Opinie —

Dakdromen

De Rotterdamse Dakendagen 2022 zijn onlangs afgesloten. Nu de spectaculaire luchtbruggen weer afgebroken zijn en we ons hoofd niet meer in de wolken (kunnen) steken, is reflectie op de gepresenteerde ambitie op zijn plek. Want wat hebben we daar eigenlijk te zoeken op het dak? Waarom moeten we de hemel boven de stad bestormen, los van korte adrenaline rush en selfieplek die de Rotterdamse Dakendagen ons hebben voorgeschoteld?

Het Podium op Het Nieuwe Instituut Rotterdam

Het Podium op Het Nieuwe Instituut, Rotterdam (19 augustus 2022)

Met haar manifestatie in de binnenstad van Rotterdam, de achtste editie, laat de Rotterdamse Dakendagen professionals maar vooral ook leken op een spectaculaire manier dit voor velen onbekende stuk van de stad ontdekken. Met twee tijdelijke, uit steigermateriaal opgebouwde, instagramproof gekleurde stellages kon je deze editie vanaf begin juni een maand lang tijdens Rotterdam Architectuurmaand via het dak van het WTC en de Bijenkorf de Coolsingel oversteken (fel oranje) en tot half augustus kon je op het dak van Het Nieuwe Instituut (HNI) over de stad uitkijken (hard roze). De nog niet benutte potentie (archi-speak) van het dak wordt met deze rooftop walks onder de aandacht gebracht. Met bijeenkomsten en lezingen op HNI en op het dak van de Bijenkorf geplaatste voorbeeldproducten zoals PV panelen en groendak fragmenten, wil de Rotterdamse Dakendagen het dak(landschap) als ‘vergeten’ plek zichtbaar maken. Het dak is de onderbenutte plek waar een stevige bijdrage aan de energietransitie, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit geleverd kan worden. En dat in de bestaande stad! Laaghangend fruit dat met simpele ingrepen een enorme impact kan hebben op onze leefomgeving.

Het heeft iets elegants dat veel van deze zinvolle ingrepen nagenoeg onzichtbaar kunnen blijven, verborgen achter bestaande dakranden kunnen ze stil en onopvallend hun nuttige werk doen. Maar de ambitie stopt daar niet. Naast deze wat je ‘pragmatische’ ambities zou kunnen noemen, speculeren de Dakendagen over hoe de ruimte boven de stad ook ‘gekoloniseerd’ kan worden. MVRDV, partner van de Dakendagen 2022, biedt hiervoor een ruimtelijke agenda.

Met prikkelende beelden, onder andere samengebracht in hun boek Dakencatalogus (2021), formuleert MVRDV (Winy Maas en Sanne van Manen) een ruimtelijke agenda waarvan de ‘rooftop walks’ een voorproefje zijn. De walks bieden je tijdelijk een toegang tot de ruimte die meestal alleen vanuit penthouses en rooftop bars bereikbaar zijn. MVRDV pleit voor een stad waarin deze ruimte uiteindelijk ontsloten wordt voor iedereen. Op de bestaande daken kan de stad de ruimte vinden om te verdichten en te verduurzamen zonder de ademruimte van de stad op het ‘echte’ maaiveld te beperken. Als al deze plekken gekoppeld worden, kan het dakenlandschap in hun visie een tweede maaiveld worden.

Rotterdam Rooftop Walk over de Coolsingel / ontwerp MVRDV / foto Ossip van Duivenbode

Rotterdam Rooftop Walk over de Coolsingel / ontwerp MVRDV / foto Ossip van Duivenbode

MVRDV heeft een track record van gebouwen met een ‘nieuw maaiveld’ op het dak, of in ieder geval op hoogte. Het Depot van Boijmans, recent opgeleverd, laat bezoekers een dakterras bezoeken en een kop koffie drinken met uitzicht over de stad. Hun paviljoen voor de wereldexpo in Hannover (2000) bestond uit een stapel ‘landschappen’, met een ‘bos’ op de derde verdieping als meest spectaculaire deel. Haar grote woonblok in Madrid heeft een gigantisch gat in het midden van het schijfvormige volume, hier bevindt zich een ‘pleintje’. The Valley op de Amsterdamse Zuidas biedt een ‘publiek toegankelijk’ rotsachtig landschap dat vanaf de derde bouwlaag in het blok is gesneden. Haar oudere project Didden Village is een uitbreiding van een stadswoning dat er uitziet als een felblauw geschilderd mini dorpje op het dak.

MVRDV heeft dit tweede maaiveld natuurlijk niet uitgevonden. Le Corbusier ontwierp op zijn Villa Savoie en later op Unité d’Habitation een dak dat het gezonde leven op een scheepsdek van een vooroorlogse cruise schip type Titanic moest imiteren. Waar dat dek midden op de golvende zee zijn logica heeft, biedt zij, getransplanteerd naar land, iets wat zeker in de Modernistische stad in grote hoeveelheden al op maaiveld te vinden is: plekken om te sporten, te spelen en elkaar te ontmoeten onder de natuurlijke parasols van boomkronen. Waar komt de fascinatie en de kennelijke ’noodzaak’ van deze ‘aanvulling’ op het maaiveld vandaan? Is of was de ruimte inderdaad op?

