Groen, groener, Singapore

Feature —

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat de Britten de basis legden voor het moderne Singapore. De stadstaat weet zelf nog niet helemaal of ze dit moment nou echt moet vieren, de geschiedenis van het eiland gaat immers veel verder terug. In stedenbouwkundig opzicht is het in ieder geval een mijlpaal: met de Britten kwam het eerste stadsplan. En daarmee startte een planningstraditie die inmiddels, na vele aanpassingen, wereldwijd vermaard is. Architectuurhistorica Mieke Dings doet verslag van cruciale momenten uit de Singaporese stedenbouw, die soms een opvallend Nederlands randje hebben. Vandaag het vijfde en laatste deel: hoe Singapore recentelijk één van de meest duurzame steden ter wereld werd en wat wij daarvan kunnen leren.

Vliegeraars op het dakpark van Marina Barrage met de supertrees en Marina Bay Sands op de achtergrond / foto Mieke Dings

De schijn zit haar nogal tegen: wie Singapore in komt vliegen – en bijna niemand komt op een andere manier – ziet vooral een perfect georganiseerd consumptieparadijs met spetterende skyscrapers, ronkende Ferrari ‘s, Gucci winkels, airconditioned food courts en supermarkten vol ingevlogen producten en plastic tasjes. Dan is duurzaamheid niet bepaald het eerste waar je aan denkt. Maar achter al die opsmuk zit meer denkwerk dan je op het eerste gezicht ziet. Volgens onderzoek van ‘ons eigen’ Arcadis was Singapore in 2018 de vierde duurzaamste stad ter wereld (ter vergelijking: Amsterdam stond op de 12de plek) en de duurzaamste stad van Azië. Nou was het van de drie p’s dan wel de flinke uitschieter in profit die Singapore zo’n hoge plek bezorgde, maar ook op het gebied van people en planet liet ze toch ook diverse welvarende steden als Brussel en Sydney achter zich.
Cruciaal is dan wel om Singapore als stad te beschouwen, want als land scoort het beduidend slechter, zoals het Wereld Natuur Fonds tot frustratie van de overheid meerdere keren benadrukte maar gezien het beperkte oppervlak en gebrek aan eigen grondstoffen ook niet helemaal verwonderlijk is. Profit en/of planet, stad en/of land: feit is dat de overheid duurzaamheid omarmd heeft en dat Singapore inmiddels wereldwijd als een voorbeeldige groene stad te boek staat. Wat is er zo duurzaam en hoe heeft de stadsstaat dit voor elkaar gekregen?

Paradoxaal genoeg heeft juist het feit dat Singapore sinds 1965 een stadsstaat is daarbij geholpen. Want het feit dat het land alles moet onderbrengen op slechts 720 vierkante kilometer en niet over natuurlijke hulpbronnen of drinkwater beschikt, maakt dat er van meet af aan met het oog op haar voortbestaan scherpe politieke keuzes gemaakt moesten worden. En die zijn dan ook zonder schroom – de People’s Action Party (PAP) is door een combinatie van succes en onderdrukking sinds 1965 de grootste politieke partij – en met veelvuldig advies uit het buitenland gemaakt.
Die keuzes waren door de lange termijn blik meestal per definitie duurzaam en gaven Singapore als stad een voorsprong ten opzichte van vele andere steden. Zo besloot ‘aartsvader’ Lee Kuan Yew al in de jaren zestig, in de internationale race om multinationals aan te trekken, om de stad vooral clean and green te maken en de industrie dus uit het centrum of zelfs uit het land te verdrijven. Daardoor had Singapore al vroeg relatief schone lucht en wateren en telde het volop beplanting (lees: Voorwaarts Singapore!). Voeg daarbij nog de beslissing om al in 1975 als eerste land ter wereld een vorm van rekeningrijden in te voeren (namelijk wegbeprijzing in de binnenstad, later uitgebreid tot andere zones), autobezit heel duur te maken en vervolgens een goedwerkend metrosysteem uit te rollen, en zie daar een mobiliteitssysteem waar menig westerse stad nu zo voor zou tekenen. Om nog maar te zwijgen over de vele parken en spectaculaire wateren die de stadstaat in de jaren negentig creëerde om daarmee aan de rest van de wereld haar status als a tropical city of excellence te benadrukken (lees: Singapore Inc., Crazy Rich Asians en spektakelarchitectuur) en die de stad van de nodige groene en blauwe longen voorzagen.

