Utopie als kritische methode

Feature —

In deze serie artikelen geven promovendi van verschillende universiteiten uitleg over hun onderzoek en hun werkwijze. Wat is de focus van hun academisch werk? Welke vragen willen ze beantwoorden? En welke problemen zijn ze tegengekomen? Jana Čulek (TU Delft Bouwkunde, vakgroep Methods of Analysis and Imagination) onderzoekt utopieën in de literatuur en architectuur om te ontdekken hoe deze ultieme architecturale vertellingen in onze huidige tijd ingezet kunnen worden.

Diagram_No.2 uit Ebenezer Howard, To-morrow: A Peaceful Path to Real Reform, Swan Sonnenschein & Co, 1898

Diagram_No.2 uit Ebenezer Howard, To-morrow: A Peaceful Path to Real Reform, Swan Sonnenschein & Co, 1898

Future City Diagram, interpretatie van H.G. Wells’ Time Machine / Jana Čulek, 2020

De nieuwe tekeningen gebruiken bestaande afbeeldingen gemaakt voor de architectonische utopieën om de werelden van hun literaire tegenhangers te visualiseren.

Deze tekening stelt opnieuw voor hoe een van Howard’s diagrammen eruit zou zien in de verre toekomst van Wells’ wereld. Met behulp van elementen uit het verhaal van The Time Machine speculeer ik over de locaties en verdeling van ruimtelijke elementen. Future City Diagram, interpretatie van H.G. Wells’ Time Machine / Jana Čulek, 2020

Curiosa en interesses
Mijn werk bevindt zich op het snijvlak van academisch onderzoek en architectuurpraktijk, waarbij fictie, literatuur, illustratie en andere vormen van fantasierijke en creatieve praktijken onder één dak samenkomen. Binnen de architectuur gaan mijn interesses specifiek uit naar het tekenen – het basisinstrument van de architect- dat wordt gebruikt om ideeën, concepten, informatie en kennis te delen. Tekeningen kunnen, misschien ook in combinatie met tekst, niet alleen worden gebruikt om architectonische projecten af ​​te beelden en te beschrijven, maar ook als medium dienen voor het creëren, bevatten en overbrengen van kennis. Mijn interesse voor vertellingen die door middel van tekeningen en teksten verbeeld worden, heeft geleid tot het onderwerp van mijn lopende promotieonderzoek waar ik utopieën – de ultieme architecturale vertellingen – verken.

Wat ik interessant vind aan utopische architectuurprojecten, is dat het vaak fantasierijke en radicale voorstellen zijn. Deze worden gepresenteerd door middel van tekeningen en teksten die een kritisch en speculatief toekomstig alternatief voor hun huidige context voorstellen en daardoor nieuwe soorten kennis en informatie creëren. Hoewel alle architectuur inherent speculatief is en de meeste projecten bedoeld zijn om een ​​betere toekomst voor te stellen, gaan utopische projecten een stap verder. Ze stellen niet alleen een potentiële toekomst voor door nieuwe structuren en veranderingen in de gebouwde omgeving te introduceren, maar ook veranderingen in de structuren en de werking van de samenleving. Architectonische utopieën houden rekening met hoe nieuwe technologieën, wetenschappelijke ontdekkingen, economische, culturele en politieke ontwikkelingen de ruimte om ons heen kunnen vormen, terwijl ze ook onderzoeken en speculeren over de gevolgen van deze veranderingen voor de bewoners van deze aarde. Architectonische utopieën, die vaak kennisnemen van en inspiratie opdoen uit visuele en culturele velden van hun tijd, bevatten een veelheid aan lagen en elementen die feit en fictie, verleden en toekomst, het mogelijke en het onmogelijke met elkaar verweven. Ze gebruiken het volledige creatieve potentieel van de architectuurdiscipline om nieuwe mogelijkheden te tonen waar we naar kunnen streven.

Hoe komt het dat het ontwikkelen van utopische visies in de architectuur vandaag de dag niet meer gebeurt? Sinds de modernistische periode is de productie van architecturale utopieën afgenomen en na de jaren zeventig bijna tot stilstand gekomen. Projecten die tegenwoordig als utopieën worden beschouwd, zijn ofwel gerecyclede versies van projecten uit het verleden, of onkritische, statische beelden van futuristische en/ of apocalyptische landschappen die een ontwikkelde sociale component missen. Omdat ze ofwel te dichtbij of te ver van onze huidige realiteit staan, bieden ze niet veel mogelijkheid voor discussie of debat over onze huidige toestand.

