Recensie —

Eigenzinnige tactieken voor samen leven

Hoe kunnen we samenleven vormgeven? De onderzoeksmatige en verrassende tentoonstelling Het ontwerp van het sociale zoekt antwoord op deze vraag. Of eigenlijk, het laat zien wie, hoe en waarom deze vraag de afgelopen eeuw is gesteld.
Het Nieuwe Instituut (HNI) zoekt al sinds de opening in 2013, met wisselend succes en de nodige controverse, naar identiteit en profilering, maar bij deze tentoonstelling lijken de gebundelde krachten tot zijn recht te komen. Architectuur, design en digitale cultuur komen op een logische wijze bij elkaar rondom een vraag die allen aan gaat. Het ontwerp van het sociale zal tot zomer 2024 te zien zijn en constant worden uitgebreid. En dat is nodig ook, want er zijn nog vele verhalen te vertellen.

ontwerp van het sociale

Tentoonstelling Het ontwerp van het sociale / Het Nieuwe Instituut / foto @ David ter Avest

Samen leven vormgeven
Het centrale onderwerp van de tentoonstelling is de zoektocht naar vorm, ontwerp en invulling voor samenleven. In verschillende ruimten worden sociaal gedreven en eigenzinnige praktijken getoond. Het woord ‘tentoonstelling’ doet Het ontwerp van het sociale eigenlijk te kort. De tentoonstelling vertelt niet één verhaal, het kan beter beschouwd worden als een gekleurd palet met op zichzelf staande onderzoeken naar verschillende praktijken.
De brede documentatie en archiefonderzoeken van onderzoekers, ontwerpers en conservatoren ontrafelen in retrospectief de betekenis van hun studieobject op het sociale. Daarbij is naast eigen collecties van HNI ook uit minder voor de hand liggende archieven en private collecties geput, waaronder bijvoorbeeld het kenniscentrum emancipatie Dona Daria, de feministische stichting Vrouwen Nu Voor Later en de The Black Archives. Ondanks een hoog archiefgehalte blijkt de tentoonstelling verrassend actueel. Sterker nog, de getoonde praktijken van toen bevragen de opgaven van vandaag. Betaalbaar wonen, inclusie, participatie en meer worden in Het ontwerp van het sociale gevoed met een portie historisch bewustzijn.

Geheel in lijn met de huidige coronatijd, is Het ontwerp van het sociale een hybride tentoonstelling. Wat betekent dat de online achtergrondinformatie niet als toevoeging, maar als gelijke geldt van het fysieke programma. Toch is de fysieke, zintuigelijke ervaring velen malen indringender dan achter je laptop HNI te bezoeken. De sfeer van de gevatte tijdgeest komt amper de huiskamer binnen.

De Ploeg

Interieur weverij van de nieuwe fabriek van Weverij van De Ploeg, Bergeijk, 1960-1980 / Fotograaf onbekend. Collectie Textielmuseum.

Kamers als onderzoekerslabs
Samen met Tijdelijk Huis van Thuis en 3xP: Een speculatieve ontwerpgeschiedenis. Van product en prototype tot probe, is Het ontwerp van het sociale te zien in de Grote Zaal van Het Nieuwe Instituut. De tentoonstelling is opgebouwd uit zes verschillende ‘kamers’, houten ruimten van zo’n twintig vierkante meter. Het ruimtelijk ontwerp is van de Vlaamse architect Jo Taillieu. Net als in veel van zijn werken kent de ruimtelijke opstelling een speelse configuratie van verschillende ruimten en tussenruimten. Elk van de kamers laat zien hoe vanuit een zeker perspectief of praktijk ontwerpers onderzochten hoe ze konden bijdragen aan betere samenleving. In een aantal kamers wordt de zoektocht naar nieuwe ontwerpen voor wonen en werken getoond. Andere kamers tonen het idealisme en activisme van waaruit diezelfde zoektocht werd gelegitimeerd. Het totaal is een variatie aan bekende en minder bekende verhalen met elk een kritische blik op de maatschappij en experimenterend van karakter. De huidige zes kamers richten zich op het buurthuis, de Minimumwoning, De Ploeg in Bergeijk, leven in de Digitale Stad, feministische ontwerpstrategieën en toe-eigening als collectief verzet. Een kort overzicht.

