Bouwcultuur: Elke ruimtelijke ingreep is een culturele daad

Opinie —

Het is knap ingewikkeld om een aantrekkelijke en goed functionerende samenleving te realiseren. Op Europees niveau is het begrip ‘Bouwcultuur’ aangereikt, om de ambities en uitdagingen in de fysieke en sociaaleconomische omgeving te beschrijven. Bouwcultuur overstijgt onze begrippen ‘ruimtelijke kwaliteit’ en omgevingskwaliteit. Hoe we de komende jaren bouwcultuur gaan realiseren is nog een open vraag.

Konijn, Machteld Solinger

illustratie Machteld Solinger

De grote opgaven in woningbouw, klimaatadaptatie, duurzame energievoorziening, voorkomen van bodemdaling, in biodiversiteit en circulaire economie zijn ongekend. Over dertig jaar is er nauwelijks een plek in Nederland aan te wijzen die niet onderhanden is genomen. De Deltawerken, Ruimte voor de Rivier, het Vinex-knooppuntenbeleid bewijzen stuk voor stuk dat we de planningscapaciteit en ontwerpkracht hebben om grote opgaven tot schitterend resultaat te brengen.

Maar de tijd is anders, nu. De centraal gestuurde ruimtelijke ordening bestaat niet meer. De Omgevingswet dwingt ons tot ‘vertrouwen’ in de lokale ruimtelijke regie en legt het initiatief bij marktpartijen. De alom gehoorde roep om een sterk sturende rijksoverheid is kansloos: wethouders en samenleving accepteren geen dictaten uit Den Haag en bovendien is er geen rijksplanologische dienst meer met een samenhangende visie. Aan de andere kant zijn ‘tuinkabouters’ als Friso de Zeeuw en DenkWerk die het Groene Hart nu snel willen volbouwen met eengezinswoningen ook duidelijk de weg kwijt.
Omdat niemand stuurt, omdat alles zijn voors en tegens heeft, en de Raad van State voor elk besluit een zorgvuldige afweging van alle belangen vraagt, gebeurt er niets. We hebben dringend behoefte aan andere planningsconcepten, nieuwe kaders en alternatieve incentives om de steeds urgentere vraagstukken op te pakken. Geen centraal gestuurde directieven, maar manieren om overheid, markt, gemeenschap en individu te laten samenwerken aan publieke belangen. Het nieuwe begrip ‘Bouwcultuur’ lijkt bruikbaar te zijn om die samenwerking vorm en inhoud te geven.

De manier waarop we samenleven en ons ontwikkelen als samenleving is in essentie cultureel. Alle investeringen die we doen in onze fysieke leefomgeving, of ze nu conserverend zijn, transformerend of vernieuwend, ze dragen stuk voor stuk bij aan de beleving van een culturele identiteit. Ze weerspiegelen onze ondernemingslust of juist ons conservatisme. Zoals de bouw van elk huis ook de bouw van een stuk stad betekent, zo is iedere ruimtelijke ingreep tevens een toevoeging aan de beleving van een culturele identiteit.
Vanuit dit besef en met een sombere ondertoon over de kwaliteit van de huidige investeringen in de publieke ruimte, is twee jaar geleden is in Davos door alle Europese ministers van cultuur een Verklaring over Baukultur[1] ondertekend.

In Nederland is nog niet veel over die verklaring geschreven en de betekenis van het begrip Bouwcultuur is niet erg bekend. Toch verplicht de handtekening onder Davos tot nogal wat actie van de overheid en van de samenleving. ‘Een hoge kwaliteit als centraal doel voor de gebouwde omgeving (…) moet in alle activiteiten die een ruimtelijke impact hebben, verplicht worden gesteld’, is bijvoorbeeld zo’n zin met flinke implicaties. Net als het statement dat ‘prioriteit gegeven wordt aan culturele waarden boven economische winst op de korte termijn’. Een ‘kwalitatief hoogwaardige’ Bouwcultuur wordt in de verklaring neergezet als een verleidelijk streven naar een duurzame samenleving, die wordt gekenmerkt door een hoge kwaliteit van leven, culturele diversiteit, individueel en collectief welzijn, sociale rechtvaardigheid en samenhang en economische efficiëntie.
Feitelijk is de manier waarop Bouwcultuur in de verklaring van Davos beschreven wordt een overtreffende trap van ons begrip ‘omgevingskwaliteit’, dat weer een uitbreiding is van ‘ruimtelijke kwaliteit’.

