Door vragen het koloniale verleden bevragen

Feature —

Architecten zijn experts in het werken met documenten. Zij zouden die kennis moeten inzetten om het Nederlandse koloniale verleden te bevragen en bij te dragen aan het begrijpen en herinterpreteren hiervan. Tijdens de masterclass Documenting the Colonial Archive die The Berlage van 6 tot 16 mei 2019 organiseerde, onderzochten studenten en enkele deelnemers onder leiding van Felicity D. Scott de betekenis van koloniale documenten en de archieven waarin deze documenten bewaard worden.

Het Nationaal Archief in Den Haag / verschillende koloniale documenten / foto auteur

In Nederland wordt het debat over het koloniale verleden nog altijd overheerst door een nostalgisch verlangen naar tempo doeloe, die goede oude tijd, de periode van halverwege de negentiende eeuw tot de Tweede Wereldoorlog. Ten opzichte van andere koloniale bewinden zou Nederland een weldadige kolonisator zijn geweest die in moreel maatschappelijk opzicht het beste voorhad had met het land en het volk. Historisch gezien zou Nederland zich meer op het handelswezen (VOC) hebben gericht en daarbij geen nood gehad hebben aan koloniestichting. De oorlogen die gevoerd werden en de vormen van onderdrukking zoals slavernij, het cultuurstelsel, raciale en ruimtelijke segregatie lijken deze opvatting niet te breken en worden steevast weggezet als excessen. Het beeld van kolonisator tegen wil en dank, dat zeventig jaar na de onafhankelijkheid van Indonesië nog altijd hardnekkig standhoudt, wordt vandaag de dag vanuit steeds meer disciplines in vraag gesteld, met antropologen, historici en kunstenaars voorop. Zelf ben ik ervan overtuigd dat ook architectuuronderzoek kan bijdragen aan het begrijpen en herinterpreteren van het Nederlandse koloniale verleden. Het blootleggen van koloniale architectuur- en planningsstructuren kan andere perspectieven openen en tot nieuwe interpretaties leiden die recht doen aan een gedeelde erfenis en inzicht geven in de geglobaliseerde en geopolitieke verhoudingen van de wereld van vandaag. De insteek van de masterclass Documenting the Colonial Archive die The Berlage in mei 2019 organiseerde, sluit aan op deze overtuiging en vormde een belangrijke beweegreden voor mij om hieraan deel te nemen.

In de context van de masterclass werden studenten en deelnemers aangemoedigd hun architectonische expertise in te zetten om de archieven, die een deel van de documenten en getuigenissen van het Nederlands koloniale verleden conserveren, kritisch te bevragen en onderzoeken met als doel, zo omschreef de aankondigingstekst: “to advance new political claims about Dutch colonial rule in Indonesia by testing counter-practices that might help re-script future imaginaries to more democratic ends.” Felicity D. Scott die de masterclass leidde vertrok vanuit de stelling dat architecten strikt genomen geen gebouwen maken; zij interpreteren, creëren en mobiliseren een reeks documenten, herkennen de complexe en onstabiele manier waarop documenten functioneren en begrijpen dat deze als dragers van informatie en nieuwe denkbeelden de toekomst kunnen beïnvloeden. Met andere woorden, zo beargumenteerde Scott, architecten zijn experts in het werken met documenten in diverse media en voor verschillende doeleinden. Deze interpretatie geeft ruimte om het vakgebied van de architectuur open te breken en het werk van architecten in een bredere, discipline-overschrijdende context te begrijpen. Daarnaast is het een interessant uitgangspunt omdat het de architect op twee manieren uitdaagt: enerzijds als maker van documenten en anderzijds als duider ervan. Een dergelijke strategie is niet nieuw en wordt bijvoorbeeld gebruikt door Forensic Architecture en DAAR. Zij zetten architectuurinstrumenten in om dominante machtsstructuren en onderzoeksdomeinen die het recht op de waarheid claimen te bevragen door andere verhalen naar voren te brengen.

