Door de ogen van de architect 1: Representatie in werkwijze en architectuur

Column —

Deze tekst is onderdeel van een drieluik over de representatie van mensen met een migratieachtergrond in de Nederlandse architectuurscène en is geschreven naar aanleiding van mijn bezoeken aan meer dan veertig gebouwde projecten voor de selectie van het Architectuur in Nederland Jaarboek 2019/2020. In het drieluik benader ik dit thema vanuit drie verschillende invalshoeken: representatie bij architectenbureaus, in het onderwijs en de effecten van de ondervertegenwoordiging van mensen met een migratie-achtergrond voor de gebouwde omgeving. Deel 1: representatie bij architectenbureaus.

Spread uit het Architectuur in Nederland Jaarboek 2019/2020

Als redactielid van het Architectuur in Nederland Jaarboek 2019/2020 bezocht ik samen met mederedactieleden Kirsten Hannema en Teun van den Ende meer dan veertig projecten in verschillende steden in Nederland. Tijdens de bezoeken spraken we met architecten, projectontwikkelaars, woningcorporaties en gebruikers. Met toewijding leidden zij ons rond door de door hen gemaakte woongebouwen, stations, musea en scholen. Er was veel positiefs te ontdekken: de plekken, de architectuur, de details en de verhalen. Tijdens de bezoeken heb ik als architect vanuit een professionele benadering gekeken naar de betekenis van de gebouwen voor hun omgeving en voor de gebruikers, en ook op welke doelgroepen de projecten zich richten. Vanuit deze blik viel mij één ding op: onder architecten, projectontwikkelaars, woningcorporaties, gebruikers en bewoners kwamen we nauwelijks mensen met een migratieachtergrond tegen. Sterker nog, ze waren op één hand te tellen. Omdat de bezochte projecten de koplopers van de architectuur van het afgelopen jaar zijn, onderzoek ik wat deze constatering over het architectuurvak vertelt.

De maatschappij is volop in beweging en dat uit zich ook in de gebouwde omgeving. Zo vraagt de energieopgave om meer duurzame levenswijzen, vraagt de groeiende vergrijzing om nieuwe woonvormen voor ouderen, en door de groei van het aantal mensen met een biculturele en zelfs triculturele achtergrond zijn steden superdivers. Deze veranderingen vinden veelal plaats in stedelijk gebied met al ontwikkelde sociale structuren, die op hun beurt ook constant in verandering zijn. Veel architectuur grijpt in op het leven van mensen, het is niet vrijblijvend maar kan impact en betekenis hebben. Daarom is de manier waarop de architect zich verhoudt tot de maatschappij, die altijd in verandering is, een vraagstuk. Is de architect in staat om sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen waar te nemen en op een meeveranderende werkwijze architectuur te maken die hierop aansluit? Verandert de organisatie van het architectenbureau ook mee? Oftewel, is de vertegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond aanwezig binnen de architectenbureaus zelf?

Deze vragen gaan niet over diversiteit of representatie als doel op zich, maar gaat over de werkwijze van bureaus. Een gebrek aan representatie wijst erop dat er iets niet goed functioneert in de werkwijze. Om bovenstaande vragen te beantwoorden, is het zinvol om in de cijfers duiken. Het CBS stelde vast dat in 2019 24 procent van de Nederlandse bevolking een migratieachtergrond had.[1] In de grote steden was dat aandeel aanzienlijk hoger, namelijk 60 procent. Deze percentages vertellen dat steden – waarin het overgrote deel van de door de Jaarboek-redactie bezochte projecten zich bevinden – juist zeer divers zijn. Van de uiteindelijk 25 geselecteerde projecten voor het Architectuur in Nederland Jaarboek 2019/2020 bevindt zich 70 procent in binnenstedelijk gebied. En van dit percentage bevindt zich de helft in randstedelijk gebied, waar mensen met een migratieachtergrond een veel groter aandeel innemen.

Van de 21 geselecteerde bureaus is het aantal medewerkers met een migratieachtergrond van alle bureaus bij elkaar 4,6 procent.[2] Daarbij is het voornamelijk één groter bureau die dit getal bewerkstelligt en die het overgrote deel medewerkers met een migratieachtergrond in dienst heeft. Samen met nog drie bureaus die één of twee medewerkers met een migratieachtergrond in dienst hebben, vormen zij het gemiddelde percentage van 4,6 procent. Bovendien geeft dit percentage alleen het segment van de werknemers weer, niet hun posities. Bij niet één kantoor hebben personen met een migratieachtergrond een leidinggevende positie.

