Wat is een architectuur van toe-eigening?

Recensie —

Wat bedoelen we nog wanneer we over ‘toe-eigening’ (appropriation) spreken? In het architectuurdiscours lijkt toe-eigening te zijn verworden tot een passe partout, vaak onduidelijke taal voor wat er gebeurt wanneer een ruimte in gebruik wordt genomen. Zo niet in de publicatie Architecture of Appropriation, On squatting as spatial practice van René Boer, Marina Otera Verzier en Katia Truijen, waarin de ambiguïteit van ‘toe-eigening’ wel degelijk productief is.

keuken kraakpand Plantage Doklaan Amsterdam

spread uit besproken boek

Architecture of Appropriation, On squatting as spatial practice is slechts in laatste instantie een boek. In 2017 was in Het Nieuwe Instituut een tentoonstelling onder dezelfde naam te zien, die op haar beurt het resultaat was van een onderzoek naar kraakbewegingen in Nederland. Als cultureel en sociaal fenomeen is kraken al langer een vaste waarde in het collectief geheugen van (progressief) Nederland, maar nieuw is het benaderen van kraken als een architecturaal – of ten minste ruimtelijk – fenomeen. Deze benadering wordt als een open vraag geformuleerd: hoe betrekken we een praktijk als kraken, dat opzettelijk de socio-economische marge opzoekt, op een architectuurpraktijk die meedraait in de heersende marktlogica? Wat moeten we ons inbeelden bij een architectuur van toe-eigening?

In de inleiding stellen de auteurs van de publicatie dat de ruimtelijkheid van kraakpanden geen verdienste an sich is, maar een weerslag van de sociale, politieke en economische omstandigheden die de stad vormgeven, en die op hun beurt door ruimtelijke analyse leesbaar worden. De architectuur van kraken wordt zo al snel een excuus om de ethiek van het wonen en leven in de stad grondig te bevragen. De eigenlijke definitie van kraken – het bewonen zonder toestemming van eigenaars – beschrijft niet meer of minder dan een radicale afwijzing van het reilen en zeilen van de vastgoedeconomie. De spil van deze afwijzing is de afweging tussen het recht op wonen enerzijds, en het recht op eigendom anderzijds. Krakers nemen in deze afweging de meest radicale positie in.
Architecture of Appropriation neemt ons mee naar de jaren ’70 en ’80, toen krakers in de meeste Nederlandse steden aanwezig waren, en zich als een instituut manifesteerde door regelmatig kraakhandleidingen te publiceren en publieke ‘kraakspreekuren’ te houden. Wat op het eerste gezicht een stoffig archiveringsproject lijkt, blijkt zo een opfrisser voor het collectief geheugen, maar politiseert het ook: het herinnert ons eraan dat de relatie tussen wonen en eigendom een ethische – en dus veranderlijke – relatie is, en geen onwrikbare wetmatigheid.

plattegrond en trappenhuis kraakpand Plantage Doklaan, Amsterdam

spread uit besproken boek

Het kraakpand functioneert in de publicatie Architecture of Appropriation als een ruimte waar de heersende sociale en economische wetten afwezig zijn en plaats maken om er nieuwe te formuleren. De auteurs tonen de noodzaak daartoe aan door een overzicht te schetsen van de perverse dynamieken die aan de basis liggen van het prangende ‘woningtekort’ in steden als Amsterdam en Rotterdam. In een interview vat geograaf Mark Minkjan deze dynamieken samen als een balans tussen vraag en aanbod die kunstmatig uit evenwicht wordt gebracht door vastgoedspeculatie. Leegstand speelt een belangrijke rol in dit onevenwicht: het is ruimte die bewoning wordt ontzegd om zo het woningaanbod te beperken en hierdoor kunstmatige schaarste genereert. Vastgoedspeculatie is met andere woorden de dynamiek die een woningtekort en een overaanbod aan (leegstaande) ruimte naast elkaar doet bestaan, een prijszetting in functie van eigenaars in plaats van bewoners. Krakers gaan op het andere uiterste van de balans staan door als bewoners zonder eigendom de eigenaars zonder bewoners te neutraliseren. Toe-eigenen wordt zo de-privatiseren. Deze evenwichtsoefening is vandaag niet minder urgent dan tijdens de hoogdagen in de jaren ’70 en ’80, toen krakers het evenwicht herstelden in een Amsterdam dat haar middenstand massaal de stad zag verlaten (een bevolkingsafname van bijna 25 procent) en met een verwaarloosd woonpatrimonium achterbleef.