Parkroyal@Pickering met Chinatown op de achtergrond / foto Patrick Bingham-Hall

Bij deze op zich duurzame keuzes had het milieu, oftewel de factor planet, nooit zo’n grote rol gespeeld. Dat begon te veranderen toen rond de eeuwwisseling geluiden over klimaatverandering steeds harder begonnen door te klinken en het milieu wereldwijd hoger op de agenda kwam te staan. Ook Singapore zag nu de noodzaak om ‘beyond clean and green, towards environmental sustainability‘ te gaan. In het tweede Green Plan dat ze in 2002 tijdens de Wereldmilieutop in Johannesburg presenteerde, stelde de overheid zichzelf allerlei doelen op het gebied van lucht, water, afval, natuur, gezondheid en – jazeker – internationale relaties.
En daar bleef het niet bij. Zoals wel vaker gebeurt als de Singaporese overheid echt in iets gelooft en er – niet onbelangrijk! – ook nog eens (internationale) markt in ziet, beet de overheid zich nu in het duurzaamheidsvraagstuk vast en liet niet meer los. Het resulteerde onder andere in een lawine aan onderzoeksinstituten. In 2015 telde Singapore maar liefst 47 instituten en centra voor milieu- en duurzaamheidsonderzoek, waaronder het gloednieuwe National Biodiversity Centre dat de biodiversiteit op het eiland ging meten aan de hand van een grotendeels door Singapore ontwikkelde, maar inmiddels wereldwijd gebruikte City Biodversity Index. Het resulteerde uiteraard ook in actieprogramma’s en concrete resultaten, zoals programma’s om de hoeveelheid afval terug te dringen en daarmee de levensduur van het zojuist geopende, voorbeeldige afvaleiland Pulau Semakau te verlengen, de aanwijzing van nieuwe natuurreservaten, en de afdamming van Marina Bay die het regenwaterwingebied ten behoeve van de drinkwatervoorziening tot twee derde van het eiland vergrootte. De toon was gezet.

De nieuwe focus op milieu betekende ook een enorme impuls voor de stedenbouw. Ze gaf de eind jaren negentig uitgesproken wens om van een garden city naar a city in a garden te gaan een nieuwe lading en vooral urgentie mee. Was die wens destijds vooral vanuit het oogpunt van stadsverfraaiing geformuleerd, nu voerde de overheid vooral ecologische argumenten aan. Kort daarop volgden als aanvulling op het uitgebreide netwerk van recreatieve verbindingen ook de eerste ecologische verbindingen en doken plannen op om de eerder aangeharkte parken en gekanaliseerde waterwegen (opnieuw) te verwilderden.
Dat in het dichtbebouwde Singapore niet alleen dit soort verbindingen en parken milieuwinst konden opleveren, maar vooral ook de vele gebouwen, begon de overheid zich steeds meer te realiseren. Een eerste stap in die richting kwam er met het in 2005 geïntroduceerde duurzaamheidslabel Green Mark. Meer dan de westerse labels houdt Green Mark rekening met de tropische omstandigheden en schuift daarbij, naast allerlei water- en energiebesparende maatregelen, iets simpels als beplanting naar voren als een eenvoudig middel om verkoeling te bieden, de luchtkwaliteit te verbeteren en een prettig klimaat te realiseren. Het succes van Green Mark – Singaporese ontwikkelaars willen maar al te graag een gebouw met een Gold, GoldPlus of Platinum status – maakte dat het niet lang duurde voordat er op allerlei plekken gebouwen opdoken die niet alleen relatief energiezuinig en milieuvriendelijk waren, maar ook nog eens rijkelijk van beplanting waren voorzien. Ze lieten zien dat het kon: niet al te schadelijke gebouwen maken die de stad verfraaien en verduurzamen. Kort daarop sprak de overheid het streven uit om in 2030 maar liefst 80 procent van de (nieuwe en bestaande) gebouwen binnen de Green Mark normen hebben.