Berlin Development Project, Berlin, Germany, Isometric – Ludwig Hilberseimer, Metropolisarchitecture, 1928

Berlin Development Project, Berlin, Germany, Isometric – Ludwig Hilberseimer, Metropolisarchitecture, 1928 / bron beeld Art Institute of Chicago

One State Housing, interpretatie van Yevgeniy Zamyatin’s We / Jana Čulek, 2019

Deze tekening vertrekt van Hilberseimers axonometrie voor het Berlin Development Project (onderdeel van Metropolisarchitecture). Het toont de omgeving van Zamyatin’s One State en illustreert de gespeculeerde typologische en ruimtelijke overeenkomsten. Het enige verschil zit in de materialen. Terwijl de stad van Hilberseimer is gemaakt van beton en staal, is de One State gemaakt van transparant glas. One State Housing, interpretatie van Yevgeniy Zamyatin’s We / Jana Čulek, 2019

Utopische vragen
De tijd van totaliserende architecturale en stedelijke visies, zoals die van Le Corbusier en anderen tijdens de modernistische periode, liggen achter ons. De wereld van vandaag is in veel opzichten te complex om erop te reageren door slechts één overkoepelend idee voor te stellen. Daarom koos ik er niet voor om te kijken naar verschillende voorbeelden van utopische projecten door de geschiedenis heen om een ​​overzicht van utopische architectuur te creëren. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe deze projecten zijn gemaakt: met welke soorten elementen deze fictieve werelden werden geconstrueerd, hoe deze nieuwe elementen verband hielden met – of reageerden op – de ‘echte’ nu historische situaties, wat waren de meest voorkomende ruimtelijke en sociale veranderingen die werden voorgesteld, en zijn ze specifiek voor het architectonische veld? Het doel van mijn onderzoek is om de bouwstenen – de instrumenten, methoden, sociale en ruimtelijke vormen – te onderzoeken om deze mogelijk opnieuw te gebruiken bij het creëren van hedendaagse visionaire en speculatieve, maar kritische architectuurprojecten.

Architectuur is niet het oorspronkelijke veld van utopie. De literatuur kent een lange traditie, ideeën over ideale steden en samenlevingen al bestaan ​​sinds Thomas More’s boek Utopia uit 1516. Sinds More’s boek is het woord utopie synoniem voor een ​​werk waarin wordt nagedacht over verschillende maatschappelijke gebeurtenissen en omstandigheden door fictieve alternatieven voor te stellen. Om de wortels van de utopische ideeën die in de architectuur worden voorgesteld op te sporen besloot ik om de grenzen van mijn eigen discipline te overschrijden en architecturale utopieën te onderzoeken aan de hand van literaire utopieën. Deze transdisciplinaire benadering, opent een breder kennisveld waardoor onderzocht kan worden of de ideeën en voorstellen in architecturale utopieën vergelijkbaar zijn met die van andere disciplines. Vertegenwoordigden de ideeën intenties en tendensen die binnen alle culturele gebieden gangbaar waren en op de een of andere manier universeel waren?

Het ontwikkelen van de methode
Mijn onderzoek concentreert zich rond de vergelijking van een aantal 20e eeuwse  casestudy’s – telkens één uit de architectuur en één uit de literatuur – die enkele van de meest relevante onderwerpen en gebeurtenissen uit onze hedendaagse geschiedenis adresseren. Zoals Ebenezer Howard’s Garden Cities of Tomorrow (1902) en H.G. Wells’s The Time Machine (1895) die gaan over de implicaties van de industriële revolutie en de ontwikkeling van de moderne metropool. Door hun inwoners buiten de grijze metropool en in de weelderige natuur te situeren, bieden de werken van Howard en Wells een alternatief dat zich kenmerkt door een heimwee naar een eenvoudige pastorale tijd. De utopieën van het tweede paar, Ludwig Hilberseimer’s Metropolisarchitecture (1920) en Yevgeny Zamyatin’s We (1920), ontstonden tijdens de opkomst van het modernisme en richtte zich op onderwerpen als massaproductie en standaardisatie, evenals het inherente verlies van het individu en zijn vervreemding in de metropolis. De utopieën van het laatste derde paar, Superstudio’s 12 Ideal Cities (1971) en Ursula K. Le Guin’s The Dispossessed (1974), tonen de hedendaagse onmogelijkheid om totaliserende visies te creëren door verschillende gefragmenteerde verhalen voor te stellen, die elk een specifiek aspect van de moderne samenleving behandelen: de ontwikkeling van consumentisme en de kwestie van schaarste, het gebruik van eindige hulpbronnen, globalisering, enz.