Het Nationaal Archief in Den Haag / foto’s van de NV Deli Maatschappij, 1869-1989 / foto auteur

De duur van de masterclass –tien dagen– was te kort om een goed begrip te krijgen van de complexiteit die gepaard gaat met archiefonderzoek, al helemaal in de context van een beladen en gelaagd onderwerp als het koloniale verleden. Maar de intensiteit en het volle programma van de masterclass maakte het wel mogelijk om een beeld te krijgen van de problematieken die spelen. Scott wierp vragen op als: “What do colonial archives look like, today? Where are they located? What type of knowledges, about territories, environments, architectures, populations, and subjectivities do they embody and perform? How else do they, or might they, relate to architecture?” Het herhaaldelijk bevragen van de aangereikte materie bleek op zichzelf al deel van de strategie die Scott voorstelde om de bewustwording rond het onderwerp te vergroten en antwoorden die vaak in stelligheid genesteld blijken niet voor lief te nemen. De effectiviteit van deze strategie werd mij duidelijk tijdens de eerste week waarin het programma voorzag in lezingen van verschillende experten en een aantal archiefbezoeken naar respectievelijk het Het Nieuwe Instituut, Het Archief voor Beeld en Geluid en het Nationaal Archief.

Wat het continu bevragen bij mij en andere deelnemers teweeg bracht is het besef dat er een enorme kloof bestaat tussen het archief –het instituut dat documenten verzamelt en beheert– en de interpretatie hiervan in een dekoloniaal perspectief. Dat koloniaal onderzoek in de eerste plaats begint bij het in vraag stellen van het archief als informatiebron. Want wat is een archief eigenlijk? Hoe is het tot stand gekomen? Wat is het verzamelbeleid, en wat valt daarbuiten? Wat vertellen de verzamelingen ons in het algemeen, en documenten specifiek? Wie vervaardigde de documenten, hoe gebeurde dit en waarom? Met dergelijke vragen in het achterhoofd verdiepte ik me samen met Paolo Patelli en Simon Stewart in het leven en werk van Hendrik Freerk Tillema, een apotheker, ondernemer, hygiënist, filantroop en (pseudo)wetenschapper die van 1896 tot 1914 in Nederlands-Indië verbleef en er fortuin maakte door zijn Hygeia mineraalwater te bottelen en te verkopen.[1] Onze interesse ging met name uit naar zijn belangrijkste zesdelige publicatie, Kromoblanda (1915-23), wat zoveel betekent als (het samengaan van) bruin en blank. Tillema begon deze publicatie aanvankelijk als onderzoeksrapport over de situatie in Nederlands-Indië op verzoek van het Internationale Woningcongres dat door de Eerste Wereldoorlog niet doorging.

Pagina’s uit Hendrik Freerk Tillema’s Kromoblanda, Over ’t vraagstuk van “het Wonen” in Kromo’s groote land, Boek I,  1915-16

Wat waren Tillema’s beweegreden om deze omvangrijke publicatie te maken en hoe kunnen die gezien en begrepen worden in de koloniale context? Wat wilde hij met zijn publicatie bereiken? Voor welk publiek was het bestemd? Wat ons met name fascineerde aan Tillema, is dat hij als persoon een dubbelzinnige koloniale blik representeert die tot uiting komt in zijn verschillende praktijken en symbool staat voor het Nederlandse koloniale bewind. Na de cholera-epidemie van 1910 in Semarang begon Tillema aan wat zijn levenslange kruistocht zou worden: de Nederlandse overheid bewustmaken van de gevaren van de onhygiënische omstandigheden in de kampongs. Tillema’s bezorgdheid om de lokale bevolking was niet vrij van tegenstrijdigheden. De afbeeldingen en kaarten die hij in Kromoblanda opnam –bijvoorbeeld zijn uitgebreide fotoseries over ongerepte natuur en inheemse volkeren enerzijds en de vuile kampong straten, riolen en bronnen van cholera anderzijds– tonen tegelijk bewondering en afkeer voor het land en haar bevolking, maar dienen ook een vorm van autoriteit, door (pseudo)wetenschappelijk onderzoek, en propaganda. Dat laatste wordt duidelijk doordat Tillema bijna al zijn publicaties in eigen beheer uitgaf en ze bij gemeenteraadslieden, bestuurders en andere invloedrijke personen liet bezorgen. Zich bewust van het feit dat deze mensen waarschijnlijk geen tijd zouden hebben om zijn boeken uitgebreid te lezen, voegde hij een ‘tweede leeslaag’ toe in de vorm van een veelheid aan kaart- en beeldmateriaal voorzien van titels en stukken uitgelichte tekst die tezamen een goede indruk van het boek moesten geven.