Het akelige is uiteraard dat het beleid geen neutrale bemiddelaar is tussen bewoner en eigenaar. In de jaren ’70 verzetten de christendemocraten zich nog tegen een wet op huisvredebreuk, een wet die het ongevraagd betreden van een bewoonde ruimte verbiedt en waarop krakers zich beroepen om zich tegen uitzetting te beschermen. Het neoliberaal beleid van de jaren ’90 en 2000 koos daarentegen radicaal voor het primaat van het private eigendom. Het verzet dat hiertegen ontstond vanuit de kraakbeweging en de relletjes die daarop volgden werden gemakkelijk gerecupereerd om een conservatief economisch beleid te verdedigen.

Maar naast deze socio-economische dimensie, ligt de nadruk in de publicatie ook op de ruimtelijke weerslag van kraken. Minkjan weet andermaal een interessante benadering voor het kraken als ruimtelijk fenomeen te formuleren: we moeten de kraakbeweging niet begrijpen als een eis om gratis wonen, maar als een eis om het gebruik van elke beschikbare oppervlakte in de stad; de eis om een rechtvaardig evenwicht tussen vraag en aanbod. Minkjan vat daarmee de ambities van de auteurs samen die met het onderzoeks- en archiveringsproject ook steeds nagaan in welke mate de tactieken van krakers de marge kunnen ontstijgen om nu tot een beter woonbeleid te inspireren. In het kader van die ambitie verwijst Minkjan naar de situatie in Nederland van voor 2010, toen kraken gedoogd werd wanneer een pand langer dan een jaar leeg stond. Kraken functioneerde virtueel als stok achter de deur om eigenaren ertoe aan te zetten hun pand binnen die termijn te laten bewonen en onderhouden. Zonder bezetting door krakers werd op die manier  ‘de eis’ om bewoning van leegstaande panden ingewilligd. Daarnaast initieerden krakers allerlei vormen van samenleven, gedeeld gebruik en hergebruik. Misschien minder evident is de rol van krakers voor de instandhouding van cultureel erfgoed; zonder hen zou de Amsterdamse Nieuwmarkt de betonhonger van jaren ’60 en ‘70 allicht niet overleefd hebben, en ook cultuurtempels als Melkweg en Paradiso begonnen ooit als kraakpanden. Net als in het Poortgebouw in Rotterdam, een stedelijk baken dat al sinds de jaren ’80 ongevraagd wordt bewoond, waren krakers de besluiteloosheid van het stadsbestuur voor en namen het sociaal en cultureel potentieel van de panden zelf in handen.

posters evenementen kraakpand Plantage Doklaan, Amsterdam

spread uit besproken boek

Ten slotte maakt het interview met Minkjan ons attent op praktijken die geïnspireerd lijken door de tactieken van krakers, maar in werkelijkheid de balans enkel verder uit evenwicht brengen. Antikraak wonen is zo’n fenomeen: in België een nog opkomende praktijk, maar in Nederland, waar één op de duizend goedkoop woont als ‘kraakwachter’, een ingeburgerd fenomeen. Kraakwachters functioneren de facto als een goedkope bewakingsfirma – ze betalen immers huur, die in de eerste plaats een volledige of volwaardige bezetting van een pand voorkomt. Het tijdelijke karakter van antikraak verhindert een inbedding in de buurt en een langetermijninvestering in leegstand die de kraakbeweging aanmoedigde.
Antikraak vermijdt vooral ‘toe-eigening’. Door het begrip ‘bewoner’ te schrappen, worden bovendien de bijhorende bewonersrechten uit de vergelijking genomen. Het woonpatroon van krakers wordt vermarkt als avontuurlijke levensstijl, maar laat bewoners met minder rechten en meer onzekerheid achter. Op deze manier is antikraak een consequente bevestiging van de heersende vastgoedlogica die krakers juist trachten te corrigeren. Volgens Minkjan moeten we ook kritisch kijken naar andere vormen van samenwonen, gedeeld gebruik en bottom-up praktijken die zich door krakers laten inspireren. Het floreren van deze praktijken draagt volgens Minkjan weinig bij aan het herstellen van de balans zolang ze worden aangemoedigd door dezelfde overheden die een praktijk als kraken criminaliseren en de absolute geldigheid van het privaat grondbezit blijven ondersteunen. Kortom, echte toe-eigening is tweerichtingsverkeer.

Archiefmateriaal is uiteraard prominent aanwezig in het boek. Maar om de geïmproviseerde bewoning van het kraakpand in het archief van Het Nieuwe Instituut op te nemen, moest het grootste deel van dit materiaal nog geproduceerd worden. Prominente kraakgemeenschappen als Plantage Dok, Wijde Heisteeg 7, Vluchtmaat en ADM in Amsterdam, Landbouwbelang in Maastricht en Poortgebouw in Rotterdam werden door het onderzoeksproject gedocumenteerd aan de hand van architecturale tekeningen en foto’s. Op het eerste zicht lijkt architectuur hier ook aan toe-eigening te doen: de woningen worden aan architecturale tekenconventies onderworpen die in combinatie met de handgeschreven aantekeningen van bewoners niet goed leesbaar zijn. Ook de foto’s van Johannes Schwartz, die bij gebrek aan architecturale moneyshots scherpstellen op de banaliteit van geknutselde leefruimten, lijken niet altijd te weten wat ze willen tonen. Of is het het architecturaal oog dat nog niet weet waar naar te kijken? Eén van de belangrijke thema’s in dit boek is de inherente tegenstrijdigheid van het archiveren van kraakpanden: een tijdelijk en marginaal woonpatroon dat zich aan alle conventies onttrekt, betreedt het archief – een instituut waar de tijd stil staat – door middel van de conventies van architecturale representatie.

