Bewoonbaarheid als criterium

Pq

The Persistence of Questioning

Kritische reflecties voor de toekomst, over architectuur en meer.

In het kader van het project The Persistence of Questioning, kritische reflecties voor de toekomst en op de vraag “Wat is architectuur?”, vraagt Mechthild Stuhlmacher zich af wat de gebouwen van Alvar Aalto uit de jaren 50 zo buitengewoon prettig maakt om in te wonen. Precisie, voortbouwen en toe-eigening geeft architecten het vermogen tijdloos goud te spinnen. Ze pleit dat jonge architecten zich ook juist nu zouden moeten herbezinnen op de architectuur als discipline, niet als terugblik maar als vooruitblik, waarin we de architectuur weer herwaarderen en als een kunst zien, die als doel heeft de wereld voor iedereen bewoonbaar te maken.

Hansaviertel Apartment Alvar Aalto

Hansaviertel appartement in Berlijn van Alvar Aalto / foto auteur

Houvast bij Aalto
Ik verblijf voor een paar dagen in een appartement in Berlijn, ontworpen door Alvar Aalto. Een tijdelijk logeeradres, aangeboden door een gastvrije vriendin. Het is een overzichtelijke woning in een groter bouwblok met woningen van verschillende groottes, oorspronkelijk waarschijnlijk vooral bedoeld voor kleinere gezinnen. Aalto, een architectuurheld uit de jaren 50, ontwierp een perfecte plek voor een bewoonster van nu die veel reist en het huis gebruikt als thuisbasis en filmstudio, een leefwijze die Aalto destijds vast niet voor ogen had. Een perfecte plek ook voor de verschillende buren: de jonge gezinnen, alleenstaanden, stellen, ouderen, jongeren. Wat het hier zo buitengewoon prettig maakt? Er is nagedacht over eenvoudige dingen: de entree van het gebouw voelt zowel uitnodigend als vanzelfsprekend, voor bezoekers met en zonder bagage of fiets. In het appartement kom je binnen in een ruim halletje, met doorgangen naar zowel de keuken als de veelzijdige leefruimte die destijds als ‘Allraum’ werd beschreven. Een ruime loggia – perfect geplaatst tussen eet-, slaap- en woonplek (nu werkruimte) – voelt als het centrum van het huis en brengt veel licht tot diep in de woning. Daarmee ontstaat er een zorgvuldige maar ongedwongen differentiatie tussen activiteiten zoals koken, eten, zitten of werken. Overhoekse uitzichten, diagonale zichtrelaties en transparante tussenwanden maken de ruimte groter dan ze werkelijk is en zorgen voor de verbinding tussen alle binnenruimtes en het landschap buiten. De verschillende ramen rondom de loggia vangen de bewegende zon en zorgen voor variatie, voor leven. Dit wordt nog versterkt door de kenmerkende open hoeken die het hele gebouw binnen en buiten karakter en geleding geven. Op het niveau van het interieur vormen bovenop de radiatoren eenvoudige, maar vast gemonteerde planken verwarmde zitbanken.

Het uit 1957 beroemde en destijds net als nu ‘modern’ aanvoelende appartementengebouw in het Hansaviertel heeft twee ruime collectieve entreehallen, één op het niveau van de fietsenberging en de hoofdentree een verdieping hoger. In het verlengde van de hoofdentree bevindt zich een prachtig overdekt buitenterras, een soort ‘kolommenhal’ waar zelfs in de koude herfst de buren elkaar treffen. En als dat niet daadwerkelijk elke vrijdagavond – zo het schijnt – gebeurt, is de vriendelijke generositeit die de plek uitstraalt van grote waarde. Van hieruit bereikt men de prettig lopende, overzichtelijke trappenhuizen, met daglicht en een prachtige hoekbank bovenop de radiator. De afmetingen van alle ruimtes binnen en buiten zijn bescheiden, de materialen sober. Door de verhoudingen en ruimtelijke relaties overstijgt Aalto echter de banaliteit, monotonie en benauwdheid die aan vergelijkbare flatgebouwen uit dezelfde periode en de jaren daarna kunnen kleven. Het is de generositeit, het denken vanuit het gebruik en de aandacht voor dagelijkse bewegingen en behoeftes, die deze woningen al lange tijd in leven houden, veel en veel langer dan vergelijkbare woningen waar met minder kunde en aandacht te werk is gegaan. Werkelijk goede architecten hebben het vermogen tijdloos goud te spinnen van eenvoudige dingen; alledaagse plekken tot een waardige leefomgeving te verheffen; duurzaamheid daadwerkelijk waar te maken.

