In memoriam Nic. Tummers (1928-2020)

Nieuws —

Beeldend kunstenaar en architectuurcriticus Nic. Tummers was zijn gehele werkzame leven een vurig pleitbezorger voor ‘socioruimte’, een interdisciplinaire benadering van beeldende kunst, architectuur, en stedenbouw. Vanuit zijn socialistische overtuiging hechtte hij veel waarde aan publieksparticipatie en kennisoverdracht en koos hij voor daadwerkelijk maatschappelijk activisme.

Nic. Tummers construeert zijn collectie in zijn huis, 2011 / foto Klaus Tummers

Een bezoek aan Nic. Tummers in zijn wonderlijke huis aan de Schoolstraat in Heerlen zal op iedereen een onuitwisbare indruk hebben gehad. Bij binnenkomst viel direct op dat overal objecten van allerlei aard waren geordend tot ensembles die een sterk persoonlijk verhaal leken te vertellen. Het was de intense samenhang tussen huis, inhoud en bewoner die het geheel zijn unieke, bijna theatrale karakter gaf. In deze zin paste dit ensemble in een traditie van autobiografische kunstenaarswoningen, waarvan de museumwoning van John Soane in Londen een van de vroegste en meest geslaagde voorbeelden is.

Engagement
Volgens Nic. Tummers beperkte een kunstenaarschap zich niet tot het atelier, maar moest het gericht zijn op het in samenhang beschouwen van kunst, maatschappelijk engagement en kennisoverdracht. Behalve ontwerper en beeldend kunstenaar was Tummers ook politicus, organisator, journalist, historicus en docent. Daarbij was het zijn doel om vanuit de beeldende vormgeving de leefruimte opnieuw vorm te geven in de breedste zin van het woord, om ‘beeldend de vorming van maatschappelijke allianties te bewerkstelligen’.
De manier waarop Tummers politieke en artistiek-culturele activiteiten combineerde, is in Nederland uniek. Cultuurpolitiek was een ondeelbaar onderdeel van zijn kunstenaarschap. Hij vervulde niet alleen vele bestuursfuncties in de wereld van kunst en cultuur, maar was ook de initiator en inspirator van veel kunstenaarsinitiatieven en groeperingen, van Catacombe tot het Kommunaal Kunstenaars Kollektief.

Al in zijn studietijd interesseerde hij zich voor de manier waarop kunst zich maatschappelijk kon manifesteren. Hij nam publiek stelling tegen de volgens hem knellende banden van een traditioneel-katholiek corporatisme, dat ook de kunstontwikkeling belemmerde. Toen al organiseerde hij verzet via bestaande en zelf opgerichte organisaties door middel van tentoonstellingen, lezingen, studiebijeenkomsten en publicaties. Richtinggevend was zijn keuze voor het lidmaatschap van de PvdA in 1954, niet toevallig het jaar van het beruchte Mandement. Hij was actief binnen de lokale PvdA-afdeling en organiseerde regelmatig bijscholingsactiviteiten op het gebied van kunst en architectuur voor het partijkader. Uiteindelijk zou hij zelfs senator worden.

Inspiratiebron was de grote sociaal-utopische traditie, begonnen met de Franse Revolutie en doorwerkend in de avant-garde van het interbellum, waarin sociaal bevlogen vormgevers, filosofen en theoretici – van Karl Marx tot Henri Lefebvre – alternatieve samenlevingsmodellen formuleerden. Inhoudelijk richtte zijn engagement zich al vanaf het begin op Heerlen als centrum van de mijnstreek en de gevolgen van de mijnsluitingen. Hij pleitte in een zeer vroeg stadium voor behoud en herinrichting van het mijnlandschap als cultureel erfgoed en voor betrokkenheid van de bewoners daarbij. Maar zijn blik oversteeg het lokale. Hij was kritisch over de opkomst van de ruimtelijke ordening in Nederland, die hij te eenzijdig functionalistisch-technocratisch vond. Op nationaal en internationaal niveau maakte hij zich vooral sterk voor integratie van ruimtelijke en beeldende vormgeving (culturele planologie), met name ook voor monumentenzorg en het opdrachtenbeleid voor kunstenaars.