spread uit besproken boek

spread uit besproken boek

Het toe-eigenen van architecturale tekenconventies voor het archiveren van de kraakpanden was niettemin een bewuste strategie. Daarmee positioneren de auteurs de kraakpanden naast de canon van de Nederlandse architectuur, maar ook naast het beleid. Over hun methodologie van documenteren schrijven de auteurs dat de architecturale representatietechnieken vooral in functie van hun legale en politieke geloofwaardigheid staan. Representatie is volgens hen geen neutrale of onschuldige opgave; waar grenzen, eigendom en rechten zich ruimtelijk afbakenen, is er een plan die deze afbakening preciseert en bevestigt. Dat maakt het plan een financieel en wetenschappelijk document. Door het optekenen van het kraakpand in een architecturaal plan doen krakers aan toe-eigening van de taal van rechters en eigenaars, die tevens met plannen hun eigen toekomstig gebruik van een leegstaand pand verdedigen. De plannen werden niet opgemaakt om leesbaar te zijn voor architecten, maar werden door architecten en krakers getekend om de logica van het kraken de marge te doen ontstijgen.

Het archiveren van de geïmproviseerde woonruimtes van krakers is reeds op zichzelf genomen een sterk gebaar. Maar de ambitie om door middel van de archivering het beleid te beïnvloeden, bevraagt ook de eigenlijke functie van het instituut zelf. René Boer spreekt in dat opzicht over Het Nieuwe Instituut als Trojaans paard dat het debat over kraken activeert bij een overheid die krakers criminaliseert. Ook het tijdelijke en collectieve karakter van de kraakpanden breekt met de traditie van het archief dat voornamelijk uit mannelijke, individuele auteurs bestaat. Net als andere instituten en musea die hun blinde vlekken met post-koloniale en feministische perspectieven trachten aan te vullen, stelt Architecture of Appropriation de vraag: hoe eigen je een instituut toe? Het interview hierover met Amal Alhaag ontbreekt het helaas aan helderheid en samenhang om te inspireren tot een mogelijk een antwoord op deze vraag. Het instituut zou volgens Alhaag louter kunstmatig waarde toeschrijven aan objecten door ze aan het zicht te onttrekken—een performance of inaccessibility. Ze verklaart het instituut als een dood, ondoordringbaar fort, dat onmogelijk uit de klauwen van bestaande machtsrelaties te redden valt. Het instituut en archief zijn voor Alhaag, die momenteel verbonden is aan het Tropenmuseum, terecht verdacht. Archieven zijn op zichzelf genomen reeds een geschiedschrijving die zich niet makkelijk laat herschrijven. Alhaag acht het toe-eigenen van het archief geheel onmogelijk en ziet niets in de suggestie van haar interviewer om nieuwe waarden in het waardesysteem van het instituut te trekken. Als we zouden meegaan in de oproep van Alhaag om het archief af te branden, dan ontbreekt het aan een coherent voorstel om een nieuw collectief geheugen op te bouwen.

plattegrond en foto badkamer Wijde Heisteeg, Amsterdam

spread uit besproken boek

Architecture of Appropriation stelt veel en grote vragen. Wat is de functie van het archief? Wat is een beter woonbeleid? Hoe verzoenen we het recht op wonen met het recht op bezit? De onontkoombaarheid van deze vragen is het manifest van de auteurs: ze eisen dat architectuur zich deze vragen stelt. Het is evident dat de vragen niet allemaal even productief of helder geformuleerd zijn, laat staan (volledig) beantwoord worden. Om die reden blijft de vraag naar een architectuur van toe-eigening enigszins overmoedig klinken. Toch zijn de auteurs voldoende concreet over wat het wonen in de stad van het wonen in de socio-economische marge kan leren. Ze doen dat door een complex netwerk van bewoners, instituten en mechanismen in kaart te brengen en op elkaar te betrekken. Zo wordt de balans van wie bewoont en wie bezit ontmaskerd als een dynamiek van privatiseren en de-privatiseren. De vraag naar een architectuur van toe-eigening wordt vervolgens aan alle betrokkenen gesteld: wat kan ieder voor elkaar betekenen om deze balans te herstellen?

Enkele gerelateerde artikelen