Pétro, Nelly, Does – op pad door archief Van Doesburg

Recensie —

Van Doesburg is niet te vermijden, schrijven de curatoren in hun colofon. Toch proberen ze in de tentoonstelling Atelier Nelly en Theo van Doesburg voorbij de figuur van Theo van Doesburg te kijken en maken daarbij ruimte voor onverwachte verhalen.

Theo en Nelly van Doesburg. Foto uit het archief Van Eesteren. Collectie Het Nieuwe Instituut, EEST10.1318

Theo en Nelly van Doesburg / Foto uit het archief Van Eesteren / Collectie Het Nieuwe Instituut, EEST10.1318

De atelierwoning die de Van Doesburgs (in 1929-1930) lieten bouwen in Meudon staat in deze verhalen vaak centraal, als ontmoetingsplaats, als driedimensionaal experiment van De Stijl, als ongeschikt archief en als onderwerp van kopzorgen over lekkages en geld. Ook voor ons is het huis, naast onderzoeksinteresse, een plek van herinneringen en verhalen: kamperen in de achtertuin, beginnende liefde, groeiende interesse in de positie van vrouwen in de architectuur- en kunstgeschiedenis. De tentoongestelde archiefmaterialen, met daarbij veel beelden van de atelierwoning, zijn voor ons dan ook allereerst een fijn weerzien.

Wies van Moorsel, kunsthistorica, nicht en erfgename van Nelly van Doesburg-Moorsel, vertelde ons voordat we het huis in 2016 bezochten hoe ze vanaf haar eerste bezoek in 1960 door haar modieuze en ietwat mysterieuze tante op de overdekte veranda aan de achterkant van het huis werd verwelkomd. In haar biografie over Nelly beschrijft ze haar als een kritische, excentrieke en charmante vrouw, die haar opvoedde in de wereld van moderne kunst.

Binnen waren de wanden bezaaid met kunst van Van Doesburg en zijn vrienden. In het ruime, hoge atelier, bij het raam, stond Nelly’s vleugel met daarop de portretfoto van Does, zoals hij door haar en zijn vrienden werd genoemd. (…) Op schappen aan de zijwanden stonden tal van andere werken. ‘Weet je wie dit is?’ vroeg Nelly, wijzend op een collage van Kurt Schwitters in het gangetje naast haar slaapkamer. Ik wist het niet, ik kende ook de werken van Arp niet in het logeerkamertje of de mobile van Calder boven de trap of de beeldjes van Vantongerloo. Met mijn kandidaats op zak, wist ik ineens helemaal niets. ‘Dat ligt aan je opvoeding en daar gaan we wat aan doen’, zei Nelly.[1]

Na het overlijden van Theo van Doesburg in 1931 bleef Nelly – met tussenpozen – tot haar dood in 1975 in de atelierwoning wonen. Van Moorsel, als erfgename, schonk in 1983 de gehele Van Doesburg-erfenis, inclusief het huis in Meudon, aan de Nederlandse Staat, een plan wat jaren eerder bij Nelly, Van Moorsel, en haar man Jean Lering, post had gevat.[2] Het archief werd uiteindelijk ondergebracht bij de Rijkscollectie voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw in Het Nieuwe Instituut. Een grote subsidie van het Ministerie OCW in 2018 maakte het mogelijk om veel werken uit het Van Doesburg-archief te restaureren. Inmiddels zijn 190 kwetsbare werken gerestaureerd, zodat deze weer tentoongesteld kunnen worden. Dat bood aanleiding voor deze tentoonstelling, en notities van deze restauraties worden naast de archiefstukken gepresenteerd.