Tummers reisde veel en genoot zijn opleiding gedeeltelijk in Parijs. Vooral via zijn lidmaatschap van de in Amsterdam gevestigde Liga Nieuw Beelden verruimde hij zijn werkkring tot de Randstad en, als lid van de Assemblée van de Raad van Europa, tot Europa. Bij de Liga maakt hij eind jaren vijftig kennis met Constants, door het situationistische gedachtegoed geïnspireerde ‘unitair urbanisme’, dat streefde naar een volledige versmelting van kunst en samenleving. Uitgangspunt was de homo ludens, die in een egalitaire, post-kapitalistische samenleving zijn eigen leefomgeving vormgeeft. Met Constant deelde Tummers een sterk engagement en politiek bewustzijn. Maar waar Constant met zijn New Babylon vanaf 1957 een eigen artistiek-utopisch model begon te creëren, verschoof Tummers’ belangstelling steeds meer naar de concrete ‘socioruimte’, een interdisciplinaire benadering van architectuur en stedenbouw.

In de volgende decennia ontwikkelde Tummers – deels noodgedwongen doordat hij geen architectonische training had gehad – een geheel eigen vorm van activistisch kunstenaarschap, waarbij hij de focus geleidelijk verlegde van ontwerp naar onderzoek. Tummers’ versie van New Babylon was de in 1966 door hem opgerichte Universiteit van de Socio-ruimte. Het was het atelier van een nieuw type ‘institutioneel kunstenaar’, die niet langer met de traditionele beeldende middelen van de kunst werkte, maar die de ‘socio-ruimte’ vormgaf door ‘informatieoverdracht, publicaties, demonstratieve projekten, akties’. In de praktijk was de U.S-R. vooral een grote en snel groeiende bibliotheek annex knipseldocumentatie waaruit Tummers kon putten voor zijn vele publicaties, lezingen, tentoonstellingen en onderwijsactiviteiten.

cover catalogus Experiment Studio Rotterdam

Cover catalogus Experiment Studio Rotterdam in het Bouwcentrum Rotterdam, 1966

Synthese der kunsten
Het streven naar een synthese der kunsten beheerste het naoorlogse culturele
klimaat in Nederland en Europa. In plaats van de traditionele hiërarchische verhouding van architectuur en toegepaste kunsten zocht men naar een synthese van beeldende kunst en architectuur, met een gelijkwaardige rol voor beide. Deze ontwikkeling leidde uiteindelijk tot de volledige emancipatie van de omgevingsvormgeving als een aparte discipline, zoals deze door Peter Struycken en zijn school vanaf de jaren zestig werd gepraktiseerd. Dit vraagstuk van de synthese is een leidend thema in Tummers’ oeuvre. Tummers koos vanuit een socialistische overtuiging voor daadwerkelijk maatschappelijk activisme. In 1961 formuleerde hij het ideaal van de syntheticus in elke maatschappelijke sector, die streeft naar ‘creatieve synthese van theoretische en praktische experimenten’. Concreet werkte Tummers de synthesegedachte vervolgens uit in drie initiatieven: Euroteam, de U.S-R. en het KKK.

Met Euroteam onderzocht Tummers de mogelijkheden van een synthetische
omgevingsvormgeving vanuit de architectonische discipline, in nauwe
samenwerking met de architect Hans Schneider (pogingen om een internationaal
samenwerkingsverband op te zetten, mislukten). Hij meende dat juist de architectuur en stedenbouw de beste mogelijkheden boden voor vermaatschappelijking van de kunst. Zijn visionaire ontwerp voor Eurostad, een alternatief bestuurscentrum voor de nieuwe Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) binnen de driehoek Luik-Heerlen-Aken, is een voorbeeld van culturele planologie, waarin architectuur en stedenbouw met elkaar versmelten en het mijnlandschap geladen wordt met nieuwe culturele betekenissen. Hij pleitte voor een ‘surrealistische’ stedenbouw; een gelaagd stadslandschap met verwijzingen naar het verleden als alternatief voor het reductionistische functionalisme.
De synthesegedachte werd in de U.S-R. vertaald in het begrip ‘socioruimte’, waarin zowel de beeldende als de sociale activiteiten van mensen in relatie tot hun gebouwde omgeving werden samengevat.
In 1968 richtte Tummers met drie collega-kunstenaars uit Heerlen het
Kommunaal Kunstenaars Kollektief (KKK) op om ‘vanuit kreatieve overlegsituaties
kollektief tot de samenstelling van werkprogramma’s te komen voor het zelf uitvoeren of doen uitvoeren van werken van beeldende kunst met socio-ruimtelijk karakter’. Belangrijk thema van het KKK was het behoud en hergebruik van de mijnstreek als een interactief cultuurlandschap en het bevorderen van de actieve betrokkenheid van de bewoners. Daarbij werd een breed scala aan media ingezet: van monumenten en experimenten met hergebruik van industriecomplexen tot festivals en happenings. De meeste projecten bleven overigens onuitgevoerd.