Vierde nota ruimtelijke ordening
In de Vierde en laatste Nota over de ruimtelijke ordening (1988) is ruimtelijke kwaliteit tot het centrale doel van de ruimtelijke ordening verheven. Een plek met een goede ruimtelijke kwaliteit, aldus de Vierde Nota, heeft een hoge gebruikswaarde, een hoge toekomstwaarde en een hoge belevingswaarde; het gaat bij ruimtelijke kwaliteit om de integrale kwaliteit van plekken, waarin de toekomstwaarde niet alleen gaat om robuustheid en levensduur, maar ook om duurzaamheid, aanpasbaarheid en gezondheid.

Sinds 1988 is uitgebreid geschreven en gesproken over de betekenis van dit centrale doel: is het mogelijk om vast te stellen of een plek ruimtelijke kwaliteit heeft? Is het te voorspellen of een plek met een bepaalde ingreep ruimtelijke kwaliteit kan krijgen? Er zijn matrixen ontwikkeld, virtuele werkbanken met alle mogelijke instrumenten om grip te krijgen op ‘ruimtelijke kwaliteit’, en er zijn hooggeleerde verhandelingen over geschreven.
Mijn conclusie uit alle literatuur en praktijk is dat ruimtelijke kwaliteit niet een vast te stellen conditie van een bepaalde plek is, omdat de waardering van elke plek sterk afhankelijk is van het doel dat een gebruiker voor ogen heeft, en van het patina van de tijd. Ik voel me veel meer verwant aan degenen die ruimtelijke kwaliteit niet beschouwen als een uitkomst, maar als een streven. ‘Kwaliteit is het streven naar voortreffelijkheid’[2]. De kansen op een hoogwaardige kwalitatieve uitkomst groeien als iedereen gedwongen wordt om zijn uiterste best te doen er het allerbeste van te maken. Kwaliteit is dus geen product, maar een proces.
À propos, het vakmatig gebruik van het begrip ruimtelijke kwaliteit is de afgelopen dertig jaar behoorlijk verschraald. Het ooit integrale begrip valt tegenwoordig bijna samen met ‘beeldkwaliteit’. Net als bij architectuur en erfgoed gaat het ook bij ruimtelijke kwaliteit steeds vaker alleen maar om het plaatje, om het beeld. Genegeerd wordt dat ruimtelijke kwaliteit aanvankelijk ook aspecten als sociale inclusiviteit, betaalbaarheid en duurzaamheid omvatte.

Het begrip omgevingskwaliteit, dat een centraal doel van de Omgevingswet (2016) is geworden (naast veiligheid en gezondheid), is een uitbreiding van de ruimtelijke kwaliteit. Het College van Rijksadviseurs heeft ooit de formule bedacht: omgevingskwaliteit = ruimtelijke kwaliteit + milieukwaliteit[3]. Dat lijkt me een onzinnige formule. Ten eerste omdat de essentie van ruimtelijke kwaliteit nu juist niet in een formule gevat kan worden aangezien het geen empirisch begrip is, en ten tweede omdat milieu al onderdeel uitmaakt van de definitie van ruimtelijke kwaliteit.
Mijn eigen opvatting is dat omgevingskwaliteit een dimensie toevoegt aan ruimtelijke kwaliteit. Een goede omgevingskwaliteit impliceert dat in het ontwerp rekening gehouden is met wat er in die omgeving gebeurt (niet alleen fysiek, zoals erfgoed of landschap, maar ook qua dynamiek), dat het ontwerp de omgeving verrijkt en dat actoren in de omgeving (bewoners, gebruikers) actief betrokken zijn bij de ontwikkeling[4].

