Gouden referenties van de hedendaagse architectuur?

Recensie —

Voor de tentoonstelling Alternative Histories werden architecten gevraagd om, vanuit hun eigen referentiekader, historische architectuurtekeningen om te zetten in een maquette. Sophia Holst bekeek het resultaat en vraagt zich af welke ‘alternatieve geschiedenis’ deze exercitie nu oplevert.

Alternative Histories / foto CIVA

Het vrij gebruik maken van referenties is in de architectuurpraktijk de normaalste gang van zaken. Beelden van andere architecten of kunstenaars worden zonder enig bijschrift in boekjes verwerkt en andermans ideeën worden gekopieerd, bewerkt, opgeëist. Referentiekennis is goud waard in de architectuur. De expositie Alternative Histories, afgelopen zomer te zien in het CIVA in Brussel, erkent dat architectuur een corpus is van overgeërfde ideeën. Door 85 hedendaagse architectuurpraktijken maquettes te laten maken waarvoor architectuurtekeningen van het Britse Drawing Matter archief als referentie dienden, presenteert en bevraagt de expositie het referentiegebruik in de Europese hedendaagse architectuur. Op zich een relevante en heldere thematiek, echter en passant ambiëren de curatoren Jantje Engels en Marius Grootveld ook nog een alternatieve geschiedenis te schrijven. Maar voor welke geschiedenis wordt er nu eigenlijk een alternatief voorgesteld? En hoe alternatief is die nieuwe geschiedenis dan?

Alternative Histories, het is een klaarblijkelijk grootse titel die hoge verwachtingen schept. Ik bezoek de tentoonstelling met een bevriend architect. We kijken uit naar een kritische tentoonstelling die op de een of andere manier een inhoudelijke reflectie zal geven op het verleden en het heden van architectuur. Maar al snel wordt duidelijk dat het duiden in deze tentoonstelling vooral aan het publiek wordt overgelaten. Als bezoekers verdwalen we vervolgens in de hoeveelheid aan visuele bewonderingswaardigheden. Kritiek en reflectie? Daar hebben we geen tijd meer voor.

De enorme ‘muur’ van maquettes is het eerste dat onze aandacht trekt. Een grote kartonnen installatie met tal van hoeken en gaten is de sokkel voor de 85 maquettes. De installatie is een van die maquettes en geeft schaal aan de rest van de werken. We kunnen er omheen lopen, op krukjes zitten en – als we durven – kunnen we erop gaan staan om de hoogste rij maquettes te bewonderen. Aan de achterwand van de expositieruimte hangt een lange rij tekeningen van het Drawing Matter archief. We krijgen echter niet de echte tekeningen te zien, maar een verschaling van de werken die op papier zijn geprint. Misschien draait het toch meer om het heden dan het verleden? Verder hangt er nog een groot vel met een toelichting op de expositie, die niet heel veel meer vertelt dan we op de website van het CIVA kunnen lezen. Graag zouden we meer willen weten over hoe de curatoren de tekeningen en de hedendaagse architectenbureaus hebben gekozen. Ook weten we niets over de hoofdreferentie van de expositie: het Drawing Matter archief. Wie zijn de verzamelaars? En hoe is hun collectie ontstaan en waarom?

Alternative Histories / foto Sophia Holst

Onze ogen scannen naast de materialen, de details, de kleuren, ruimtes en absurditeiten ook de dubbele rij namen die boven de maquettes en de tekeningen te zien zijn: Marie-José Van Hee en Hans Hollein, Robbrecht en Daem en Le Corbusier, Bardakhanova Champkins en Virgilio Marchi, Tomas Dirrix en Otto Schönthal etc. Na enige verwarring wie nu de maker van welke maquette is en welke tekening erbij hoort, begint het spel duidelijk te worden. We lopen van de wand terug naar de maquettes en struinen met onze ogen op zoek naar de corresponderende namen. En weer terug naar de tekeningen, en weer richting maquettes. Ondertussen gaan onze gesprekken over wie wie is en waarvan men bekend is. Het begint namelijk pas echt leuk te worden wanneer we de namen herkennen. Hier kunnen we elkaar nog wat bijleren, goede referenties zijn immers goud waard. Maar zijn het wel goede referenties?

De namen van de hedendaagse bureaus variëren van inmiddels bekende rotten in het vak (denk aan de Britse Sergison Bates architecten en de Vlaamse Robbrecht en Daem) tot jongelingen die hier en daar al eens eerder zijn opgedoken (denk aan de Vlaamse Olivier Goethals en de Nederlandse Tomas Dirrix en Boris de Beijer). Jong of oud, de bureaus hebben veel met elkaar gemeen. Ze zijn afkomstig uit de bekende Europese architectuurlanden zoals Zwitserland, Italië, UK, Nederland, België (vooral Vlaanderen) en Duitsland. Het zijn bijna altijd cliënt gebaseerde praktijken, die zich vooral op de formele en materiële kwaliteiten richten van de architectuur. We zien nauwelijks praktijken die kritisch onderzoek verrichten, laat staan praktijken die de hedendaagse architectuur trends in twijfel trekken. Daarnaast is er een overgrote meerderheid aan mannelijke architecten en zien we veel formele creativiteit in dienst van de gegoede klassen. Als dat onze alternatieve architectuur geschiedenis is, dan lijkt het wel heel veel op een geschiedenis die we al kennen.

Conen Sigl Architekten / model gebaseerd op tekening van Giuseppe Chiantarelli uit 1795 / foto Thomas Adank

Zo rondlopend en verbanden leggend worden we ons ervan bewust dat het in deze expositie niet om een alternatieve kijk op architectuur gaat. We kunnen namelijk niet veel wijze conclusies trekken uit de zwarte bakstenen stapel van Florian Beigel Architects, die een nieuw antwoord moet bieden op de penlijnen van Le Corbusier, of uit de kartonnen grot van Marie-José Van Hee die de potloodlijnen van een ‘Sketch for City’ van Hans Hollein interpreteert. Meer dan een alternatieve geschiedenis biedt de tentoonstelling een overzicht van waar architecten (door de eeuwen heen) vooral goed in zijn (geweest); namelijk het adoreren van vorm, materiaal, ruimte, constructie en andere architecten. Die interpretatie van de expositie wordt alleen maar versterkt wanneer we het boek bekijken dat is uitgegeven naar aanleiding van de expositie. Full bleed ingezoomde details van de maquettes geven een beeld van de interpretatie van de architecten, die vooral het materiaal en kleurgebruik belichten.

Wat architectuur betekent voor andere mensen dan architecten komt in Alternative Histories niet aan bod. De vraag is of dat aan de selectie van de curatoren ligt of aan de interpretatie van de architecten. Ook als het gaat om een hedendaagse representatie van de architectuur schiet de selectie van 85 (!) architecten te kort. Welke alternatieve blik had de interpretatie van een tekening van Le Corbusier door een sociaal geëngageerd bureau opgeleverd? Of wat als een maatschappij kritische praktijk de tekening van Adolfo Natalini had bestudeerd?

Alternative Histories is vooral een insider tentoonstelling voor architecten, met een catwalk vol meest begeerde merken. De echte alternatieve en kritische praktijken zie je hier niet voorbij komen, hun geschiedenis moeten ze zelf schrijven. De tentoonstelling is een speculatieve fictie (zoals de titel ook suggereert) die ons vooral doet wegdromen van hedendaagse relevante thema’s en problematiek in architectuur en maatschappij.

Enkele gerelateerde artikelen