Opinie —

Vers une architecture…., terug of opnieuw?

Duurzame architectuur is tegenwoordig alleen duurzaam vanwege haar vele installaties. Hans van der Heijden propageerde recent in een artikel in het NRC dat niet techniek maar vooral het ‘lerend vermogen’ van de (Europese) stad ‘echte’ duurzame architectuur zou opleveren. De techniek wordt door hem letterlijk ‘buiten’ de architectuur geplaatst. Dat is merkwaardig en jammer: er staat namelijk echt iets op het spel.

House of the Future (Daily Mail Ideal Home Exhibition, Londen maart 1956) / Allison and Peter Smithson / fotograaf onbekend / archief CCA

De directe aanleiding voor Hans van der Heijdens betoog lijkt het net opgeleverde Sluishuis in Amsterdam. Als een rode lap voor een stier laat het Van der Heijden op zijn stokpaardje klimmen. Het in-your-face spectaculaire Sluishuis met hippe happen er uit, is alleen maar duurzaam doordat het vol techniek is gepropt, zo stelt hij. En daar heeft Van der Heijden een punt, ook voorbij het specifieke voorbeeld van het Sluishuis. Want het is (helaas) niet ongewoon dat de architect een (spectaculair) ontwerp tekent dat vervolgens door andere adviseurs met installatietechniek, waaronder warmtepompen, PV panelen, warmteterugwinning wordt opgevuld. Maar al te vaak zijn ruimtelijk ontwerp en duurzaamheid zo goed als losgekoppeld: elk ontwerp kan/kon met de juiste dosis techniek wel voldoen aan alle (minimale) duurzaamheidseisen. In het uiterste is de architectuur met betrekking tot duurzaamheid helemaal niet relevant, ze is een stukje vrijblijvend gebouw design dat alleen hoeft te worden afgerekend op zijn (commerciële) wow-factor en/of in welke mate het soepel door de vergunningsprocedures zal glijden. De installaties bepalen de duurzaamheid.

Van der Heijden pleit voor een architectuur die zelf ‘duurzaam’ is en, zo lijkt hij te suggereren, de inbreng van installaties en andere techniek voor is. Dat is een interessante, in deze tijd essentiële opgave die raakt aan de betekenis van de architectuur in de grote opgaven van deze tijd. Dat duurzaamheid veelal gelijkstaat aan techniek, is een breder issue. Is een circulair gebouw (demonteerbaar, met een materialenpaspoort etc.) ook een wezenlijk anders gebouw in architectonisch opzicht? Idem voor een bio-based gebouw? Dit zijn essentiële vragen die Van der Heijden in zijn betoog helaas vervangt door een grijsgedraaide plaat waarop de duurzaamheid van baksteen wordt bezongen.

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

Het valt niet te ontkennen dat techniek een ingrijpend effect op onze leefomgeving heeft. We zijn dagelijks omhuld door een heel ‘ecosysteem’ van apparaten en installaties die bijna belangrijker zijn voor de kwaliteit van leven dan de architectonische (lees: fysiek-ruimtelijke) omgeving. Zonder thermostaten, verwarming en koeling, warmteterugwinning etc. en steeds ‘slimmere’ domotica is een huis nauwelijks bewoonbaar, laat staan comfortabel. Helemaal als deze ‘lekker veel glas’ heeft, zoals veel architecten nastreven. Op vakantie, in onze tent, wordt dat punt (in de bloedhitte) pijnlijk duidelijk. Alle technische ‘hulpmiddelen’ thuis maken het mogelijk dat je op elk moment, ongeacht temperatuur, regen of wind al je tijd kan aanwenden om de ‘echt belangrijke dingen’ te doen, zoals gebouwen ontwerpen en je kinderen opvoeden (of om Netflix leeg te kijken). Lekker efficiënt, maar ook ‘steriel’. Op vakantie, zonder al die techniek, wordt je (weer) gedwongen mee te bewegen met de omgeving;  jij past je aan aan de omgeving, in plaats van dat de omgeving zich (kunstmatig) aanpast aan jou. Deze fysieke technologische bubbel waarin we wonen en werken, is een vloek en een zegen. Een zegen omdat het zonder meer heeft bijgedragen aan een beter, comfortabeler en gezonder leven. Een vloek omdat het een afstand tot onze leefomgeving heeft geïntroduceerd waar velen, waaronder ondergetekende, grof geld voor betalen om dit tijdens onze vakantie wél weer even te ervaren. De betekenis van al die techniek om ons heen wordt manifest in de kosten die er mee gemoeid zijn: met gemak één derde van de bouwkosten van elk nieuw gebouw.