Atelier Nelly en Theo van Doesburg. Foto Johannes Schwartz

Atelier Nelly en Theo van Doesburg / Het Nieuwe Instituut / Foto Johannes Schwartz

Het materiaal uit het archief is zo tentoongesteld dat er ruimte is voor een verscheidenheid aan verhalen, die door elkaar heenlopen. Conceptueel bestaat de tentoonstelling uit de drie onderdelen ‘deconstructie’: de presentatie van de archiefbeelden, omlijst met beelden die context geven, restauratie-annotaties, en informerende teksten; ‘reconstructie’ van een aantal grote tekeningen, en ook van het glas-in-lood dakraam van het huis in Meudon; en ‘contra-constructie’: op een grote glazen cilinder in het midden van de zaal worden doorlopend allerlei beelden en teksten geprojecteerd, wat zorgt voor context en verrassende verbindingen. Hier komen we er via vakantiekiekjes (die ook online beschikbaar zijn) achter dat Hermine Giefing (de huishoudster van Nelly, wiens bijdrage aan de ontwikkeling van het kleurenschema van het interieur in Meudon eerder in de tentoonstelling wordt genoemd) haar toekomstige man Abraham Elzas ontmoette in Meudon, waar hij als jonge architect de tekeningen voor de atelierwoning had uitgewerkt en later was teruggekeerd om er tijdelijk een kamer te huren.

Eén van de verhalen waar curatoren Toon Koehorst en Jannetje in ‘t Veld op wijzen gaat over de belangrijke rol van Nelly van Doesburg en Wies van Moorsel in de verspreiding en bestendiging van het werk en gedachtegoed van De Stijl, wat past in de context van een hernieuwde interesse in de rol van vrouwen binnen het modernisme. Recente biografieën over Lotte Stam-Beese (2018, Hanneke Oosterhof), Eileen Gray (2016, Jasmine Rault) en de ‘nieuwe vrouwen’ Peggy Guggenheim en Nelly van Doesburg in relatie tot De Stijl (2017, Doris Wintgens) brengen juist de cruciale rol van vrouwen in de ontwikkeling en verspreiding van het modernisme voor het voetlicht.

Hoe ver Nelly’s betrokkenheid ging bij werk toegeschreven aan Theo, wordt onder andere bevraagd aan de hand van afwijkende handtekeningen die tijdens het restauratieproces werden gevonden. Jaren na Theo’s dood, signeerde Nelly een aantal van zijn werken met zijn naam – wellicht om ze beter verkoopbaar te maken. Het Nieuwe Instituut plaatst dat in de context van vragen over (co-)auteurschap en authenticiteit. In elk geval één keer gebruikte ze ook haar artiestennaam Pétro om een architectuurtekening te verifiëren. Net als andere vrouwelijke kunstenaars – in haar boek over Nelly en Peggy noemt Doris Wintgens onder andere Claude Cahun (née Lucy Schwob) en François Angiboult (pseudoniem van Hélène d’Oettingen) – gebruikte Nelly in de jaren 20 een gender-ambigue artiestennaam bij haar Dadaïstische optredens. Naast pianiste en performer Pétro trad ze onder andere ook op als danseres Sonia Pétrowska en verkleedde ze zich als dadaïstische dichter – en alias van Theo – I.K. Bonset.[3]

Theo van Doesburg. Atelierwoning te Meudon-Val-Fleury voor eigen gebruik, 1927-1930. Foto van de atelierwoning gezien vanuit de tuin. Collectie Het Nieuwe Instituut, DOES AB5388. Gift Van Moorsel.

Theo van Doesburg. Atelierwoning te Meudon-Val-Fleury voor eigen gebruik, 1927-1930 / Foto van de atelierwoning gezien vanuit de tuin / Collectie Het Nieuwe Instituut, DOES AB5388. Gift Van Moorsel.

De tentoonstelling beoogt verder te gaan dan die ene zaal in Het Nieuwe Instituut. Ze probeert een methode te bieden voor het re-contextualiseren en met nieuwe ogen bekijken van archiefmateriaal, door open te staan voor subjectieve relaties en nieuwe betekenissen. Die vraag naar hiërarchie en ordening plaatst de tentoonstelling in een bredere ontwikkeling van Het Nieuwe Instituut, dat met avonden zoals Dwars door het Archief vanuit nieuwe (queer, feministische, dekoloniale) perspectieven verborgen verhalen uit het Rijksarchief voor Nederlandse Architectuur en Stedenbouw zichtbaar maakt. Er wordt ook geëxperimenteerd met archiefontsluiting in de uitstekende online situering van de tentoonstelling op de website van HNI.

