Recensie —

Tentoonstellingen tentoongesteld

De tentoonstelling Art on Display 1949-69 in Het Nieuwe Instituut stelt bezoekers aan de hand van een zestal reconstructies in staat om tentoonstellingen te ervaren die niet (meer) te bezoeken zijn. Spijtig genoeg geldt dit nu ook voor de tentoonstelling zelf.

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Lina Bo Bardi MASP, São Paulo 1969

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Lina Bo Bardi MASP, São Paulo 1969 /  foto Johannes Schwartz

De tentoonstellingsontwerpen die centraal staan in Art on Display 1949-69 in Het Nieuwe Instituut zijn een selectie van ontwerpen uit de jaren vijftig en zestig waarbij de verhouding tussen kunst en architectuur geëvalueerd werd met vernieuwende tentoonstellingsstrategieën. In lijn met het naoorlogse streven tot volksverheffing en democratisering van kunst werd de toegankelijkheid van kunst onderzocht en bevraagd wat een museumbezoek kan betekenen. Een vraagstuk dat nog steeds actueel is.
In de geselecteerde tentoonstellingsontwerpen werd de opgave geëxploreerd door het inzetten van specifieke ruimtelijk vormgeving, bij elk ontwerp op een eigenzinnige manier. Daar waar Alison en Peter Smithson voor de tentoonstelling ‘Painting & Sculpture of a Decade 54-64’ in de Londense Tate Gallery een labyrint ontwierpen bestaande uit aaneengeschakelde ruimtes gevoerd met wanden die uit het lood staan, plaatsten Carlo Scarpa (Museo Correr, Venetië) en Lina Bo Bardi (MASP, São Paulo) de kunstwerken respectievelijk op verfijnde, en bijna gedematerialiseerde ‘schildersezels’. Franco Albini en Franca Helg zette in het Palazzi Bianco en Rosso in Genua de kunstwerken zelf in als 3D elementen. Enkele schilderijen werden gevat in beweegbare houders die door de bezoekers verplaatst konden worden in de ruimte. Aldo van Eyck domineert Art on Display met een drietal reconstructies, bestaande uit zijn ontwerpen voor de eerste en tweede Internationale Tentoonstelling van Experimentele Kunst (Cobra) in het Stedelijk Museum Amsterdam en Paleis voor Schone Kunsten in Luik, en het ontwerp en de inrichting van het Sonsbeekpaviljoen voor Sonsbeek ’66, de vijfde internationale kunsttentoonstelling op de Veluwe.

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Carlo Scarpa Museo Correr, Venetië, 1957–60

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Carlo Scarpa Museo Correr, Venetië, 1957–60 /  foto Johannes Schwartz

Ondanks de verscheidenheid delen de tentoonstellingsontwerpen een aantal ontwerpstrategieën en specifieke architectonische middelen op zowel kleine en grote schaal die typerend zijn voor de toenmalige tijdsgeest. Zo wordt er geen gebruik gemaakt van statische, symmetrische positioneringen van de kunstwerken, wat gewoonlijk een expliciete of impliciete hiërarchische ordening aanbrengt tussen de getoonde werken. De opstellingen zijn daarentegen eerder speels, bevatten ruimtelijke verrassingen en laten de bezoeker op ontdekkingstocht gaan. Hiermee lokken ze nieuwsgierigheid uit en alles wat je uit nieuwsgierigheid eigen maakt zal onderdeel worden van jezelf, schreef voormalig directeur van het Groninger Museum Frans Haks in zijn memoires.
De speelsheid ligt onder meer besloten in diagonale zichtlijnen en verspringende wanden, zoals bij de Smithsons, waardoor bezoekers zelf, bewegend door de ruimte, kunstwerken op verrassende wijze met elkaar in verband kunnen brengen. Ook Van Eyck maakte het bezoeken van de tentoonstellingen tot een lichamelijke ervaring door schilderijen uitzonderlijk laag op de wand of op de grond te positioneren waardoor je moest bukken of door de knieën zakken om het aandachtig te beleven. Hiermee komen de abstract metaforische lading van de kunstwerken en de concreet sensorische belevingswereld van de ruimte samen.

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Alison en Peter Smithson, Painting & Sculpture of a Decade 54-64, Tate Gallery  Londen, 22 april t/m 28 juni 1964 / 

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Alison en Peter Smithson, Painting & Sculpture of a Decade 54-64, Tate Gallery  Londen, 22 april t/m 28 juni 1964 /  foto Johannes Schwartz