Urban farm van Kampung Admiralty / foto K. Kopter

Dat ze daarbij beplanting wilde stimuleren, bleek wel uit het in 2009 geïntroduceerde programma Landscaping for Urban Spaces and High-Rises (LUSH), dat de vergroening letterlijk tot grote hoogte bracht en brengt. Onderdeel ervan is de Landscape Replacement Policy, die in de meest strategische gebieden ontwikkelaars van nieuwe gebouwen verplicht om minimaal het perceeloppervlak in de vorm van groen in of op het gebouw te compenseren. In eerste instantie ging het dan vooral om plantenbakken, gemeenschappelijke groene (dak)terrassen of (-)tuinen. Tegelijkertijd creëerde LUSH mogelijkheden om dit soort groen ook aan bestaande gebouwen toe te voegen, namelijk door deze voorzieningen niet mee te rekenen in het maximaal toegestane bruto vloeroppervlak. Aan wat voor gebouwen de overheid dan dacht, illustreerde ze onder andere aan de hand van twee kort daarvoor opgeleverde gebouwen waar ze zelf een flinke invloed op had: het openbare dakpark van het door Team 3 ontworpen Marina Barrage waar nog altijd veel Singaporezen naar toe gaan om te vliegeren, en de twee gemeenschappelijke skyparks in de door RSP Architects ontworpen sociale huisvestingsflats van de Pinnacle@Duxton waarvan het park op de 50ste verdieping zelfs een hardloopparcours met uitzicht op Chinatown bezit.
Dat het nog veel spectaculairder kon, toonde het kort daarna gerealiseerde Gardens by the Bay. Dit 101 hectare tellende, door Wilkinson Eyre Architects ontworpen openbare park achter het iconische Marina Bay Sands hotel bevat onder andere achttien enorme supertrees, een soort betonnen kolommen die omgeven zijn door een stalen raster waarin allerlei planten groeien. Een aantal supertrees vangt daarnaast regenwater en zonlicht op en filtert tegelijkertijd de lucht van de nabijgelegen door een biomassacentrale aangedreven geklimatiseerde koepels vol bijzondere bloemen en planten. Met Gardens by the Bay liet Singapore zien dat natuur, technologie en architectuur op spectaculaire wijze samen kunnen gaan.

Een ideale partner voor de verbreiding van haar groene ambities vond de overheid in het Singaporese bureau WOHA architects. WOHA realiseerde de afgelopen jaren uit eigen beweging – zie onder meer het boek Garden City Mega City met de veelzeggende ondertitel Rethinking Cities for the Age of Global Warming dat WOHA op de Biënnale in Venetië in 2016 presenteerde maar uiteraard wel geholpen door LUSH verschillende gebouwen die niet alleen duurzaam en extreem rijkelijk beplant waren, maar ook een geheel nieuwe vormentaal introduceerden. Uitstekend voorbeelden zijn het Parkroyal@Pickering hotel dat met haar weelderige, hangende daktuinen spoedig menige folder of website over Singapore sierde, en het OASIA hotel, de tropische wolkenkrabber die met haar daktuinen en groene gevels aan een Landscape Replacement van minimaal factor tien deed.
Meer dan de plannen en beleidsstukken waren het dit soort iconische gebouwen die maakten dat er – in het op looks ingestelde Singapore – navolging kwam en dat de aanvankelijk gestelde ambitie van LUSH namelijk 50 hectare skyrise greenery in 2030, al in 2013 omhoog kon tot 200 hectare en de Landscape Replacement Policy voor een groter gebied ging gelden. Tegelijkertijd waren het dit soort gebouwen die de overheid konden overtuigen om voortaan behalve plantenbakken en (dak)terassen of (-)tuinen ook groene gevels en urban farms in het LUSH programma mee te tellen, zij het in iets mindere mate omdat dit groen minder toegankelijk en beleefbaar en soms ook minder divers was.