De ‘stad in de lucht’ die zelfbenoemde avant-gardisten en hun navolgers verbeelden kent een populaire en visueel extreme evenknie in sciencefiction, in zowel de utopische als dystopische variant. In talloze films waarin een toekomst is verbeeld heeft de stad een netwerk van niveaus gekregen. Van Metropolis uit 1927 tot Blade Runner uit 1982 (waarvan het verhaal zich in 2019 (!) afspeelt) wordt de stad van de toekomst verbeeld met luchtbruggen, pleinen en straten op hoogten die deels op en over de oude stad zijn gebouwd. Kennelijk is er iets met de toekomst van de stad: altijd is er de droom van een stad die de hemel in groeit.

Als sciencefiction ons nog meer duidelijk maakt, is dat de relatie die tussen de bestaande en de ‘nieuwe’ stad in de lucht ontstaat op zijn zachtst gezegd problematisch is. De oude, originele straten van de stad zijn vaak verworden tot de smerige, schemerduistere stegen waar bedelaars, prostituees en schimmige handeltjes te vinden zijn. Effectief is de bestaande stad tot souterrain van die nieuwe stad gedegradeerd. Nergens is de stad een egalitaire 3D wereld geworden. Met het stapelen van de stad zijn (onvermijdelijk?) rangen en standen in de ruimte nog verder uitgekristalliseerd. De rijken en machtigen genieten van licht en een mooi uitzicht, beneden scharrelt de rest. De oude straat is, zoals nu al, democratisch én problematisch, het dak is exclusief en comfortabel.

Het Depot (links) en Het Podium (rechts) / Ontwerp MVRDV / Foto Ossip van Duivenbode

Het Depot (links) en Het Podium (rechts) / ontwerp MVRDV / foto Ossip van Duivenbode

In de ambitie van MVRDV voor het daklandschap lijkt precies die relatie tussen dakstad en maaiveldstad een blinde vlek. Waar de potentie van het dak van pragmatische aanvullingen doorschiet in dromen over een nieuw verbonden en publiek toegankelijk daklandschap wordt één cruciaal verschil (gemakshalve?) overgeslagen: de maaiveldstad is verbonden door de publieke ruimte, de dakstad wordt onherroepelijk gebouwd op privaat eigendom. Op die private eigendomsstructuur bestaat een fundamenteel andere ruimtelijke en sociale realiteit. Ze is beheerd, vergelijkbaar met de binnenwereld van een winkelcentrum, attractiepark of hotellobby. Een wereld waar je, zoals letterlijk bij de Dakendagen, een toegangsbewijs moet hebben en voor het genot van de andere aanwezigen vriendelijk verzocht wordt om niet te bedelen, te schreeuwen of te demonstreren. Binnen die context is het makkelijk ontwerpen. Het dak kan ontworpen worden als een ‘verbeterde’ versie van de openbare ruimte beneden, ‘bevrijd’ van alle rijke maar ook problematische aspecten van de straat en de aan haar grenzende bebouwing. Groen, natuurinclusief en sociaal aangeharkt. Ze is daarmee een heldere uitdrukking van het libertaire techutopisme (zie ook het artikel Het Debatklimaat in de Ontwerpwereld van Dirk Sijmons) waarin techniek en kapitaal de belofte doen om ‘publieke’ kwaliteiten verbeterd en efficiënter te leveren.

Als het Depot een voorbeeld van de ‘potentie van het dak’ zou zijn, belooft zij niet veel goeds voor waar dit denken toe leidt: een regelrechte afwijzing van de openbare ruimte. Dit ‘publieke gebouw’, toont zich aan het omliggende Museumpark (of wat er van over is) als een gladde reflecterende/afstotende monoliet. De toegang is een hermetische kluisdeur, de expressie van de overgang is er één waarin niet continuïteit, openheid en verbinding centraal staan maar selectiviteit en defensiviteit. Voorbij die sluis kom je, na het betalen van een absurde toegangsprijs of ’s avonds als je wat boven wil gaan eten of drinken, op een keurig aangeharkt stukje groen op het dak. Beneden is zij naar de omgeving doofstom. Deze problematische relatie met de omliggende stad en haar gemankeerde poging op het dak iets terug te geven aan de stad, is in het beste geval een onnadenkende consequentie van een lollige conceptuele referentie (een IKEA kommetje dat tijdens de lunch op tafel zou hebben gestaan) waardoor een fundamenteel onvermogen van de ontwerpers zichtbaar wordt om zich tot het problematische karakter van de openbare ruimte te verhouden. Of, kwalijker, het is een bewuste afwijzing van de openbare ruimte als essentieel, democratisch substraat waar de stad op functioneert, vormgegeven door de bebouwing die er onderdeel van is, ten faveure van een privaat reservaat op het dak waar het goed, of beter, toeven is.

Vanaf het shocking pink dak van Het Nieuwe Instituut kijk je op de meerderheid van de vier tot vijf lagen hoge bebouwing van Rotterdam; de daken als brokstukken in een onsamenhangend zee van stedelijke ruimte. Groepjes hoogbouw springen er links en rechts uit. Het dak als samenhangende ruimtelijke wereld lijkt heel ver weg. En misschien is dat maar goed ook. Het dak kan veel (meer) bijdragen, zeker, maar ze kan en mag nooit afleiden van de lastige, complexe, uitdagende en energie gevende stedelijke ruimte op de grond.

Enkele gerelateerde artikelen