De tentoonstelling in Het Nieuwe Instituut kwam tot stand in samenwerking met het Calouste Gulbenkian Museum in Lissabon, dat de tentoonstelling ontwikkelde en als eerst toonde. De opstelling in Rotterdam is ontworpen door architect Jo Taillieu en sluit als reconstructie aan in de reeks 1:1 modellen die de afgelopen jaren in Het Nieuwe Instituut te zien waren. Eerder, eind jaren negentig, zette Kirstin Feireiss als directeur van het toenmalige NAi de architectonische installatie al in als een nieuw genre architectuurtentoonstelling. Een reconstructie of model op schaal 1:1 biedt volgens Feireiss bezoekers een directe fysiek-ruimtelijke ervaring en slaat als zodanig een brug tussen informeren en vermaak. Het vermakelijke aspect van de reconstructies bij Art on Display is duidelijk, echter de informerende potentie is op de ruimtelijke beleving en beknopte toelichting na weinig uitgediept. Kritische herlezingen of het actualiseren van de getoonde ontwerpen blijft uit, alsook de explicitering van onderlinge verbanden tussen de verschillende ontwerpen en ontwerpers. Daarnaast zijn de geabstraheerde reproducties van de tentoonstellingen jammer genoeg een dusdanig kleine uitsnede op grootformaat dat de rijkheid en gelaagdheid van de vernieuwende tentoonstellingsstrategieën, alsook de ruimtelijk-sensorische beleving van de ontwerpen, gereduceerd wordt tot één enkel ‘spectaculair’ aspect, zoals de schildersezels bij Bo Bardi en Scarpa of de beelden op de grond bij Van Eyck. Hiermee lijkt Art on Display in eerste instantie op een collectie van enkelvoudige, desalniettemin vernuftige, ruimtelijke effecten waarmee de reconstructie als tentoonstellingsmethode wordt platgeslagen en de meerwaarde van het inzetten van reconstrueren als vehikel om de ontwerpen te doorgronden, niet volledig duidelijk wordt.

Deze ambiguïteit wordt gevoed door de vraag in hoeverre het daadwerkelijk een reconstructie betreft. Zo ontbreekt de relatie tussen vorm en inhoud, omdat de kunstwerken die geleend zijn uit het Gulbenkian ingezet zijn als uitwisselbare placeholders. De wisselwerking tussen kunst en ruimte wordt hiermee wel zichtbaar geïllustreerd, maar er is geen inhoudelijke link zoals wel beoogd werd in enkele van de oorspronkelijke tentoonstellingsontwerpen. Uit de getoonde foto’s van de oorspronkelijke ontwerpen valt tevens op te maken dat het formaat, de positie, en zoals bij de Cobra-tentoonstellingen ook de inhoud van de kunstwerken in de ruimte een significant onderdeel waren van het vernieuwende karakter van de tentoonstellingsontwerpen. Hierdoor is de verhouding tussen kunst en drager, en daarmee de (her)beleving van de tentoonstelling, wezenlijk anders.

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Franco Albini en Franca Helg, Palazzi Bianco en Rosso, Genua, 1949–62

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Franco Albini en Franca Helg, Palazzi Bianco en Rosso, Genua, 1949–62 /  foto Johannes Schwartz

Een tentoonstelling waarin het tentoonstellingsontwerp an sich als opgave wordt beschouwd, is desalniettemin een interessant uitgangspunt. De vernieuwende aspecten van de tentoonstellingen zoals die ontworpen zijn door Bo Bardi, Carpa, Van Eyck, de Smithsons, Albini en Helg vallen tot op zekere hoogte af te lezen en beleven middels de reconstructies in Het Nieuwe Instituut. De mogelijkheid om met het overkoepelende ontwerp van de tentoonstelling zelf vernieuwing op te zoeken, lijkt door Tailleu niet aangegrepen te zijn waardoor Art on Display nu slechts leest als een collectie stijlkamers. Explicietere keuzes in de verhouding tussen de reconstructie en het gereconstrueerde zou mogelijk geholpen hebben om de overdrachtelijke en reflexieve dimensie van de reconstructies meer kracht bij te zetten. Daarentegen oogt de concrete materialisatie van de reconstructies zeer doordacht. Door de inpassing en opstelling van de reconstructies in de ruimte van Het Nieuwe Instituut beweeg je als bezoeker namelijk ook tussen de tentoongestelde tentoonstellingsruimten om ze als zodanig vanuit een interessante tussenruimte te beschouwen. Dit contrast wordt versterkt door de grofkorrelige, plastische ‘buitenkant’ en de gepolijste ‘binnenkant’ met de tentoongestelde kunstwerken. Bovendien is door het inzetten van een minimale diversiteit aan materialen een visueel samenhangend geheel gemaakt met verschillende tactiele kwaliteiten. Tevens zijn, zij het subtiel, details van de oorspronkelijke tentoonstellingsontwerpen in de ontwerpen verwerkt, waaronder de kadrering op de wanden van Museo Correr, de gladde witgrijze afwerking van de expo in Tate Gallery en de gefaceteerde betonblokkenwanden van het Sonsbeekpaviljoen. Hiermee zijn de reconstructies als ontwerp wel zeer geslaagd en bieden een fijne ervaring in een tijd waarin veel digitaal plaats vindt.

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Aldo van Eyck, Sonsbeek ’66 / 

Art on Display 1949-69, Het Nieuwe Instituut / Aldo van Eyck, Sonsbeek ’66 /  foto Johannes Schwartz

Enkele gerelateerde artikelen