Dit is niet de enige aanwijsbare ondervertegenwoordiging bij bureaus. Het afgelopen jaar was er ook aandacht voor het lage percentage vrouwelijke medewerkers bij architectenbureaus, met name in leidinggevende posities. Van de geselecteerde bureaus is 82 procent van de directie man, tegenover 18 procent vrouw. Er zijn maar twee bureaus die enkel door een vrouw worden gerund. Onder de medewerkers is er meer balans: 60 procent mannen tegenover 40 procent vrouwen. Over ondervertegenwoordiging in gender is er inmiddels meer bewustzijn dan enkele jaren geleden. Er zijn steeds vaker bureaus die dit als een belangrijk onderwerp beschouwen. Bij de bureaus van de geselecteerde projecten zijn er bijvoorbeeld twee die zich hierover hebben uitgesproken. Zo werd er tijdens ons bezoek aan het project renovatie Trippenhuiscomplex in Amsterdam gesproken over man-vrouwverhoudingen. Uri Gilad, partner bij Office Winhov, vertelde dat het bureau hun opdrachtgever ervan overtuigd had om namen van vrouwelijke wetenschappers toe te voegen aan de statige zalen die voorheen alleen naar mannelijke wetenschappers vernoemd waren.
Dit laat zien dat het ontwerpproces niet alleen gaat over het fysieke, maar ook over de algehele uitstraling van het gebouw en de plek. Wie herkent zich in de plek? Worden er mensen buitengesloten door de uitstraling van het gebouw, door de namen, titels en woorden die gebruikt worden? De toevoeging van vrouwelijke namen lijkt een minieme verandering en een kleine moeite, maar is in de ogen van de opdrachtgever vaak juist een grote stap. Doordat er tijdens een bouwproces al veel veranderingen plaats vinden, zag Office Winhov dit als een kans. Het laat zien dat de architect – als de architect bewust is van veranderende maatschappelijke behoeften – een brug kan slaan tussen deze behoeften en de opdrachtgever.

Ellen Schindler, partner bij De Zwarte Hond, vertelde in een interview met Marianne Klerk voor Vers Beton over representatie binnen het bureau: “Toen ik hier een jaar geleden begon besefte ik al snel dat het onderzoeken en opzetten van inclusiviteitsbeleid een van mijn taken moest worden (…) Ik noem het liever inclusiviteit in de architectuur. Het gaat ook om cultuur, religie en LGBTQI. Ik zeg ook bewust niet ‘diversiteit’. (…) Als bureau moeten we inclusiviteit dus verankeren in onze waarden, om een veilige en prettige werkomgeving te bieden voor iedereen.”[2] Het is dan ook geen toeval dat vooral De Zwarte Hond het ‘grotere bureau’ is dat zorgde voor het gemiddelde van 4,6 procent medewerkers met een migratie achtergrond.

Ondanks deze goede voorbeelden – die wat meer gedeeld zouden moeten worden, zodat we als architecten van elkaar kunnen leren – zijn de cijfers over de ondervertegenwoordiging van vrouwen en medewerkers met een migratieachtergrond in de lijst van de geselecteerde bureaus schokkend. Juist omdat 90 procent van de geselecteerde bureaus gevestigd is in grote steden, waar de meerderheid van de bewoners bestaat uit vrouwen en mensen met een migratieachtergrond. Dit wijst erop dat de demo­grafische realiteit van de bevolkingssamenstelling niet wordt weerspiegeld in het architectuurveld.

Het werk van architecten gaat de komende jaren steeds meer in binnen- en randstedelijk gebied plaatsvinden. De bewoners van randstedelijke wijken vragen om een andere werkwijze dan voorheen, één waarin ook de representatie van verschillende culturele achtergronden binnen het bureau essentieel is. Niet alleen omdat het nu maatschappelijk gewenst is om binnen een bedrijf een gebalanceerde vertegenwoordiging van de samenleving te hebben, maar óók omdat de nieuwe opgaves daarnaar vragen. In zijn of haar werk beoogt de architect zich te verplaatsen in verschillende gebruikersgroepen en leefwerelden. Omdat de vraag is verschoven naar stedelijke gebieden met een groter aandeel inwoners met een migratieachtergrond, zijn deze gebruikersgroepen en leefwerelden nu anders. Een architectenbureau zou zich zo moeten organiseren dat het een rijkheid van belevingen heeft en inlevingen van verschillende werelden mogelijk maakt, die ook aansluiten op deze voor veel architecten ‘nieuwe’ gebruikersgroepen.

Enkele gerelateerde artikelen