Newtown Almere en het Vermogen te Herinneren

Feature —

In deze serie artikelen geven promovendi van verschillende universiteiten uitleg over hun onderzoek en hun werkwijze. Wat is de focus van hun academisch werk? Welke vragen willen ze beantwoorden? En welke problemen zijn ze tegengekomen? Hans Venhuizen stelt in zijn PhDArts aan de Universiteit Leiden en de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten Den Haag (KABK) dat participatieve veranderingsprocessen van de gebouwde omgeving een uitstekende voedingsbodem vormen voor het ontstaan van nieuwe monumentale tekens.

De onderzoeker fotografeert een verwijzing naar een historische schoorsteen aan een van de bijgebouwen van Het Landgoed in Almere-Nobelhorst

De onderzoeker fotografeert een verwijzing naar een historische schoorsteen aan een van de bijgebouwen van Het Landgoed in Almere-Nobelhorst / Scala-architecten / foto Hans Jungerius

Monumenten representeren, of representeerden, de collectieve waarden van een samenleving in de gebouwde omgeving. Ondanks de explosieve groei van online samenlevingen en virtuele werelden vertegenwoordigen dergelijke representaties nog steeds een waarde. Dit is onder meer op te maken uit de recente beeldenstorm op standbeelden van personen die met slavernij en kolonialisme in verband worden gebracht, en de reacties dáárop. De Nederlandse overheid geeft via beleid en wetgeving zoals de Omgevingswet [1] aan, te streven naar participatie van de bevolking bij veranderingen in de gebouwde omgeving. Participatie van een bevolking die steeds diverser en multicultureler aan het worden is en daardoor niet beschikt over een eenduidige geschiedenis en maatschappelijke waarden die goed representeerbaar zijn in ondubbelzinnige monumenten.

In mijn PhD project test ik een door mij ontwikkelde methode [2] waarmee de huidige samenleving haar collectieve waarden binnen de gebouwde omgeving kan manifesteren. Niet alleen die samenleving is veelvormiger geworden, ook de ruimtelijke inrichtingssprocessen worden steeds complexer. Voor de verandering van iedere plek of functie in onze gebouwde omgeving worden op ieder bestuurlijk schaalniveau, van gemeente tot Europa, wetten, plannen en visies geschreven die bij verandering moeten worden gerespecteerd en op elkaar moeten worden afgestemd. Mijn methode richt zich niet op het ontwerpen van de resultaten van die processen, het zijn de processen zélf die het materiaal vormen waarmee ik werk.
Dat materiaal bestaat uit fysieke en ruimtelijke onderdelen van een context in verandering, zoals landschap en architectuur, maar bevat ook de interactie tussen bestuurders, bewoners, stakeholders, opiniemakers en ontwerpers die bepalend zijn voor het toekomstige karakter van de leefomgeving. In mijn onderzoek beschouw ik de participatieve veranderingsprocessen van de gebouwde omgeving als een uitstekende voedingsbodem voor het ontstaan van nieuwe monumentale tekens.

Het bewust beïnvloeden van onbewuste ontstaansprocessen
Het begrip monument stamt van het Latijnse werkwoord monere, wat herinneren aan, betekent. Van Dale benoemt in haar omschrijving van het begrip monument de twee uiterste verschijningsvormen daarvan. Aan de ene kant staan de bewust opgerichte gedenktekens en aan de andere kant de als waar­de­vol beschouwde over­blijf­selen van vroe­ge­re cul­tuur. Het eerste kennen we als monumentale kunst en het tweede als erfgoed. Het verschil tussen deze twee werd al in 1903 door de Weense kunsthistoricus Aloïs Riegl geduid. [3] Kort gezegd noemde hij de resultaten van de monumentale kunst bewuste of intentionele monumenten met een directe maar mogelijk korte geldigheid, en erfgoed als onbewuste of niet-intentionele monumenten met een door de tijd bewezen geldigheid. In mijn project onderzoek ik mijn methode als een brug tussen deze twee vormen van monumenten. De methode streeft naar het intentioneel en participatief beïnvloeden van ruimtelijke veranderingsprocessen waaruit niet-intentionele monumenten kunnen ontstaan. De relatie tussen de collectieve waarden van een samenleving en de gebouwde omgeving wordt daarmee op twee manieren gelegd. Op de korte termijn draagt het proces bij aan een collectief bewustzijn van de veranderingen in de leefomgeving en de waarden die daarbij al dan niet in het geding zijn. Op de lange termijn kunnen de voorstellen voor de toekomstige inrichting van een gebied bijdragen aan de representatie van de collectieve waarden. Vanwege het complexe en onvoorspelbare karakter van ruimtelijke veranderingsprocessen, is de daadwerkelijke invloed op de toekomstige inrichting echter speculatief. Mijn project resulteert dan ook niet in herkenbare fysieke monumenten, maar in Monumorphs, een begrip dat ik in mijn onderzoek introduceer. Een Monumorph is een ‘vorm’ die de mogelijkheid in zich draagt om in de toekomst een monument te worden, als deze de tijd weet te overleven.

