty and disease”. Terwijl de Britten – de toenmalige heersers –  in de daaropvolgende jaren volop pogingen deden om het woningtekort op te lossen [zie: Van backlanes tot new towns], schreeuwden de inwoners tijdens talloze rellen en stakingen om onafhankelijkheid. Toen de Britten Singapore in 1959 uiteindelijk intern zelfbestuur gaven en Lee Kuan Yew de eerste premier werd, hield het westen zijn hart vast. Dat deed ook Albert Winsemius, de Nederlandse econoom die het eiland in 1960 namens de VN economisch adviseerde. Zijn verwachtingen waren al niet te hoog gespannen omdat hij via de media het beeld had gekregen dat Singapore “a poor little market in a dark corner of Asia” was en dat het “down the drain” ging. Zijn eerste indruk was niet veel hoopgevender: “It was bewildering. There were strikes about nothing. There were communist-inspired riots almost every day and everywhere”.

Maar toen kende hij Lee Kuan Yew en collega’s nog niet! Die waren niet alleen, zoals Winsemius ze spoedig zou noemen “the wisest leaders I have ever encountered”, maar ze waren ook daadkrachtig. In afwachting van Winsemius’ advies om de hoge werkloosheid op te lossen, waren ze alvast aan het inlossen van een andere verkiezingsbelofte begonnen: het oplossen van het woningtekort. Daartoe hadden ze de Housing and Development Board (HDB) opgericht en de taak gegeven om in vijf jaar tijd maar liefst 50.000 appartementen te realiseren, twee keer meer dan de Britse Singapore Improvement Trust (SIT) in de voorgaande dertig jaar gedaan had. Terwijl Winsemius zijn ongezouten  maar later alom geprezen adviezen gaf – “get rid of the communists” en “keep the statue of Raffles” [zie: Raffles’ jongensdroom] – stampte de HDB de eerste flats uit de grond. Dit waren voornamelijk zogenaamde emergency flats, super eenvoudige betonnen flats met talloze éénkamerappartementen – met letterlijk één kamer! – aan weerszijden van een donkere en slecht geventileerde gang. Keukens en badkamers waren voor gemeenschappelijk gebruik. Uiteraard was niet iedereen even happig om naar dit soort flats te verhuizen. Velen verkozen hun simpele hutje met ruimte om dieren te houden en fruitbomen te planten, boven zo’n betonnen appartement in de lucht. Maar vaak hadden ze geen keus. Of het nou toeval is of niet – daarover zijn tot op heden de meningen verdeeld – feit is dat er in deze periode vele branden plaatsvonden. De grootste was de brand in de Bukit Ho Swee kampong ofwel nederzetting, die in één avond 16.000 mensen dakloos maakte.  Deze mensen hadden vooral behoefte aan snel een nieuw dak boven hun hoofd.

In 1974 gerealiseerde Housing Development Board (HDB) flats aan Empress road met Singaporese vlaggen voor National Day 2018 / foto Mieke Dings

Behalve deze basale emergency flats realiseerde de HDB echter ook meer begerenswaardige flats, zoals  galerijflats met twee- en driekamerappartementen. Die verrezen veelal op reeds door de SIT voorbereide plekken, maar dan in veel hogere dichtheden dan de SIT voor ogen had gehad. Zo wilde de HDB in Singapore’s eerste new town Queenstown in plaats van de door de SIT geplande 70.000 mensen, nu 150.000 mensen kwijt. Toonaangevend voor het nieuwe elan was het feit dat Lee Kuan Yew in 1965, toen de HDB meer dan de beoogde 50.000 appartementen gebouwd had en daarmee naar eigen zeggen het woningtekort had opgelost, zich  hier liet fotograferen, breed lachend tussen de nieuwe tien- tot zestienlaagse galerijflats van Commonwealth Close. Dit was tevens de plek waar Lee Kuan Yew en collega’s zoveel prominente gasten mee naartoe namen, dat één van de flats al spoedig de bijnaam VIP block kreeg. Deze flat bood door zijn hogere ligging een fantastisch uitzicht op de resultaten van de SIT en HDB en huisvestte bovendien de eerste eigen woningbezitters.