Al vanaf het begin van zijn carrière beschouwde Tummers het doen van onderzoek en het presenteren van de resultaten ervan als een integraal deel van zijn kunstenaarschap. Aanvankelijk stond dit onderzoek vooral in dienst van zijn eigen ontwikkeling als kunstenaar. Tummers’ toenemende belangstelling voor architectuur en stedenbouw als medium voor de ‘vermaatschappelijking’ van de kunst gaf een sterke impuls aan zijn onderzoeks-, documentatie- en presentatieactiviteit. Na de vergeefse poging om met Euroteam grip te krijgen op de weerbarstige bouw- en planningspraktijk besloot Tummers zijn aandacht te verleggen naar ontwerpend onderzoek. Hij begon regelmatig over actuele onderwerpen te publiceren in Cobouw. Daarnaast stortte hij zich op de architectuurgeschiedenis en -theorie. Vooral zijn studies over de Mijnstreek en over de geschiedenis van de sociaal-utopische woningbouw toonden vanaf het midden van de jaren zestig de invloed van het historisch materialisme en de Frankfurter Schule. Ze behoren daarmee tot de vroegste voorbeelden van Marxistisch geïnspireerde geschiedschrijving in Nederland en lopen vooruit op het vooral door Tafuri en Dal Co (Venetiaanse School) geïnspireerde architectuurhistorische onderzoek van Kees Vollemans vanaf de vroege jaren zeventig aan de TH Delft.

Vanuit zijn socialistische overtuiging hechtte hij veel waarde aan publieksparticipatie en kennisoverdracht. De resultaten van zijn studies vertaalde hij in tentoonstellingen, artikelen, lezingen en onderwijsactiviteiten (van de Volksuniversiteit tot de TH’s van Eindhoven en Delft en de Academies van Bouwkunst in Tilburg en Maastricht). Dit alles had als doel de passieve consument tot een actieve vormgever van de socio-ruimte te maken. Wat Tummers zich bij dergelijke activiteiten voorstelde, maakte hij duidelijk in de begeleidende tentoonstelling in het Bouwcentrum bij het congres ‘City and Culture 2000’ in 1969. In plaats van een traditionele tentoonstelling creëerde Tummers hier een activistisch ‘documentair environment’, waarin de bezoeker door een suggestieve installatie van beelden, geluiden en objecten ondergedompeld werd in de fysieke chaos van de moderne kapitalistische stad en tegelijk werd uitgenodigd zich in studieruimten te verdiepen in de alternatieven van de tegenbeweging (Provo etc.).

In de universitaire wereld vond hij maar moeizaam erkenning. De Academie van Bouwkunst Tilburg vroeg in 1971 bij het ministerie om erkenning van Tummers’ expertise voor het vak Sociale Geschiedenis van de Architectuur. Het ministerie gaf aan dat het een niet-bestaand vakgebied betrof. Die moeizame erkenning had zeker ook te maken met de nogal eigenzinnige en speculatieve onderzoeksaanpak van Tummers, die zich bij de interpretatie van zijn vaak uitgebreide bronnenonderzoek nadrukkelijk de vrijheid van de kunstenaar voorbehield. Toch zorgde juist die onconventionele aanpak vaak voor nieuwe, vaak veelbelovende interpretaties en dwarsverbanden, die vooruitliepen op het academische onderzoek.

Enkele gerelateerde artikelen