De groei van Newtown Almere in een context-arme situatie
Tot zover de theorie. Omdat een methode zo waardevol is als haar resultaten, draait het project om een reflectie op onderzoek in Almere. Almere is een geschikt onderzoeksgebied voor het streven naar collectieve herinnering in de gebouwde omgeving, omdat haar bebouwingsgeschiedenis zich afspeelt binnen een overzichtelijk tijdsvenster. Bovendien biedt de drooggelegde bodem van het voormalige IJsselmeer waarop de stad is gebouwd, een context-arme en zelfs tabularasa-achtige situatie voor haar groei.
De methode waarmee ik Almere onderzoek, bestaat uit vier opeenvolgende fasen. De eerste fase gaat over het exploreren van het gebied. De verzamelde gegevens worden in de volgende fase geanalyseerd. In de derde fase worden de uitkomsten van de analyse bewerkt om ze geschikt te maken voor het participatieve proces, waarna ik in de vierde en laatste fase de participatieve debatten in spelvorm initieer. Tijdens de exploraties speur ik naar zichtbare invloeden op de inrichting van de stad die werden veroorzaakt door bijvoorbeeld wetten, wensen, materialen, tradities of geografische omstandigheden, en waaruit de omstandigheden én de opvattingen uit het verleden zijn af te lezen. De waarnemingen die ik in de eerste fase van mijn onderzoek verzamel, leg ik vast in noties. De noties bevatten mijn interpretatie van de situatie. Een notie is een besef, begrip of denkbeeld en is niet aan vorm, achtergrond of discipline gebonden. Soms zijn ze uniek voor de situatie, maar vaak ook exemplarisch voor de gewoontes in de tijd waarin ze invloed op de gebouwde omgeving hebben gehad.

Een asymmetrisch landgoed
Tijdens de exploraties verzamelde ik uiteenlopende noties, over nieuw gebouwde projecten in Almere en hun relatie met het verleden. Zo beschikt Almere over een nieuwbouwruïne in beton en staal die twintig jaar geleden probeerde een middeleeuws kasteel te worden maar waarvan de eigenaar failliet ging. Je zou het een belachelijke onderneming kunnen noemen en het onmiddellijk als kitsch kunnen diskwalificeren. Je kunt het streven erachter echter ook interpreteren als een waarachtige behoefte aan een sterke relatie met het verleden, zelfs, of juist vooral wanneer die er niet lijkt te zijn – notie. Toen deze notie zich eenmaal had gevormd kwam ik deze behoefte – een relatie met het verleden – op veel meer plaatsen tegen. Vooral in de woningbouw zag ik extreme vormen daarvan – notie. [4] In de nieuwe wijk Nobelhorst wordt momenteel een compleet landhuis-ensemble inclusief oprijlaan met bijgebouwen gerealiseerd. Hoewel dat oorspronkelijk een typologie is die wordt gekenmerkt door een strenge symmetrie, staat het landhuis zelf minstens 5 meter ‘uit het lood’ ten opzichte van de laanbebouwing. Een voormalig projectleider vertelde me dat dat te maken had met de aanleg van extra parkeerplaatsen. De ‘gefakete’ historiciteit had zich aangepast aan de actuele randvoorwaarden en was daarmee weer origineel geworden – notie. [5]