De kamer over ‘Het Buurthuis’ is een open ruimte met beelden en citaten van de zoektocht naar ruimte voor collectiviteit en het combineren van sociale functies en organisaties. Plekken voor ontmoeting en uitwisseling, maar ook voor maatschappelijke actie. Het werk van Frank van Klingeren krijgt hierbij bijzondere aandacht. Hij ontwierp in de jaren ’60 en ’70 gemeenschapshuizen om het openbare leven te stimuleren, zoals de Meerpaal in Dronten en ’t Karregat in Eindhoven.
‘De Minimumwoning’ richt zich op zowel collectieve acties tegen verkrotting en pandjesmelkers, als de destijds gevoelde minachting van architecten voor ‘het kleine’; woonwensen en activiteiten binnenshuis. De kamer laat de zoektocht zien naar de optimale woning voor het ‘hetero-normatieve kerngezin’ met vaste rollen, routines en activiteiten, samengaand met de komst van nieuwe bouwtechnieken en -standaardisering. Het strijd voor wonen als recht wordt ondersteund door zowel archiefmateriaal over huurstakingen in Amsterdamse volksbuurten in de jaren ’30, als beelden van de recente Woonopstand in Rotterdam.

‘De Ploeg’ laat zien hoe tijdens het interbellum in het Brabantse Bergeijk is gezocht naar een nieuwe, collectieve manier van werken en bestaan. De ideeën voor een zelforganiserende samenleving, als tegenhanger voor het kapitalisme, kregen middels architectencongressen in de jaren ’60 nieuwe impulsen. In de fabriekshal, naar ontwerp van Gerrit Rietveld, stond de maatschappijkritische gemeenschap uitgebreid stil bij het nimmer beantwoordde participatievraagstuk: wie bepaald hoe en waar we wonen en bouwen, professionals of ook burgers?
‘Leven in de Digitale Stad’ laat de democratische grondslag en idealen van de pioniers achter De Digitale Stad (DDS) zien. Pioniers op het gebied van digitale identiteit, online gemeenschappen en het internet als vrije publieke ruimte. Kwesties als anonimiteit, nabijheid en openheid werden destijds door de groep Amsterdamse hackers geadresseerd en blijken nog altijd actueel. Zeker in een tijd waar de Big Tech en algoritmes ons digitale doen en laten stroomlijnen, maar ook waar online gemeenschappen als Reddit en Discord floreren.

In de kamer over ‘Feministische Ontwerpstrategieën’ staat de roep om meerstemmigheid centraal in een ontwerpwereld vol witte mannen. De kamer toont pamfletten, affiches, brieven, krantenknipsels en ander beeldmateriaal over initiatieven als een politiek kultureel vrouwen kafee, feministische vrouwen telefoonlijn, Vrouwen Bouwen Wonen, vrouwenhulpverlening, zwarte-vrouwenkrant, vrouwendrukkerij en een vrouwenklussenkollektief. De vele objecten geven blijk van de talloze netwerken en initiatieven die zich vanaf de jaren ’70 hebben ontwikkeld.
En ten slotte richt de kamer over ‘Toe-eigening als collectief verzet’ zich op de vele bijdragen van de kraakbeweging aan de ruimtelijke ontwikkeling. In de sfeervolle kamer waan je even staande voor een gekraakt stadspand en lees je, voortbouwend op het Architecture of Appropriation-project van Het Nieuwe Instituut, over collectief verzet, idealisme en de strijd om betaalbaar wonen. Nieuwe communities werden gevestigd zoals op het terrein van de voormalige Amsterdamse Droogdok Maatschappij en in het Rotterdamse Poortgebouw, die beschouwd kunnen worden als inspiratiebron voor het latere broedplaatsenbeleid en transformaties van cultureel erfgoed.