Dat eigen woningbezit was precies waar Lee Kuan Yew naartoe wilde. Dat gevoel groeide alleen maar toen Singapore in 1965, na enkele jaren onderdeel geweest te zijn van de Federatie van Maleisië, opeens ongepland op eigen benen moest gaan staan. De gemeenschappelijke markt die Singapore bij aanvang van de Federatie voor ogen had gehad – en waar ook Winsemius op had aangedrongen – had in de praktijk niet gewerkt en de speciale rechten die Maleisiërs binnen de Federatie gekregen hadden, hadden kwaad bloed gezet in het overwegend Chinese Singapore. Terwijl de kranten “Singapore is out” kopten, sprak Lee Kuan Yew de inwoners bemoedigend toe: “be firm, be calm (…). We intend to survive”. En wel als een multicultureel land: “This is not a Malay nation. This is not a Chinese nation. This is not an Indian nation. We are going to have a multi-racial nation in Singapore. We will set the example”. Dat eigen woningbezit daarbij kon helpen, realiseerde Lee Kuan Yew zich terdege. Zoals hij zelf zei: “My primary preoccupation was to give every citizen a stake in the country and its future. I wanted a home-owning society. I had seen the contrast between the blocks of low-cost rental flats, badly misused and poorly maintained, and those of house-proud owners, and was convinced that if every family owned its home, the country would be more stable…” In alle eerlijkheid voegde hij hier nog aan toe: “I had seen how voters in capital cities always tended to vote against the government of the day and was determined that our householders should become homeowners, otherwise we would not have political stability. My other important motive was to give all parents whose sons would have to do national service a stake in the Singapore their sons had to defend. If the soldier’s family did not own their home, he would soon conclude he would be fighting to protect the properties of the wealthy. I believed this sense of ownership was vital for our new society which had no deep roots in a common historical experience”.

De door groen geflankeerde East Coast Parkway tussen het vliegveld en de stad / foto Sengkang

Sociale stabiliteit was cruciaal nu Singapore het nog meer dan voorheen, van buitenlandse investeerders moest hebben. Winsemius adviseerde de overheid daarom om enkele grote internationale voorbeeldprojecten binnen te halen – hij noemde de Shell en Esso olieraffinaderijen – om zo het vertrouwen van meer multinationals te wekken. Voor hen lag, behalve een niet corrupte overheid en een gunstig belastingsysteem, ook al een bouwrijp gemaakt industriegebied klaar: Jurong was in de voorgaande jaren letterlijk uit het moeras opgetrokken. Terwijl Jurong ruimte voor fabrieken bood, lagen er plannen klaar om het verloederde stadscentrum om te vormen tot een modern zakencentrum voor kantoren. Hiervoor was zelfs al onder de HDB een Urban Renewal Unit (URU) opgericht. Het ontbrak die unit echter aan nog één ding: voldoende geld om alle individuele huiseigenaren uit te kopen. Omdat de overheid dit ook niet had, nam ze in 1967 de Land Acquisitions Act aan. Deze nogal radicale wet – die het waarschijnlijk ook alleen maar haalde omdat Singapore niet zoveel grootgrondbezitters had – gaf de overheid het recht om tegen een relatief lage vergoeding land voor publieke doeleinden aan te schaffen. Met de nieuwe wet onder de arm kocht de overheid grote delen van Chinatown op, brak de verloederde shophouses af, voegde percelen samen en schreef tenders uit voor commerciële ontwikkelingen. De eerste gebouwen die zo verrezen huisvestten winkelcentra, restaurants en kantoren.

Maar daar bleef het uiteraard niet bij. Terwijl het centrum begon te veranderen, sprak Lee Kuan Yew zich in 1967 nadrukkelijk voor greening en cleaning uit. Hij hield de inwoners voor dat Singapore een heuse tuinstad kon worden “with flowers and trees and as tidy and litterless as can be”. Maar: dan moesten ze de stad wel zelf schoonhouden. Om dat tussen de oren te krijgen, organiseerde de overheid hilarisch klinkende campagnes als ‘Operation Broomstick’ – waarbij Singaporezen letterlijk gevraagd werden hun bezem mee naar buiten te nemen en de publieke ruimte schoon te vegen – en introduceerde ze het beruchte boetesysteem voor littering met boetes  vanaf 500 dollar. Tegelijkertijd beloofde Lee Kuan Yew om volop bomen te planten. Daarbij richtte hij zich in eerste instantie op de grote wegen, die hij om wilde om toveren tot de groene boulevards zoals hij in andere landen gezien had. Deze investeringen waren vooral bedoeld om investeerders naar Singapore te trekken. Lee Kuan Yew stak deze intenties niet onder stoelen of banken: “well-kept trees and gardens were a subtle way of convincing potential investors in the early crucial years that Singapore was an efficient and effective place”. Het kostte bovendien niet zoveel geld; Lee Kuan Yew noemde het “the most cost-effective project I have launched”. Tussen 1967 en 1970 plantte de overheid maar liefst 55.000 bomen en planten en een jaar later introduceerde ze de nog altijd bestaande jaarlijkse Tree Planting Day. Lee Kuan Yew was zo begaan met de vergroening van Singapore dat hij zijn medewerkers opbelde als hij ergens een uitgedroogde boom zag. Niet voor niets noemde een krant hem later Singapore’s chief gardener.