Het ironische is dat we in de huidige situatie terecht zijn gekomen juist vanuit het streven om meer contact te hebben met onze leefomgeving. In de negentiende eeuwse Europese stad leefde de meesten in bedompte met roetbrakende kolenkacheltjes verwarmde kamers, zonder eigen sanitair, omgeven door schimmel en met z’n allen op een hoopje. De vroeg twintigste eeuwse architecten waren er van overtuigd dat we als ingenieurs en/of kunstenaars met nieuw (stedelijke) vormen, en innovatieve materialen en technieken, sociaal, cultureel en technisch betere (verheffende) gebouwen konden maken. Ruimere woningen, de introductie van sanitair, meer daglicht, een zich openend stedelijk weefsel waar (meer) groen een plek in kreeg, maar ook andere eigendomsvormen (wooncoöperaties!) en een ‘woonopvoeding’ gaven vorm aan het ‘nieuwe wonen’. Ruimtelijk/fysieke én sociale/culturele aanpassingen vormden een tandem. In eerste instantie was dit vaak op basis van ‘doorontwikkelde’ typologieën uit de negentiende eeuw. In Amsterdam bleef in de Amsterdamse School de portiek de basis ontsluiting. Gasgestookte kachels en later cv’s vervingen de kolenkachels. Tot zover is alles nog waarschijnlijk in orde volgens Van der Heijden.

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

Deze ‘incrementele’ verbeteringen waren voor de revolutionaire avant-gardisten natuurlijk lauwe soep. Het toepassen van beton, staal, en ‘uitvergrote’ verbeteringen (heel veel glas, ‘hygiënische’ witte panden, hoger en groter) tot en met het volledig openbreken van het ‘traditionele’ stedelijke weefsel, waren voor hen de uitdrukking van een écht nieuwe manier van leven, én een nieuwe maatschappij. Deze ‘hyperbolische’ verbeteringen schoten soms hun doel voorbij, iedereen kent de smakelijke/pijnlijke verhalen over lekkende platte daken en oververhitting achter de gigantische glazen puien. Installaties waren voor deze panden geen ‘aanvulling’ maar bleken bittere noodzaak. Alle goede bedoelingen ten spijt werden de radicale ruimtelijke concepten pas leefbaar met het verder mechaniseren van gebouwen door de opkomst van mechanische ventilatie, airconditioning en uiteindelijk computer gestuurde gebouwbeheersystemen. Gebouwen kwamen aan een mechanisch en elektronisch infuus te liggen, een ontwikkeling die tot kunst werd verheven in het ontwerp voor het iconische Centre Pompidou in Parijs.

Doordat de installaties de ‘leefbaarheid’ van de panden meer en meer voor hun rekening namen, werd de architectuur ‘bevrijd’ van de banale werkelijkheid (en kon in het Centre Pompidou ‘verdampen’ tot een ‘onruimtelijk’ raster van staal, glas en roltrappen). Architecten konden hun artistiek-conceptuele spierballen laten rollen, met esthetisch spectaculaire resultaten, zoals het Sluishuis absoluut is. Waar de architectuur eerder een soort interne logica had – en daarmee gevangen was in een keurslijf van conventies – die verbonden was met de logica van het dagelijkse leven, is die relatie losser geworden en uiteindelijk verdwenen.
Die ontkoppeling van conventies had eerst een avant-gardistisch elan, maar heeft ons uiteindelijk in een ruimtelijk-architectonisch niemandsland laten uitkomen. Elke architectuur kan, van ‘historiserend’ tot ‘hedendaags’, de installaties vangen de klappen wel op. Ook kunnen gebouwen contextloos worden: overal, in elke vorm. Zelfs in de zinderende hitte van de Saoedische woestijn, kan er gebouwd worden, mits er voldoende (duurzame) energie beschikbaar is om de installaties te laten draaien. Het is ongetwijfeld dat Van der Heijden in dat niemandsland op zoek is naar een houvast.