Hansaviertel Apartment house in Berlin by Alvar Aalto

Hansaviertel Appartement in Berlijn, 1957 / Alvar Aalto Foundation / Heikki Havas

Strengheid, verbondenheid en toe-eigening
Goede architectuur helpt de wereld bewoonbaar te maken. Voor elk architectuurproject, groot, klein, transformatie, nieuw, publiek, collectief of privaat, stedenbouwkundig of een interieur is dat in mijn ogen de ultieme taak. Architectuur levert houvast, bescherming, aanleiding, waardigheid. Een goed gebouw is in de stad als een hoekbank in een kamer, een lambrisering, een vloerkleed, een podium om op te zitten of op te staan, iets wat ons helpt om onze plek te vinden, alleen en met anderen en een plek om ons toe te eigenen. In Brusselse prijsvragen en aanbestedingen is bewoonbaarheid een selectiecriterium. Ze bedoelen daarmee dat de gebouwen afgestemd moeten zijn op de praktische behoeftes van de gebruikers. Bruikbaarheid maar dan meer dan functionaliteit. Waardigheid en schoonheid, maar dan meer dan een beeld.

Wat is er nodig om bewoonbare architectuur te maken, behalve het wellicht onevenaarbare talent van Alvar Aalto? Ikzelf gebruik met enige regelmaat drie begrippen die ik essentieel acht voor de architectuur die wij met ons bureau idealiter zouden willen maken. Het gaat om de begrippen rigour of strengheid, continuity of verbondenheid en appropriation, oftewel het vermogen van de architectuur om zich te laten bewonen.

De eerste twee termen zijn ontleend aan de titels van publicaties van het tijdschrift 9H, verschenen in 1989 resp. 1995; destijds voor mij enorm inspirerende thematische compilaties van bekende en onbekende projecten, teksten en beelden. Deze publicaties zijn ware schatkistjes, met ontdekkingen zoals de destijds in Nederland volledige onbekende Hans Döllgast en Hans Tessenow; of studentenwerk van de Noorse architecten Jensen en Brynhildsen die met verbluffende trefzekerheid een Lepra-hospitaal in Lasur in India hadden ontworpen; of een van de eerste huizen van het kleine maar veelbelovende bureau Herzog de Meuron.

Met strengheid bedoel ik artistieke en praktische precisie en vakbeheersing, de training van het oog, de zintuiglijke waarneming en het gevoel voor ruimte. Het begrip van de continuïteit, de verbondenheid sluit hierop aan. Met continuïteit bedoel ik het brede begrip van culturele, ruimtelijke en historische contexten en de ontwikkeling van het begrip voortbouwen op of weiterbauen.

Het derde begrip appropriation oftewel bewoonbaarheid bestaat niet als titel van 9H, maar zou voor mij een logische oftewel wenselijke voortzetting zijn. De toe-eigening kan vele vormen aannemen. Het zijn handvatten die de architectuur biedt, de aanleidingen die mensen willen gebruiken om zich ruimtes, gebouwen, wijken eigen te maken. Het gaat naast belangstelling voor mensen om generositeit en gepastheid en ook om een bepaalde relativering van het vak. Als architect ben je aanwezig en afwezig tegelijk. Je zorgt dat niet alleen de bewoners en gebruikers, maar vooral ook de materialen, het licht, de textuur, het ritme en zeker ook de planten buiten tot hun recht komen. Je zorgt ervoor dat bewoners, bezoekers, alle gebruikers zich ergens thuis voelen zonder dat er een architectenwil in de weg staat of te veel aandacht opeist. Je ontwerpt heel bewust en precies, maar betrekt het niet ontworpene, het reeds bestaande, veranderlijke, natuurlijke en alle voorspelde en niet voorspelde latere toevoegingen en verstoringen bij je overwegingen. In het landschapsontwerp noemen ze dat borrowed scenery waarbij het omliggende landschap wordt meegenomen in het ontwerp. Deze houding is niet te verwarren met bescheidenheid, maar gaat om het vermogen te observeren en de empathie die nodig is om uit het geobserveerde conclusies te trekken. Om dat te bewerkstelligen is er aandacht nodig, belangstelling voor mensen en de natuur, en precisie, vakmanschap. En als het vakmanschap er is, heeft de architectuur ook het vermogen om niet alleen dienstbaar maar ook poëtisch te zijn.

Hansaviertel Apartment Alvar Aalto

Hansaviertel appartement in Berlijn van Alvar Aalto / foto auteur

Toe-eigening: het ontworpene en het niet ontworpene
Een goed voorbeeld van een toe-eigenbare ruimte binnen ons eigen werk is de omsloten binnentuin van woonzorgcentrum Parkhof in Machelen (België). Een brede gaanderij omsluit er een grote tuin die in samenwerking met de kunstenaar Rudy Luijters en tuin- en landschapsarchitect Arne Deruyter als ‘kunstwerk’ is ingevuld, en die dankzij vele vrijwillige tuinliefhebbers telkens andere vormen aan kan nemen. Er zijn vogelhuisjes, kippen, houten speeltoestellen, een oeroude gevonden stenen waterbak, onorthodoxe beplantingen, een jeu-des-boules-baan, frambozenstruiken en een oude tamme kastanje. De gaanderij heeft het karakter van een kloostergang, de tuin zelf voelt als een bewoonbare buitenkamer met de gaanderij als lambrisering. Hier kan men schuilen voor regen en zon. De gaanderij biedt letterlijk een houvast, voor een dagelijks rondje, voor het observeren van gasten, huisgenoten, dieren en planten. De tuin is complementair aan de architectuur, relativeert en compenseert. Het niet ontworpene staat naast het wel ontworpene; spontaneïteit tegenover het bepaalde; het veranderlijke en tijdelijke tegenover het permanente.