Vrouwen vormen een Yoni symbool met hun handen. Derde van rechts: Tania Leon, actief lid van diverse tweede golf-feministische initiatieven in Nederland, zoals Mama Cash en het Zwarte lesbische collectief Sister Outsider/ Collectie IAV-Atria, Kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis / @ Foto Gon Buurman

Tactieken en strategieën
De keuze voor de zes huidige kamers inspireert omdat juist de minder bekende geluiden de ruimte krijgen. De meer mainstream en top-down initiatieven, die ook ieder op hun eigen manier de samenleving proberen vorm te geven, ontbreken. Ongetwijfeld minder idealistisch en andere waarden nastrevend, maar ook deze meer dominante praktijken hebben zo hun perspectieven op samenleven. Bovendien is juist de spanning en wisselwerking tussen beide krachten interessant. Het concept van tactieken versus strategieën, ontwikkeld door de filosoof Michel de Certeau in The practice of everyday life, maakt dit inzichtelijk. Strategieën staan voor de structuren van macht met een top-down benadering. De tactieken zijn volgens De Certeau ‘gecalculeerde acties’: informeler, gefragmenteerder en ze ontstaan bottom-up. En juist waar strategieën en tactieken elkaar raken of botsten, wordt het interessant.
Dit spanningsveld, waar grote nota’s, plannen en kaders kleine, tactische praktijken ontmoeten, roept nieuwe vraagstukken en perspectieven op. De zes kamers laten vooral tactieken zien die zoeken naar verandering en vernieuwing. Aandacht voor juist de spanningsvolle wisselwerking tussen deze tactieken en meer dominante strategieën zou een waardevolle toevoeging zijn. Denk hierbij aan vraagstukken als: op welke wijze manoeuvreerde de kraakbeweging zich binnen de stadsvernieuwing en andersom? Met welke ontwikkelingen werden de pioniers geconfronteerd en wat kunnen we vandaag de dag leren van DDS? De praktijken van toen bevragen de opgaven van vandaag.

Nieuwe verhalen gevraagd
Het ontwerp van het sociale is nog tot zomer 2024 te zien in HNI en zal constant worden uitgebreid. De tentoonstelling kent een duidelijk begin, maar geen duidelijk einde. Zo ontdekte ik pas bij mijn tweede bezoek de zesde kamer, maar dit terzijde. Een overgeanalyseerde slotconclusie is niet hetgeen dat ontbreekt, maar afzonderlijke kamers worden wel onvoldoende in samenhang bezien, noch in perspectief geplaatst. Doordat de keuze van de onderwerpen willekeurig lijkt, werkt deze opzet enigszins verwarrend.
Anderzijds biedt de huidige werk-in-uitvoering opzet de mogelijkheid om nog zoveel meer praktijken en perspectieven te onderzoeken en te tonen die de zoektocht naar het ontwerp van het sociale verbreden. Hopelijk komt er dan ook aandacht voor meer dominante praktijken. Bijvoorbeeld de ideeën achter bedrijfsdorpen als Batadorp en Heveadorp, waar werkgevers woningen en maatschappelijke faciliteiten voor het personeel bouwde met een moraliserend karakter. Het postmodernisme, waar thematisering, nostalgie en leefstijl ruimtelijk geëtaleerd wordt. Perspectieven zoals de gelijkheidsidealen van de Bijlmermeer, de invloed van huishoudbeurzen en warenhuizen, of bijvoorbeeld de ontwerpstrategieën achter de bloemkoolwijken voor meer nabijheid en sociale veiligheid. Er zijn nog veel verhalen te vertellen die Het ontwerp van het sociale verrijken.

De tentoonstelling biedt een moment van reflectie en historisch bewustzijn in een tijd waar in de media vooral bouwen bouwen bouwen klinkt en volop wordt gediscussieerd over aantallen nieuwbouwwoningen. Voorbij nieuwbouwprojecten en een minister van Wonen die vooral met hippe laarzen in de klei wil staan, is het vorm en invulling geven aan samenleven minstens zo belangrijker als woonpolitiek. Hoe abstract en ongrijpbaar ‘het sociale’ ook is, het gaat ons allen aan. Elke dag weer.

Enkele gerelateerde artikelen