Pagina’s uit Hendrik Freerk Tillema’s Kromoblanda, Over ’t vraagstuk van “het Wonen” in Kromo’s groote land, Boek I,  1915-16

Tillema keerde drie keer terug naar Nederlands-Indië en bereisde de hele archipel, van Sumatra tot Nieuw-Guinea. Tijdens deze reizen maakte hij een grote hoeveelheid etnografische foto’s en filmbeelden van zowel het inheemse als Europese ‘leven in de tropen.’ Dit omvangrijke archief heeft hij tijdens de Tweede Wereldoorlog geschonken aan het Museum voor Volkenkunde in Leiden waar het zich nog altijd bevindt. Het lukte ons om een kort bezoek aan het depot van Museum voor Volkenkunde te brengen en een glimp van Tillema’s fotocollectie te zien. Via het Museum kwamen we in contact met Tillema’s kleinzoon[2], die meehelpt het archief van zijn opa te digitaliseren. In een interview met hem kwamen verschillende anekdotes naar voren die een extra laag toevoegde aan de informatie die in het archief, de boeken en op het internet te vinden zijn.

Tijdens de masterclass presentaties in Het Nieuwe Instituut wilde we de gelaagdheid van Tillema’s leven en werk naar voren brengen en verbanden leggen tussen de verschillende praktijken en disciplines waartussen hij navigeerde. Drie episodes en aspecten van zijn leven en werk leken ons belangrijk om fragmenten uit zijn koloniale denken en handelen te kunnen ontvouwen. Door stukken uit Kromoblanda voor te dragen in het Nederlands (de originele taal) en het Engels probeerde we het belang van toegankelijkheid tot bronnen te tonen en aan te kaarten dat Kromoblanda nog nooit vertaald is terwijl het in Indonesië noch altijd geldt als één van de eerste belangrijke documentaties over hygiënisme, architectuur en planning. Door fragmenten uit het interview met de kleinzoon van Tillema te tonen kwamen anekdotes en herinneringen over Tillema naar voren die het zogenaamde objectieve materiaal dat in bibliotheken en archieven te vinden is subjectiveert en ruimte biedt voor verhalen die soms krachtiger tot de verbeelding spreken dan concrete feiten. Door tenslotte te focussen op Tillema’s onderneming en objecten zoals de Hygeia waterfles en beeldmateriaal van reclamecampagnes en advertenties te tonen die bijvoorbeeld niet in de archieven terug te vinden zijn, probeerde we de financieel economische context van Tillema’s werk naar voren te brengen en te laten zien dat in dit geval filantropie in de eerste plaats ook propaganda was om ondernemerschap te steunen.

Asbak met reclame voor Hygeia tafelwater / persoonlijke collectie van de kleinzoon van Tillema / foto auteur

De opzet van de masterclass was methodologisch erg inspirerend en intellectueel zeer prikkelend. Achteraf reflecterend zijn er echter twee inzichten die me aan het denken hebben gezet. De eerste gaat over het ruimtelijke aspect van architectuur –de vertaalslag van documenten naar ruimtelijke gegevens of omgekeerd– dat tijdens de masterclass onderbelicht is gebleven. Architecten zijn zeker experts in het maken en lezen van documenten, en hoewel zij de vertaling van document naar gebouwde ruimte niet zelf uitvoeren, hebben zij wel een ruimtelijk inzicht en kunnen zij ruimte verbeelden. Architectuuronderzoek in de context van het koloniale verleden mag zich niet beperken tot het analyseren van documenten alleen, denk ik. Naast het maken en duiden van documenten zouden architecten hun ruimtelijk inzicht daarom ook moeten inzetten om de gebouwde omgeving te lezen en culturele waarden en machtsstructuren te ontrafelen, bloot te leggen en inzichtelijk te maken door ze (bijvoorbeeld) terug te vertalen naar documenten. Het tweede inzicht gaat over Felicity Scott’s methode om telkens maar weer door te vragen. Dat bleek aan de ene kant intellectueel heel uitdagend, maar werkte bij het naderen van de eindpresentatie ook contraproductief omdat het je verlamt. Het blijven vragen is in de context van koloniaal onderzoek een noodzakelijke en kritische, maar ook veilige houding. Hoewel vragen in zekere zin al richting geven aan antwoorden, maakt het aan de andere kant daadwerkelijk formuleren van antwoorden dat je die antwoorden ook moet beargumenteren en verdedigen. Dat laatste is precies vaak erg moeilijk omdat er geen eenzijdige antwoorden of perspectieven bestaan. Misschien vraagt koloniaal onderzoek om een meer artistieke werkwijze en presentatievorm. Eén die andere verhalen aan de reeds bestaande toevoegt, nieuwe perspectieven aan het licht brengt en ruimte openlaat voor interpretatie.

Enkele gerelateerde artikelen