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

Diezelfde ontkoppelde relatie zie je nu bij thema’s als klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. Eerder zaten gebouwen vol met energielekkende gaten waar beestjes vanzelf onderdak konden vinden. Gebouwen zitten nu potdicht, dus voegen we nu weer expres gaten toe in de vorm van  nestkasten en bijenhotels. Ook hier doet de architectuur er eigenlijk niet toe: een ‘strakke doos’ of een ‘grachtengeveltje’ kan met dezelfde elementen natuurinclusief worden gemaakt. Inmiddels zijn er keurige lijstjes en formulieren ontwikkeld waarmee we de mate van natuurinclusiviteit kunnen aantonen. Daar staat geen enkel architectonisch begrip op.

Dit alles  heeft ons gebracht waar we nu als vakgemeenschap staan. De toegenomen ruimteclaims in de gebouwde omgeving, elk met zijn eigen normen en lijstjes, maakt dat een legertje adviseurs vooraf alles goed uitrekent wat vervolgens als een ‘boodschappenlijstje’ aan de architecten wordt meegegeven. Nog voordat we een lijn op papier hebben gezet. En al deze randvoorwaarden, het zal Van der Heijden blij maken, drukken de architectuur in haar verschijning weer ‘terug’ naar de voor-avantgardistische architectuur waar Van der Heijden regelmatig prachtige voorbeelden van deelt op onder andere Instagram. De architectuur is daardoor niet langer meer mogelijk gemaakt door de installaties maar wordt er nu zelfs door gedicteerd. Dikke, want zwaar geïsoleerde gevels met maximaal 40% openingen leidt tot een architectuur van monolitische volumen. De energiezuinige, gas-loze warmtepompen kunnen bij meer glas en lagere isolatiewaarden simpelweg niet voldoende koel- en verwarmingsvermogen leveren om – op papier – de woningen comfortabel te houden. Als architectonische smaakmaker resteert vaak niet meer dan een wezenloos geneuzel over een ‘ambachtelijk’ baksteenverbandje, een ‘gaaf’ betonnen gevelelement en/of een kek balkonhekje om de dichte gevelvlakken op te leuken. Van der Heijdens oproep om de relatie tussen architectuur en techniek te overdenken is al een gepasseerd station voordat een discussie op gang is gekomen. Hoe gaat Van der Heijdens pleidooi om de ‘body of knowledge’ van de Europese stad (weer) als inspiratiebron te raadplegen in deze context helpen?

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

citaat uit Hans van der Heijden, Duurzame architectuur blijft hangen in retoriek, NRC 13-14 augustus 2022

We moeten iets beters verzinnen. Zeker in een context waarin een eeuw architectonische middelen en betekenissen – veel glas als middel én metafoor voor een met de elkaar en met de omgeving verbonden ruimte – door deze ontwikkelingen via de achterdeur wordt afgevoerd. We staan er bij en kijken er naar als architecten. We moeten open en nieuwsgierig nadenken hoe we omgaan met de manier waarop installaties en ruimtelijke concepten elkaar wederzijds beïnvloeden. Niet als technocratisch/esthetsiche invuloefening maar omdat we er van overtuigd zijn dat hoe een gebouw ruimtelijk is vorm gegeven, in samenhang met de techniek waarmee ze gebouwd wordt, betekenis heeft voor hoe we in en met een gebouw en zijn omgeving (samen)leven. Als de context waarin we werken door klimaatverandering en een energietransitie ingrijpend verandert, dan zijn we het aan onze stand verplicht daar een conceptueel, intellectueel en sociaal bewustzijn voor te tonen.
Zou het gesprek dus niet moeten gaan over welke ambities we nu hebben voor een betere toekomst, in een veranderende context? Natuurlijk technisch, en esthetisch, maar ook sociaal en intellectueel. Hoe we verbonden met elkaar het dagelijks leven in een fysiek-digitale ruimte vorm geven. En natuurlijk, laten we van alle goede voorbeelden leren die er zijn, gebouwd in baksteen, in Europa en in de rest van de wereld, zonder dogma of intellectueel/academisch vooroordeel. Anders verzanden we, als we niet uitkijken, in een 21ste-eeuwse variant van de negentiende-eeuwse stijltwisten (baksteen of geen baksteen?), zonder echt te bevragen hoe we willen (samen)leven.

Enkele gerelateerde artikelen