In het Predikheren, de stadsbibliotheek van Mechelen waarvoor we de ruïne van een barok kloostergebouw na lange tijd van leegstand hebben gerestaureerd en herbestemd, bestaan deze handvatten onder (veel) meer uit een houten voering die overal in het gebouw in verschillende gedaantes voorkomt, als lambrisering, zitbank, werktafel, kast, en tribune. De voering maakt de wanden warm en aanraakbaar, laat de ruimtes aangenaam klinken, zorgt voor een plek voor elektriciteit en licht en bovenal bemiddelt het tussen de mensen die het gebouw willen gebruiken en het gebouw zelf. Hierdoor kan het gebouw zich in al zijn facetten tonen en al zijn ongerijmdheden en littekens laten zien. Ook hier gaat het om de verhouding van hetgeen er is ontworpen en wat we hebben aangetroffen. De kleurrijke ruïne wordt ingekaderd, op een voetstuk geplaatst, bewoonbaar gemaakt en komt hierdoor pas tot leven.

Deze voorbeelden zijn een pleidooi voor een architectuur die zich bezint op haar kerntaken. Architectuur hoort, om met Andreas Hild te spreken, tot de wereld van de gebouwen en niet tot de wereld van de dingen, de objecten. Architectuur faciliteert, kadert, ondersteunt en is dus alleen te begrijpen door de relatie met de ander. Objecten daarentegen staan op zichzelf. Goede gebouwen omzomen straten en pleinen, geven mensen en ontmoetingen een plek, zorgen voor waardigheid van binnenuit. Goede gebouwen zijn, vooral, ervaarbaar op schaal 1:1. Als architecten bouwen we geen objecten maar ruimtes en zetten letterlijke en figuurlijke zitbanken neer. We staan als architecten niet op het podium maar we bouwen het podium dat anderen zich eigen moeten maken.

Innovatie en vakmanschap
“To all the professors who belong to a different generation of ours: this world moves so fast! Put pride, your stupid studies of past things, your tastes, your beliefs aside! The mistakes of the past are leading us to destruction! (…) People use to tell us to look to the past to avoid the same mistakes in the future, but I say: let’s look to the future, to avoid the mistakes of the past!” (bron: archicage.com)

Het citaat is representatief voor de stem van een jonge generatie architecten in deze tijd die velen als een kantelpunt zien. Het is normaal en zinvol dat elke nieuwe generatie denkt het beter te kunnen en anders te moeten doen dan de vorige. Toch zou ik wensen dat we ons juist nu ook zouden herbezinnen op de architectuur als discipline. Ik zou dit niet als terugblik maar als vooruitblik willen zien. Het Hansaviertel in Berlijn waar Aalto’s woongebouw staat, kwam tot stand in het kader van de bouwtentoonstelling Interbau ’57 en was toentertijd hét voorbeeld voor toekomstig bouwen. Gestapelde appartementen in het groen met eigentijdse materialen en compacte plattegronden werd als optimistisch alternatief voor het herbouwen van de gebombardeerde stad gepromoot. Een gedifferentieerd, natuurlijk landschapsontwerp was de drager van een stedenbouwkundig plan dat brak met vooroorlogse tradities. Aalto’s gebouw omarmt het omliggende landschap. In tegenstelling tot talloze flatgebouwen uit de decennia daarna die met vergelijkbare premisses werden gebouwd wordt het gebouw nog steeds gekoesterd. Aalto bleek als geen ander in staat te zijn de destijds radicaal innovatieve agenda met aandacht voor bewoonbaarheid te combineren.

Ik zou wensen dat we, net als Aalto, een eigentijdse, innovatieve agenda zouden koppelen aan vakmanschap en bewoonbaarheid. Dat we architectuur weer meer als gebouwen gaan zien waarbij we ons afvragen wat gebouwen allemaal moeten kunnen – en wat niet – en wat ze onderscheiden van objecten. Ik ben ervan overtuigd dat de fundamentele transitie naar een werkelijk duurzame, toekomstbestendige architectuur waar we op het moment voor staan om meer vraagt dan de vervanging van beton door hout of hennep, en het bouwen van steeds uitdagendere objecten. Laten we opnieuw kijken naar gebouwen en onze rol als ontwerpers hierin. Laten we ons afvragen waarom er gebouwen zijn die we al 50 jaar of nog veel langer goed vinden, waar we graag zijn en waar dat aan ligt. Laten we architectuur weer als een kunst zien die gaat over het maken van goede ruimtes en leefomgevingen, en haar herwaarderen als een tegelijkertijd innovatieve maar desalniettemin langzame, dienende discipline die het doel heeft de wereld voor iedereen – voor een stuk – bewoonbaar te maken.

Enkele gerelateerde artikelen