Bouwcultuur
De verklaring van Davos over bouwcultuur gaat nog een stapje verder, hoewel in die verklaring geen sluitende definitie van het nieuwe begrip valt te lezen.
Baukultur (het Duitse begrip is elders in Europa onvertaald overgenomen) omvat elke menselijke activiteit die de omgeving verandert. Niet alleen de bouwwerken en hun ontwerpen (inclusief infrastructuur, stedenbouw, openbare ruimte en landschap) behoren tot de bouwcultuur, ook het proces − dat bestaat uit regelgeving, planologie en samenwerking bij het bouwen, en de architectuurcultuur (het nadenken over/reflecteren op). Een kwalitatief hoogstaande ‘Baukultur’ bouwt bovendien aan sociale cohesie, is gericht op duurzaamheid en draagt bij aan gezondheid en welzijn van iedereen.
Het begrip Bouwcultuur is daarmee een overtreffende trap van omgevingskwaliteit, omdat het zich naast alle eerder al genoemde aspecten ook richt op sociale inclusiviteit, integratie en het bestrijden van discriminatie en radicalisering, niet alleen in de binnensteden, maar ook in de voorsteden en industrieterreinen.
Het is opmerkelijk dat in de hele verklaring van Davos het begrip schoonheid of esthetiek niet voorkomt, terwijl in Nederland de ruimtelijke en omgevingskwaliteit nu juist uitdrukkelijk met de beeldkwaliteit en esthetiek verbonden is. In de conferenties die de afgelopen tijd in enkele buitenlanden over Baukultur zijn georganiseerd, is de esthetiek overigens wel degelijk ter sprake gebracht. Er klinkt een (wellicht begrijpelijke) huiver door om Baukultur en omgevingskwaliteit al te nadrukkelijk te verbinden met schoonheid, dat in de ogen van velen een te subjectief begrip is om als beleidsdoelstelling te kunnen gelden. Maar op die conferenties deelt iedereen de notie dat een hoogwaardige Baukultur lelijkheid en verrommeling voorkomt.

Wat betekent die Davos-verklaring nu voor ons?
Op de eerste plaats is de verklaring een internationale legitimatie voor ons nationale streven naar een ‘goede omgevingskwaliteit’. De pleitbezorgers van ruimtelijke kwaliteit krijgen als het ware een Europees opkontje. De verklaring dwingt de ondertekenaars om een beter beleid te voeren om een goede Baukultur te bevorderen en een visie op het onderwerp te ontwikkelen. Niet alleen in eigen huis via wet- en regelgeving, maar ook door private partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om aan een goede bouwcultuur bij te dragen.

Het heeft wat lang geduurd voordat Nederland naar aanleiding van de verklaring van Davos in beweging kwam, maar binnenkort publiceren de Raad voor Cultuur en het College van Rijksadviseurs een gezamenlijk advies over de consequenties van ‘Davos’ voor de Nederlandse beleidspraktijk. Dat is dringend noodzakelijk, want het gaat inmiddels bij ons helemaal niet goed meer. De fraaie Nederlandse ruimtelijke ordening, waarin zowel bij de allergrootste opgaven (Deltawerken, ruimte voor de rivier) als in de ‘dagelijkse leefomgeving’  de zorg voor kwaliteit geborgd is, is verleden tijd. We lijken als konijnen in de koplampen te staren van de treinen die uit alle richtingen op ons af denderen. Woningbouw, klimaatadaptatie, mobiliteit, toerisme, duurzame energie, circulaire economie, bodemdaling: op al deze terreinen is de urgentie enorm evenals de ruimtelijke implicaties, ze zijn vol op stoom en als straks de handremmen eraf gaan, botsen de treinen in het centrum luidruchtig op elkaar.
Er wordt een ambitieus programma opgetuigd voor verduurzaming van de bestaande woningbouw, maar even later blijkt dat de isolatiepakketten gemaakt zijn van milieuvervuilende materialen. Verdichting in de stad dreigt de hittestress te verergeren en ten koste te gaan van de ruimte voor groen die juist gezondheid bevordert.

Sommigen[5] zeggen dat de ruimtelijke ordening verdween omdat het vervangen werd door ruimtelijke kwaliteit, die thuis hoort op het bordje van gemeenten. Dat lijkt me de reden niet. Veeleer ligt de oorzaak van de nationale onmacht in de privatisering van wat eerst publiek was. Neoliberaal beleid van de afgelopen decennia heeft het openbaar bestuur veranderd in een bedrijfsmatige operatie waarin het besef van publiek belang erodeert. Publiek belang is en wordt in de Omgevingswet in handen gelegd van privaat belanghebbenden, die er uit hun aard niet voor kunnen en willen zorgen. Het beleid van overheden is steeds minder centraal komen te staan, vooral om de concrete investeringsvoornemens zo min mogelijk te hinderen – en niet alleen het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Alle ‘zachte’ waarden, zoals solidariteit, schoonheid, liefde en geluk maar zelfs ook gezondheid, erfgoed en natuur, spelen alleen nog maar een rol in het beleid als ze meetbaar en afrekenbaar gemaakt kunnen worden. Investeren in erfgoed is slechts verantwoord indien het een economisch rendement oplevert. Hetzelfde geldt voor kunst en cultuur en steeds vaker ook voor architectuur. De hilarische pogingen om in Maatschappelijke Kosten-Baten Analyses het rendement te bepalen van uitgaven aan kunst, cultuur en groen, of de financiële bate van een vrij uitzicht, miskennen de notie dat wat werkelijk waardevol is, onbetaalbaar is.
Inmiddels zijn wij het land geworden van de kiloknallers. Wij zijn het land van de plofkip, van het hamlapje, van de ‘wasserbombe’. Wij zijn het land van de XXL-dozen, van de autokilometers, van drie zonvakanties per jaar. Het land van de kilojoules, de kilowatturen, de kilobytes en de kilometervergoeding. Het morele, opgeheven vingertje van de dominee die we naast koopman ook altijd waren, is minder dan een pink geworden.

