De inclusieve stad – Nomen is omen

Opinie —

In een gesprek over de inclusieve stad met de vraag ‘Wie heeft hier verstand van?!’ valt bij mij het kwartje. Er gaat iets fundamenteel mis in het debat over de inclusieve stad. Dat heeft te maken met de term ‘inclusief’ en met een breed gedragen blinde vlek.

beeld de auteur

In het gesprek over de inclusieve stad lijken we maar niet verder te komen. Dat heeft te maken met het woord: ‘inclusief’. De letterlijke betekenis is ‘insluiting’. Als er een binnen is waar we iedereen een plek geven, dan is er ook een buiten. Dit vraagt om het scheppen van een ‘kader’ waar eenieder in past en juist dat kader maakt de term ‘inclusief’ tot een problematisch concept. Als de inclusieve stad al gemaakt kan worden (wie heeft genoeg wijsheid om de contouren van deze stad te bepalen?) zijn er per definitie ook subjecten die erbuiten vallen. Niet vanwege een moedwillige kwade wil, maar simpelweg omdat het concept een grens heeft.

In combinatie met het vaak statisch gewaande begrip diversiteit is het eigenlijk heel logisch dat een ‘neutrale’ professional gevraagd wordt het vraagstuk ‘een stad voor iedereen’ te duiden. Edoch deze persoon is meestal geen expert op het gebied van diversiteit en uitsluiting. In feite dient de professional hier als de belichaming van de afstand tussen de mens en het probleem. Zo hoeft het debat over de inclusieve stad nooit persoonlijk te worden, terwijl dit juist in de kern van het vraagstuk besloten ligt: de inclusieve stad is persoonlijk, net zoals het persoonlijke politiek is.

Dat een iemand neutraal kan zijn is een achterhaald idee. Dat is nooit het geval. Neutrale mensen bestaan niet. Ons aller identiteit is divers en dynamisch, dat wil zeggen dat we allemaal in verschillende situaties worden aangesproken op een ander onderdeel van onze identiteit (1). Er bestaan wel neutraal gewaande mensen, de ene meer dan de ander, zoals de witte, gezonde professional. Dat is problematisch binnen het debat over de inclusieve stad want als er iemand is die weinig kaas heeft gegeten van diversiteit en uitsluiting, dan is het de witte, gezonde mens wel. Hij (ja, het is meestal een man) is wel professional, maar in dit geval niet de expert. Dat ligt niet enkel aan hem, maar aan een collectieve blinde vlek. Het idee dat de witte en vitale man neutraal is, zit namelijk stevig in onze cultuur verankerd. Een prachtig voorbeeld is de socioloog Michael Kimmel die in zijn TEDtalk uitlegt hoe hij voor het eerst ontdekte dat ook hij een specifieke, diverse, dynamische en dus geen neutrale identiteit heeft.
Dit alles is geenszins een poging van mij om de (witte, gezonde) professional buitenspel te zetten, maar het is een oproep aan iedereen zijn/ haar dynamische en diverse identiteit zelf niet buitenspel te zetten. De regel is simpel, hoe meer privilege, hoe meer huiswerk.

Er is nog een ander probleem met het woord ‘inclusief’ en dat is de suggestie van ‘allemaal meedoen’. Een diverse samenleving gaat niet over ‘samen’ en ‘meedoen’, maar veel eerder over botsing en ongemak. In een diverse samenleving is sprake van culturele mobiliteit – het moment dat je de ander tegenkomt en geconfronteerd wordt met het anders-zijn (2). Dat is niet leuk en samen, maar eerder confronterend en bevreemdend. Diversiteit en eigenheid vragen om een open wereld, een plek voor dialoog, schurend ongemak met ruimte voor verandering; de dynamiek in onze identiteit heeft een plek nodig in de ruimtes om ons heen.
Het is onmogelijk om met een term die een werkelijk open en dynamische diversiteit uitsluit, het debat vruchtbaar voort te zetten. Laten we de omschrijving ‘inclusieve stad’ om die reden loslaten – om het debat voorbij de neutrale kader-scheppende mens te kunnen voortzetten.

De term ‘Open City’ van socioloog Richard Sennett past veel beter bij een dynamische, altijd in ontwikkeling zijnde plek. Hier is ruimte voor de verrassing en de confrontatie tussen verschillende mensen. ‘The Open City’ is een sterke en werkbare term voor het gesprek over het ontwerpen en bouwen aan deze stad. Tegelijkertijd schept de term nog steeds een afstand tussen het persoonlijke en de stad.
Daarom wil ik hier een andere term, ontleend aan historicus Jacob Voorthuis, voorstellen: ‘de genereuze stad’ (3). Een genereuze stad vraagt het beste van ons. Het is een plek waar ruimte is voor de confrontatie én een plek waar we vol verwondering kijken naar het bijzondere gedrag van de ander en onszelf. In deze stad ontkomen we er niet aan om in het ongemak te zoeken naar de nieuwe inzichten die deze confrontaties ons brengen.
Een dergelijke stad is nooit af en vraagt oefening van ons allemaal, iedere dag opnieuw. In de woorden van Voorthuis: ‘De beschaving, de beschaafde wereld, is flinterdun, niet omdat mensen nare wezens zijn, maar omdat de wereld door ieder mens geoefend moet worden. Dat vergt verzorging. Dus als we samen willen leven in de stad dan moeten we genereus zijn jegens elkaar en de stad en moeten we haar impliciete generositeit, haar rijke wereld oefenen. Alleen dan wordt de stad genereus jegens ons. Schoonheid blijkt daarmee overal te vinden.’ (4)

Om aan een genereuze stad te kunnen bouwen moeten we het idee van de inclusieve stad afbreken. Niet alleen binnen het debat maar ook in onszelf. Met het persoonlijke krijgen we allemaal een deel van de sleutel van deze stad in handen . Dit vraagt oefening en samenwerken, niet met de neutrale professional die de wereld duidt, maar met mensen die net zo bewust dynamisch en divers zijn als de genereuze stad zelf.

Enkele gerelateerde artikelen