New York of Brains, 12 Ideal Cities, 1971 / Superstudio

New York of Brains, 12 Ideal Cities, 1971 / Superstudio

Anarres Quarantie Area, interpretatie van Ursula Le Guin’s The Dispossessed / Jana Čulek, 2020

De derde afbeelding maakt gebruik van Superstudio’s visualisatie voor een van de 12 Ideale Steden om de omgeving van Anarres weer te geven. Het representeert een kaal maanlandschap en het lanceerstation van het ruimteschip die de enige verbinding met de buitenwereld is. Anarres Quarantie Area, interpretatie van Ursula Le Guin’s The Dispossessed / Jana Čulek, 2020

Een van de problemen waar ik tijdens mijn onderzoek tegenaan liep was de moeilijkheid om de architectonische en literaire werken op een gelijkwaardige manier te vergelijken. Literaire utopieën worden gecreëerd als fictieve teksten, met zelden een grafische voorstelling. Om de ingebeelde wereld te beschrijven, worden de verschillende veranderingen die het utopische werk voorstelt verwoord op het niveau van sociale interacties en ruimtelijke condities, terwijl de gebouwde omgeving wordt beschreven door het verhaal, als een set waarin het plot zich ontvouwt. Architecturale utopieën worden daarentegen meestal gepresenteerd door middel van tekeningen en richten zich over het algemeen op ruimtelijke veranderingen op verschillende schalen, waarbij de bevolking in toto wordt beschreven en in relatie tot hun interactie met de gebouwde omgeving.

Ik ontwikkelde daarom een methode waarmee ik de werken productief kon vergelijken door ze op te splitsen in verschillende generatieve elementen, die elk reageren of betrekking hebben op een specifieke toestand van hun historische context. In plaats van een immens historisch overzicht te creëren identificeer en vergelijk ik een constellatie van ideeën. Deze ideeën –’echt’ of ‘fictief’, sociaal of ruimtelijk– worden in de literaire en architectonische werken besproken en hebben een invloed gehad op de ontwikkeling van onze omgeving.

Door de werken op te splitsen in verschillende vormen en elementen (zoals voorgestelde woningtypologieën, voorgestelde politieke systemen, of relatie tot het individu) kon ook een ander probleem worden opgelost, dat van de verschillende media waarmee de werken werden gemaakt en gepresenteerd. Het identificeren van verschillende utopische elementen bood de mogelijkheid om ze te visualiseren. Op deze manier wordt tekenen een integraal onderdeel van de vergelijking. Door zowel tekeningen als teksten te analyseren, kan ik de werken via beide media bekijken. Ten gevolge van een ‘reconstructie’ van de ontbrekende elementen kan ik een visuele en tekstuele vergelijking maken tussen verschillende utopische bouwstenen. Terwijl de tekstuele vergelijking zich concentreert op de geschreven verhalen, wordt de visuele analyse gemaakt met behulp van zowel nieuw gemaakte tekeningen als originele tekeningen van de utopische auteurs.

Onderzoeksdoelen
In het kader van mijn onderzoek wordt utopie gezien als een belangrijke methode van creatieve productie waarin kritiek en speculatie plaatsvinden. Hierdoor kunnen we op een andere manier naar onze eigen realiteit en geschiedenis kijken. De fictieve en fantasierijke aard van utopie stelt ons in staat radicale alternatieven voor onze huidige omstandigheden voor te stellen. Utopieën kunnen worden gebruikt als methoden om mogelijke toekomsten te testen en in twijfel te trekken, zonder dat dit voor het heden onmiddellijke gevolgen heeft. Tegenwoordig zijn utopieën nog steeds sterk aanwezig op het gebied van literatuur, terwijl de creatie van utopische projecten op architecturaal gebied niet meer lijkt te gebeuren.
Door voornamelijk te focussen op ontwikkelingen en projecten die aansluiten bij de behoeften van de markt, heeft architectuur een deel van haar kritische stem verloren. Om architectuur een kritische discipline te laten zijn die een discours creëert, in plaats van alleen in te spelen op de behoeften van de markt, moet het haar stem terugvinden en utopische projecten opnieuw onderzoeken. Welke methoden gebruikten ze om na te denken over de samenleving? Hoe stellen ze alternatieven onze huidige wereld voor? In een tijd waarin sociale, politieke, financiële, ecologische en architecturale crises zeker niet zeldzaam zijn, kan utopie als methode worden gebruikt om onze huidige situatie te evalueren, maar vooral ook als een instrument dienen om de toekomst voor te stellen.

Enkele gerelateerde artikelen