Spelen in het skypark van de Pinnacle@Duxton / foto Mieke Dings

Overigens zijn de daktuinen ook niet allemaal publiek toegankelijk. Met name in het drukke stadscentrum zouden de hoger gelegen skyparks dan immers aan hun succes ten onder gaan. Zo was één van de daktuinen van het Parkroyal@Pickering hotel in het begin nog wel te bezoeken totdat hotelgasten er genoeg van kregen om continu in bikini op andermans foto’s te figureren en het hotel omwille van hun privacy besloot alleen nog maar hotelgasten toe te laten. De daktuinen van de Pinnacle@Duxton – goed voor prachtige vergezichten over het stadscentrum en de oude haven – zijn voor niet-bewoners alleen tegen betaling te bezoeken. Maar verder buiten het stadscentrum zijn de meeste daktuinen, zelfs die van het door WOHA ontworpen World Building of the Year 2019 seniorenwooncomplex Kampung Admiralty, wel gewoon publiek toegankelijk en worden ook veelvuldig door buurtbewoners gebruikt.
Om juist ook in het drukke stadscentrum – naast de al aanwezige parken en groenstroken – meer publiek toegankelijke, beschutte groene ruimtes te krijgen, verplichtte de overheid recentelijk ontwikkelaars van gebouwen op bepaalde percelen om onderin hun gebouwen Privately Owned Public Spaces (POPS) te realiseren. Deze POPS moeten aan allerlei richtlijnen voldoen. Zo moeten ze duidelijk zichtbare borden bevatten die aangeven dat de ruimtes 24 uur per dag publiek toegankelijk zijn. Uiteraard mogen de ontwikkelaars daar zelf nog gedragsregels bij opstellen en camera’s ophangen, maar dat is in het van boetes en cameracontroles aan elkaar hangende Singapore niet bepaald iets nieuws. En bij gebrek aan overlast gevende zwervers of vernielende hangjongeren – ze zouden niet durven! – zijn bewakers of andere handhavers vaak niet eens nodig. Recent voorbeeld van zo’n POPS is het Tanjong Pagar City Park als onderdeel van de door Skidmore, Owings and Merrill (SOM) ontworpen Guoco toren. In plaats van het zeslaagse gebouw dat hier volgens de ontwikkelaar officieel had mogen verrijzen, ligt er nu boven pal boven het metrostation een prettig park met een van zonnepanelen voorziene overkapping, waar kantoorpersoneel, passanten en toeristen beschutting zoeken en allerhande activiteiten plaatsvonden. Een totaal andere, minder levendige, maar uiterst groene POPS verrees middenin het onlangs opgeleverde, door Ingenhoven architects ontworpen Marina ONE.

Groen rondom Tanjong Pagar Centre met Oasia hotel op de achtergrond / foto Mieke Dings

Het is dit soort strak beleid, bestaande uit een combinatie van  flinke overheidsinvesteringen en gelijktijdig de private sector verplichten én verleiden, dat maakte dat Singapore de afgelopen decennia rap vergroende. En de overheid is, gezien de vele voordelen van vergroening, vastbesloten om door te gaan. Om de verbondenheid met de natuur te uiten, voegde ze onlangs aan het wensbeeld van a city in a garden het ietwat multi-interpretabele biophilic toe. ‘Appreciation and love for greenery is now core to Singapore’s national identity’, maakte de minister van National Development er in 2017 van. De ambitie van LUSH was al  opgeschroefd en vorig jaar kondigde de overheid aan om in de nabije toekomst nog eens 1000 hectare aan parken en park connectors te gaan realiseren.
Het zijn dit soort groenvoorzieningen waarmee de overheid duurzaamheid uiteindelijk ook wat meer tussen de oren van de Singaporezen hoopt te krijgen. Want die vinden het groen allemaal wel mooi, maar zijn niet zo bezig met de duurzame missie er achter. Laat staan dat ze – en dat is niet zo verwonderlijk in een met strakke hand geregeerd land – daar een eigen verantwoordelijkheid in zien. Nu is dat wat groenvoorziening betreft op zich niet zo’n probleem, die is inmiddels keurig in de stedenbouw verankerd, maar op het gebied van water, energie en afval heeft de overheid de mensen vroeg of laat toch echt wel nodig. Ze kan nog zoveel installaties bouwen – het eiland telt inmiddels vier ontziltings- en vier NEWater centrales, krijgt binnenkort één van de grootste drijvende zonneparken ter wereld, en beschikt over goede afvalsorteerfabrieken – zonder inzet van de inwoners haalt de overheid de gestelde doelen niet allemaal. In de slag om een duurzaam Singapore heeft de overheid recentelijk daarom alle pijlen op hen gericht. Daarbij zou de urban farm wel eens een succesvolle troef kunnen zijn. Liefde gaat in Singapore immers door de maag dus wat groene liefde betreft moet de overheid het misschien ook vooral daar zoeken. Het spoedig te verrijzen Plantation District met ‘farm-to-table dining’ zal het uitwijzen. De Nederlandse experts op het gebied van urban farming zijn al ingevlogen. Wat zou het fijn zijn als zij in ruil voor hun expertise, wat van de Singaporese vastberadenheid en daadkracht mee terug zouden kunnen nemen naar Nederland. Want een beter milieu begint volgens ons dan misschien bij jezelf, maar Singapore heeft laten zien dat je als daadkrachtige overheid alleen toch ook al een heel eind komt.

Enkele gerelateerde artikelen