De opzet van de fysieke tentoonstelling als zoektocht naar nieuwe methoden voor archiefpresentatie, is bij bezoek niet direct duidelijk. Bij aanvang hebben we het gevoel bij een traditionele, chronologische archieftentoonstelling te zijn beland. Pas halverwege de zaal wordt het concept van de tentoonstelling uitgelegd. De veelheid aan panelen, voor en achter elkaar, deels chronologisch geordend, soms chaotisch en moeilijk leesbaar, brengt herkenning en verwarring. Rondlopen door het tentoongestelde archief voelt op deze manier een beetje als spoorzoeken.

Het huis in Meudon is voor ons als een rode draad, dat herkennen we, en geeft de context waarbinnen we de andere informatie kunnen plaatsen. Kijk, een doorsnede van de atelierwoning, zo zie je het overdekte terras goed. Nee, de tekening klopt niet, er stond toch geen wenteltrap in de atelierruimte? Zie je, deze foto toont een rechte trap. Zouden ze de wenteltrap dan ooit vervangen hebben? Een paar panelen verderop vinden we ons antwoord: er was geldtekort, de wenteltrap moest wijken voor een goedkoper standaardmodel. Zo zoekende lopen we heen en weer, buigen ons over de archiefstukken, praten met elkaar. De presentatie roept zo nieuwe verbindingen en associaties op – precies zoals de curatoren het lijken te hebben bedoeld. We vragen ons wel af of dit ook mogelijk is zonder uitgebreide achtergrondkennis over de atelierwoning en de Van Doesburgs.

Atelier Nelly en Theo van Doesburg, Foto Johannes Schwartz

Atelier Nelly en Theo van Doesburg / Het Nieuwe Instituut / Foto Johannes Schwartz

Op pad door Archief van Doesburg worden we bijzonder nieuwsgierig: naar de levens van Nelly en Theo, de kunstenaarsavonden in Meudon, en naar de relaties die Nelly later had, met onder andere architect Ludwig Mies van der Rohe en Sourou Migan Apithy, latere president van Benin. Maar het spoorzoeken blijkt hier ook een keerzijde te hebben: sommige belangrijke vragen blijven onbeantwoord. Hoe ging het bijvoorbeeld met de anti-koloniale beweging van Apithy en waaruit bleek dat Nelly liever in Meudon wilde blijven, toen Apithy vroeg of ze met hem mee wilde naar Benin?

Waar Van Moorsels biografie wel ingaat op zowel Nelly’s politieke standpunten als de relaties die ze had, en onder andere een uitgebreide briefwisseling tussen Apithy en Nelly noemt, ontbreekt deze informatie in de tentoonstelling. Dat is jammer, omdat dit juist in deze tijd verdieping en historische context kan bieden. Zonder die context kan de ene foto van Nelly, Apithy en vrienden voor het huis gezien worden als poster-diversiteit, in plaats van echt betekenis te geven aan de relatie tussen Nelly, dekolonialisme en De Stijl.[4] De online serie Nelly &…’ mag wat ons betreft dan ook worden uitgebreid met een artikel ‘Nelly & Sourou’. Veel verhalen worden in de tentoonstelling kort geïntroduceerd, maar zonder verdere context, waardoor de gelaagdheid die de expositie belooft niet altijd te vinden is.

De tentoonstelling biedt een rijke voedingsbodem voor nieuwe verhalen en speurtochten. Meer dan een tentoonstelling over de Van Doesburgs, laat zij mogelijkheden zien voor de presentatie, situering en interpretatie van archiefmateriaal. Hoe daarmee om te gaan is een urgente vraag niet alleen voor het Instituut, maar ook in het licht van maatschappelijke vragen over geschiedschrijving, dekolonisatie en de canon. Deze tentoonstelling laat zien dat toeschrijvingen complexer zijn dan gedacht, dat er een web aan relaties verbonden is aan elk stuk archiefmateriaal.

Foto uit het archief van C. van Eesteren, met op de achtergrond Theo en Nelly van Doesburg. Collectie Het Nieuwe Instituut, EEST 10.1318.

Foto uit het archief van C. van Eesteren, met op de achtergrond Theo en Nelly van Doesburg / Collectie Het Nieuwe Instituut, EEST 10.1318.

Enkele gerelateerde artikelen