Schematische weergave van het Concept Plan 1971 / Urban Redevelopment Authority

Er was dus al het nodige in gang gezet toen de Urban Redevelopment (inmiddels) Department in 1971 samen met een VN team en een aantal andere overheidsinstanties het langverwachte nieuwe Concept Plan kon presenteren. Dit bood niet alleen een ruimtelijk kader voor alle losse projecten maar presenteerde ook enkele belangrijke keuzes naar de toekomst toe. Het Concept Plan introduceerde twee structuren die tot op de dag van vandaag de Singaporese stedenbouw bepalen: een oost-west corridor die het toekomstige vliegveld in het oosten met het stadscentrum en het industriegebied Jurong in het westen verbond en een ring van new towns rondom het centrale waterwingebied. Leidend hierin waren de transportassen – behalve nieuwe snelwegen presenteerde het Concept Plan ook vast twee metrolijnen – en de knooppunten hieraan, van waaruit industriële of institutionele, maar meestal residentiële ontwikkelingen plaats konden vinden. Bij verschijning van het Concept Plan was Singapore’s tweede new town Toa Payoh – gelegen op een plek waar verschillende transportassen elkaar kruisten – al volop in ontwikkeling. Toa Payoh kende een strakke, bijna modelmatige opbouw van een town centre met middelbare scholen, een sportcomplex en stadspark en daaromheen neighbourhood units met eigen buurtcentrum, school en park. Deze opbouw diende als voorbeeld voor latere new towns, die nu het Concept Plan er lag, in versneld tempo van de grond kwamen. En die niet alleen! In 1975 waren er meer dan 200.000 HDB appartementen, telde Jurong meer dan 600 fabrieken en een drukke haven, had het stadscentrum een heuse skyline met als voorlopig hoogtepunt het meer dan 200 meter hoge, door I.M. Pei ontworpen OCBC Centre, waren er aan de oostkust enorme hoeveelheden land aangewonnen en  grote delen van het snelwegnetwerk gerealiseerd. Er was zelfs een kabelbaan naar preteiland Sentosa aangelegd. En, niet onbelangrijk, de economie was in tien jaar tijd verdrievoudigd en de werkeloosheid vrijwel volledig opgelost.

In de jaren zeventig kregen new towns steeds vaker hun eigen sportcomplex met zwembad zoals hier het Kallang Basin Swimming Complex / foto Mieke Dings

Het belangrijkste onderdeel van het plan moest in 1975 nog komen: uitbreiding van de luchthaven. De reizigersstromen waren al flink toegenomen en de verwachting was dat die alleen meer groter zouden worden nu Singapore zich op advies van Winsemius inspande om behalve het regionale productiecentrum ook het centrum voor transport, bankieren en toerisme te worden. Vijfenhalf jaar na het besluit om dan toch maar een nieuw vliegveld aan te leggen, opende Changi Airport – ontworpen met hulp van het Nederlandse adviesbureau NACO – haar deuren. Vanuit de markante verkeerstoren strekte de weelderige East Coast Parkway, geflankeerd door een vijftien kilometer lang openbaar kustpark, zich uit tot het stadscentrum.. Het was alsof Singapore de rode – in dit geval groene – loper voor de wereld uitlegde. Toen de stadstaat een jaar na de opening van het vliegveld de titel van ‘s werelds drukste containerterminal binnenhaalde, leken haar stoutste dromen uit te komen: in plaats van alleen Maleisië, had Singapore nu de hele wereld als achterland. Tijd om op de lauweren te rusten was er echter niet. Voorwaarts moest Singapore, op weg naar de felbegeerde status van first world country die het in de daaropvolgende decennia bereiken zou.