Kasteel Almere als moderne ruïne in 2020

Kasteel Almere als moderne ruïne in 2020 / Penta architecten / foto auteur

De kracht van het onderlandschap
Ik verzamelde ook noties over de archeologie, die van belang is in Almere omdat het gebied tot voor ongeveer 2000 jaar geleden nog land was vanwege een lagere zeespiegel. De jagers-verzamelaars die er leefden lieten sporen na in de ondergrond van de stad. Sporen als miniatuur stukjes vuursteen, verbrande hazelnootdopjes of verkleuringen in de ondergrond die afkomstig zouden kunnen zijn van een prehistorische vuurplaats. Omdat deze sporen speculatief duiden op archeologische vindplaatsen, kennen ze een wettelijke bescherming en mogen deze vermoedelijke vindplaatsen niet worden bebouwd – notie.
Onzichtbare geologische karakteristieken zijn volgens de archeoloog van de stad sturend in ruimtelijke processen. Onder de vlakke polderbodem ligt een levendig landschap verborgen dat in de Late IJstijd is gevormd. Een landschap van zandheuvels en drassige dalen waar rivieren doorheen stroomden, maar door eeuwen afzettingen met een dikke laag klei is afgedekt. De archeoloog zoekt naar plekken waar mensen steeds weer opnieuw betekenis aan hebben gegeven omdat hij gelooft dat het geheugen van het landschap niet incidenteel is maar dat het voortdurend zijn invloed uitoefent op de mensen die zich er vestigen. Daarvoor brengt hij in het onderlandschap de ‘vestigingscriteria voor de prehistorische mens’ in kaart – notie. De relatie tussen dit landschap met hoogteverschillen en verschillende grondsoorten in de bodem en de stad die daar bovenop wordt gebouwd, blijkt helemaal niet symbolisch maar vooral praktisch van aard te zijn – notie. Omdat funderingen tot op de zandlagen in de ondergrond moeten komen, is het van belang te weten hoe diep en waar die precies zitten. Er zijn immers financiële consequenties verbonden aan de hoogte van de funderingspalen. Door vanuit economische overwegingen alleen op de hogere zandlagen te bouwen, zou de vorm van die aardlagen direct vertaald worden naar de vorm van de nieuwe woonwijken en daarmee vanzelf een unieke relatie met de geschiedenis van het gebied kunnen leggen – notie. Volgens een stedenbouwkundige is deze relatie uiteindelijk niet ontstaan omdat ‘ze’ in ‘Den Haag’ een subsidie bedachten voor iedereen die diepere langere palen nodig had. Hierdoor kon er toch overal gebouwd worden – notie.

Een matrix van binnen-krachten en buiten-krachten
Met deze, en minstens 100 andere noties eindigde de eerste fase van mijn onderzoek. In de tweede fase cluster en bewerk ik de noties tot krachten, oftewel herkenbare invloeden op de inrichting van de stad in het verleden, heden of mogelijke toekomst. In die bewerking tot krachten confronteer ik de noties met bronnen, onderzoeken en opinies die ik vergaard heb.
In de derde fase bewerk ik de krachten. Ik splits ze in twee groepen: de eigen krachten van de context, de binnen-krachten, zoals bijvoorbeeld de logica van het onderlandschap en de buiten-krachten, zoals bijvoorbeeld de geplande woningbouwprogramma’s, energiewinning of waterberging. De beschrijvingen van de krachten bewerk ik tot heldere en sturende regels. In de vierde en laatste fase initieer ik participatieve debatten. Door hun sturende karakter kunnen de regels de krachten agenderen. Uit het eerdergenoemde voorbeeld kan bijvoorbeeld deze regel voor een binnen-kracht ontstaan: Leg een zichtbare relatie met het verleden, maar alleen met een verleden dat aantoonbaar is voor de locatie. Ik plaats de binnen-krachten aan de ene zijde van een matrix en de buiten-krachten aan de andere. Op deze manier ontstaat er een ‘speelveld’ waarin de eigen kwaliteiten van het gebied worden geconfronteerd met initiatieven van buiten die het gebied gaan veranderen.

In de vierde en laatste fase van mijn project, die gepland staat voor de zomer van 2021, organiseer ik een toekomstwerkplaats. Hierin vinden debatten in spelvorm plaats in een door mij ontwikkeld format. [6] Tijdens de debatten worden de verbindingen tussen de krachten in de matrix als op een speelveld verkend door belanghebbenden en belangstellenden rondom de plek. In dat proces kunnen de in taal omschreven situaties opnieuw beeld worden en kunnen Monumorphs ontstaan als vertegenwoordigers van nieuwe collectieve waarden. Het spelformat zorgt voor een gestructureerde maar intensieve gedachtenwisseling tussen de deelnemers over de ontwikkelde beelden. Tijdens dat proces kunnen zelfs alle door mij geagendeerde krachten worden afgewezen, het tegenovergestelde van wat ik heb gethematiseerd kan collectief worden besloten, maar zelfs dan zal het proces van het versterken van de collectiviteit succesvol zijn. Het gaat immers niet om mijn collectieve waarden in Almere, maar om die van de Almeerders zelf.
Deze laatste fase van het onderzoeksproject heeft een performatief karakter. Met de registratie en documentatie van de debatten in spelvorm, eindigt mijn onderzoek.

Enkele gerelateerde artikelen