Op papier wordt nog beleden dat er een ‘balans’ moet zijn tussen ‘benutten’ en ‘beschermen’ van de fysieke leefomgeving, in het belang van een goede omgevingskwaliteit. In de praktijk is dit een gevaarlijke en onvruchtbare benadering. Er ligt namelijk de onuitgesproken opvatting onder dat benutten ten koste gaat van kwaliteit, en beschermen juist in het belang van kwaliteit is. Dat is volslagen onzin. Het gaat erom dat elke verandering, elke investering beschouwd wordt als een kans om kwaliteit toe te voegen. Om te verbeteren. Of het nu gaat om een investering in erfgoed, in een nieuwe luchthaven of in een zonneakker. De centrale vraag moet niet zijn of beschermen en benutten daarbij nog in balans zijn, maar op welke manier een ‘goede omgevingskwaliteit’ door de investering optimaal bevorderd wordt. Dat gaat bepaald niet vanzelf overigens, kwaliteit is een kwestie van willen en hard samenwerken.

En daarmee komen we aan de essentie van het nieuwe begrip Bouwcultuur: hoe richten we de processen van het bouwen zo in, dat het resultaat ons past en gelukkig maakt? Op die vraag is geen ondubbelzinnig antwoord mogelijk – het zoeken naar de juiste samenwerking, steeds opnieuw, elke keer weer gebruik makend van de lessen uit het vorige project, is veel verstandiger dan successen te codificeren in strenge procesregels en protocollen. En misschien is juist die voortdurende zoektocht naar hoe het precies moet, óók een aspect van de bouwcultuur.
Natuurlijk beginnen we niet met een tabula rasa. De Omgevingswet eist participatie: zowel beleids- en inrichtingsvragen als concrete private projecten moeten tot stand komen in interactie met bewoners en gebruikers in de omgeving. Deze eis heeft nog onvermoede gevolgen voor het functioneren van de lokale democratie, en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van marktpartijen. Daarnaast hebben we enige ervaring met ‘ontwerpend onderzoek’ als methode om schijnbaar tegenstrijdige opgaven en wensen in een project te verzoenen.
Een volgehouden dialoog tussen de partijen die iets willen (opdrachtgevers), de partijen die iets hebben (investeerders en omwonenden), de partijen die iets moeten (probleemeigenaren), de partijen die iets kunnen (ontwerpers) en de partijen die iets te zeggen hebben (overheden), die dialoog, het gezamenlijk onderzoeken en oefenen van ‘steeds beter’ is misschien wel de beste uiting van een goede Bouwcultuur.

Noten:
[1] https://www.cultureelerfgoed.nl/binaries/cultureelerfgoed/documenten/publicaties/2018/01/01/verklaring-van-davos-2018/edoc-1409102-v1-verklaring_van_davos_baukultur_2.pdf
[2] Adri Duivesteijn in: Hans van Dijk, Sabine Lebesque, Marc A. Visser (red): Architectonische kwaliteit als opdracht voor openbaar bestuur, Rotterdam 1991, p. 15
[3] https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/actueel/nieuws/2016/01/12/omgevingskwaliteit-gevat-in-drie-formules
[4] https://www.ruimtelijkekwaliteit.nl/upload/files/essay_Omgevingskwaliteit.pdf
[5] Wim Derksen, ‘de paradox van de ruimtelijke ordening’, december 2019 op http://www.wimderksen.com/ en Simon Franke en Wouter Veldhuis: ‘Verkenning van de rechtvaardige stad’ (Trancity, 2018).

Enkele gerelateerde artikelen